[13e September ao. 1710]

[1]

Vertoogh door den Gouverneur Louis van Assenburgh ter Politicque Vergaderingh als president aan alle de daar present zeijnde leeden in volgende maniere voor geleesen en gedaan:

Het is aan alle de leeden deser vergaderingh ongetwijfeld bekent en nogh in verssche geheugenisse, hoe dat ik deese Raad op den 2e deser maand hebbe doen convoceeren, en als doen den zelve hebben voorgedragen of de pagters die op den 30e Augustus jongst leden de Caabse koele wijnpagt hadden gemeijnt ende aangestaan, niet behoorden der zelve pagtcondities te beeedigen ende te verklaren dat de zelve geen onderlingh accoord, contract ofte onderhandelingh met den anderen hadden aangegaan, volgens den inhout der zelve condities, behelsende dat de voors. pagt zal verpagt werden bij vier perceelen, en dat aan vier besondere en meest biedende persoonen, de welke alvorens te mogen tappen, zullen moeten verclaren met geen van de drie andere pagters in gemeenschap of contract te staan, maar ijder voor zijn zelvs gepagt te hebben.

Waar op als doen, volgens ingenomen schriftelijk advijs, bij meerderheijt van stemmen geresolveert ende vast gestelt is, om de voors. pagters op Woensdagh den 3e daar aan volgende, ten overstaan van gecommitteerdens, bij provisie onder presentatie van eede, te laten verclaren, of dezelve ook eenig onderlingh accoord ofte contract wegens eenige gemeenschap van intrest aangaende deese pagt met den anderen hebben aangegaan, waar toe uijt het midden deses collegie zijn gecommitteert gewerden den capitain van der Laan en ondercoopman Jakobus Cruse, de welke in gevolge hunner commissie de gemelde pagters voor hun hebben doen comen, en haar luijden een ijder hooft voor hooft apart en in malkanders absentie voor geleesen zeeker concept verklaringh, uw alle in de laast gehoudene vergaderingh vertoont ende voorgeleesen, contineerende den inhoud van het tweede artikel der pagtconditie, mitsgaders het zelvde artikel, zoo als het door haar op aanstaan der pagt is getekent gewerden, de welke zij alle te samen ofte geen van hen in 't besonder hebben willen onderteekenen, maar hebben hun daar op gegeevene antwoort door den secrets. in geschrifte doen stellen, luijdende als volgt:

Eerstelijk den burger Steven Vermeij binnen gestaen zeijnde, heeft na dat hem de verklaringh voor geleesen was, gezegt, dat hij niet tegens zig selvs kan verklaren en dat zulx de pagters nooijt voor deesen is te voren gecomen; maar zegt een contract met malkander voor de secrets. van Justitie te hebben aangegaan.

De burger Hendrik Eksteen [2] 't zelve mede voor geleesen zeijnde, zegt, voor zijn zelvs gepagt te hebben, en dat hij het tweede poinct van de pagt conditie niet kan bevestigen met zijn verklaringh, maar dat hij na 't aangaan der pagt een contrak[t] met de andere heeft aan gegaan, om de wijn op prijs te stellen.

Den burger Pouwel Heijns [3] zegt, naar dat hem dito verklaringh meede was voorgeleesen, dat hij geen accoort met de andere pagters heeft aan gegaan, als dat volgens 't contract door den Secrets. van Justitie gemaakt, met den anderen zijn over een gecomen, om de wijn tot vijftigh Rxs. de legger in te copen, en dat hij verder voor zijn eijgen reek. gepagt heeft.

Insgelijks heeft den burger Michiel Leij, de verklaringh hem meede voorgeleesen zeijnde, gezegt, dat hij met zijn viere aan de Edle.Heer Gouverneur en Raad door de Heer Helot heeft laten presenteeren omme de pagt aan te staan tot ƒ36000, zeggende verder, dat ten reguarde der prijse der wijnen, meede in contract met den anderen te zijn, en dat verders voor zijn eijgen reek. in 't particulier heeft gepagt; na welke bovenstaande den deposant weijder zeijde, als dat het hem vreemt te voren comt, dat als nu te zouden moeten verclaren, en dat bekent is geweest dat hij een van de vier is geweest die de ƒ36000 heeft laten presenteeren ofte aan bieden, sustineerende dierhalven, dat 't hem te voren most verboden zijn, van niet te zullen pagten. [4]

Welk vorenstaande het geene is, dat zij pagters in presentie van voornoemde gecommitteerdens bij den Secrets. hebben doen aan teekenen, zonder dat zij luijden de zoo noodzakelijke, en in de pagtcondities gerequireerde en bedongene verclaringh hebben willen doen; met welke gedoente zij niet alleen de zeer geeerde ordre der Edle. Hoog Agtb. Heeren 17e in dato 30e October 1706 come tegen te gaan ende te removeren, 't welke deesen Raad in opvolgingh hunner pligt, niet vermogens is om eenige alteratie daar in te maken, laat staan 't zelve te removeeren, mitsgaders dat zij luijden 't geresolveerde ten deeser vergaderingh van den 2e deser, daar meede geheel zoude comen te vernietigen, en hunne met de E.Compe, aangegaane voorwaarden te verbreeken; behalven dat het gegeevene antwoort van voornoemde pagters duijdelijk te kennen geeft, dat zij van haare aan gegaane conditien zijn geweeken. Alsoo Steven Vermeij niet duijsterlijk te kennen geeft, dat hij teegens de pagtcondities met de E.Compe. aan gegaan, heeft misdaan, vermits hij zegt niet tegens zijn zelve te konnen verklaren, en wat aangaat dat de pagters zulx nooijt is te voren gecomen, moet daar op dienen, dat voor deesen ook niet bekent is geweest, dat de zelve zoodanigh teegens de gegeevene ordres, en hun eijgen aan gegaane accoort boven genoemt, hebben geopposeert.

En van de gegeevene getuijgenis van Hendrik Eksteen, is het notoir, dat dezelve aan gegaane pagt nul en van geender waarde en is, vermits den zelven rond uijt zegt, het tweede poinct der pagtcondities niet te connen bevestigen met zijn verclaringh, waar op den zelve hem egter is gelaten geweest.

Den burger Pouwel Heijns zegt wel voor zijn zelvs gepagt te hebben en een contract met de andere te hebben aangegaan om de wijn op prijs te stellen, maar heeft mede het voornoemde tweede artijkel der pagtcondities niet willen verclaren.

Insgelijks kan het den burger Michiel Leij nogh veel minder baten, van te zeggen dat hij een van de vier is geweest die de ƒ36000 voor de pagt hebben laten bieden, vermits het na alle gedagten maar bij den Heer Helot alleen bekent is geweest, wie dat die personen waaren die voornoemde somma hebben laten bieden, alzoo zijn E. den Raad maar communiceerde, dat het hem van ter zeijde was voorgecomen, zoo dat het na alle apparentie zeker genoegh is, dat den zelve gemelte Leij zal hebben gezegt, dat het tegens Comps. ordre was strijdende, en dat dierhalven den Gouverneur en Raad hun zulx niet vermogten te accorderen. Behalven dat gemelte Leij de pagtcondities zoo wel als andere is voorgeleesen, en bij gevolgh gehouden, zoo wel de andere, de gedagte verklaringh te moeten doen, maar is daar omtrent met zijne mede standers concurerende, namentlijck van gemelte tweede artijkel der meer gedag[te] pagtconditien, naar deszelvs inhoud niet te verclaren.

Alle het welke voorschreeve staat, den ondergeteken[de] heeft doen moveren omme op Vrijdagh den 5e deser lopende maand, dit collegie te doen vergaderen welk[e] notulen ten dien dage gehouden en Ul. respective advijsen benevens 't mijne den secrets. gedicteert, en door het in 't geschrifte gestelt, en door ons onderteekendt zeijnde, hier tot Ul. speculatie werd geinsereert en mijne remaques dies aangaande ter halver blad aangehaalt Als:

Copia Notulen van den 5e September ao. 1710:

De gegeevene getuijgenisse ofte verklaringh der pagters van de Caabse koele wijnen op den 3e deser maand ter presentie van gecommitteerden[s] (ten dien fine op Dingsdagh den 2e deser uijt dit collegie genomineert) verleend op heden door den Edlen. Heer Gouverneur in Rade over gegeeven, ende vervolgens geleesen zeijnde en waar bij de gem. pagters genoegsaam te kennen geeven, dat zij onderlingh met den anderen in gemeenschap van intrest zijn, (gelijk bij dezelve verklaringh breeder kan beoogt werden en hier voren klaarlijk gedemonstreert is). Alle het welke direct tegens de condities en voorwaarden op het meijnen, door het teekenen der zelve, bij de respective pagters met de E.Compe. aangegaan, is strijdende, ende de zeer geeerde ordres der Heeren Majores ten eenemaal contrarieerende.

Zoo heeft den Edle.Heer Gouverneur de vergaderingh voorgedragen, vermits gemelte pagters zeggen de conditien der pagt niet te connen verklaeren, om de zelve na te comen, wat in deese zaak te doen stond; zeggende zijn Edle. van advijs en meninge te zijn, dat de zelve pagt tegens morgen over acht dagen, weder op nieuw behoorde opgehangen en verpagt te werden, en dat tot schade en voor reek. van die geene die in gebreke zijn gebleven de voorn. pagtcondities te voldoen, te meer om dat door deese gedoente een monopolie tot groot nadeel van de arme weijngaardeniers comt door te schijnen, en wel princepalijk om dat het tegens de gegeevene en posetive ordres van de Edle.Heeren Majores is strijdende, die wij pligtshalven schuldigh zijn punctueel en naar hunnen inhoud te agtervolgen.

Waar op zijn Edle. de verdere leeden hunne sentimenten en advijsen gelievde te vorderen, zoo heeft den heer hoofdadministrateur, wegens zijne indispositie niet present zeijnde 't onder volgende voor zijn Ee. advijs in geschrifte overgelevert, luijdende als volgt:

Den oppercoopman en secunde deses Gouvernements Willem Helot, op de afvrage door den politicque Secrets. aan hem, uijt name van den Edle Heer Gouverneur gedaan, om mede zijn advijs te geeven over de besoigne heden morgen ter vergaderingh gehouden, nopende de jongste verpagting en pagters der Caabse coele wijnen &a., zegt deesen, dat hij zig daar van wel zoude connen onthouden, vermits door zijn indispositie ter vergadering niet present geweest, of heeft connen zijn, maar agtende het geproponeerde en 't advijs van de Edle.Heer Gouverneur dies wegen te zijn van groote aangelegentheijt en consequentie, heeft hij billik en na gemoede geordeelt het volgende voor schriftelijke consideratien en advijs in te brengen, namentlijk:

Dat de zaak in questie voornamentlijk schijne te resulteeren uijt het tweede poinct der pagt conditie van de Caabse coele wijnen, luijdende aldus:

"de voors. pagt zal verpagt werden bij vier perceelen, en dat aan vier bijsondere en meest biedende persoonen, de welke al vorens te mogen tappen, zullen moeten verklaren met geen van de drie ander[e] pagters in gemeenschap of contract te staan, maar ieder voor zijn zelvs gepagt te hebben."

Ingevolge van 't welke dunkt den onderges. dat de respective pagters vermeld, ten eersten na de verpagtingh, of uijterlijk daags daar aan (niet tegenstaande Sondagh) en zulcx voor 't ingaan van haar luijder tapneringh, op dat poinct behoorden ondervraagt te zijn geworden, hoe wel zulcx nooijt te voren is geschiet; en niet na dat zij reets twee dagen getapt hadden; zeijnde ten dage van de verpagtingh, nog bij den Edle.Heer Gouverneur, nogh bij geene leeden des Raads daar van iets gerept, zelvs nogh niet den tweeden dagh daar na. Zulcx den onderges. waarschijnelijk voor comt dat dit te doene onderzoek door sommige niet wel geintentioneerde voor de gezeijde pagters is aan de hand gegeeven, die liever voor haar luijder particulier intrest eenige andere als de tegenwoordige tot pagters zouden gezien hebben.

Bij gedane afvragingh der pagters voor gecommitteerdens den 3e deser blijkt wel, dat zij een of meer onderlinge contracten hebben gepasseert, maar ook volgens den datum dier contracten, bestaande uijt twee besondere mij vertoont, dat zulx is geschiet de eerste en tweede dag na de verpagtingh, verklarende verders, als uijt eene mond, schoon separaat geexamineert, zonder eenig onderling mondgesprek te hebben mogen houden, te voren met den anderen in geen gemeenschap of contract gestaan, maar ieder voor zig zelvs gepagt te hebben, na mij wel voorstaat te hebben onthouden uijt het opstel der zelve verklaringh; zulcx het gesustineerde omtrent dat poinct daar door volgens mijn gevoelen comt te vervallen.

Dat de pagters nu naderhand of zedert de verpagtingh eenige verdragpoincten nopende hunne tapnering onderlingh hebben aangegaan, is te voren door andere ook te meer male gedaan, als bij de contractboeken ter secretarije zal konnen gezien werden; hoe wel zulx altijt met communicatie en toestemming van den Heer Gouverneur is geschied, dat ik nu beleijde niet gedaan te zijn, en mits dien de pagters daar over reprochabel, die nogtans op dat subject redenen van onwetenheijt zouden konnen voorwenden, behalven dit, is de pagters te voren meest tellckens op haar verzoek toegestaan, om, nevens haar eijgen nogh een ander, of bij huijs, tot den tap en vertier hunner weijnen te mogen gebruijken, schoon de conditien bij den Heer Commissaris daniel heijns ingestelt, en door de Hoog Edle. Heeren principalen geapprobeert, en verstaan die zodanigh op te volgen, daar niet het minste van gewagen.

Om nu te comen tot de voors. contracten of onderlinge verdrag poi[nc]ten, is den onderges. uijt het Ie van ulto. Augustus gebleken dat zij, pagters, waren over een gecomen om gedurende deese pagttijt geen meer dan vier huijsen, en zulcx ieder een, tot den tap en sleet te gebruijken, 't geen de conditien in geenen deele contrarieert, maar wel eer daar mede over een stemt, 't welk den onderges. voor komt als een zaak van veel nut en vrugt, om de ongeoorloofde tapperijen en meenigte van smockelaars des te beter te konnen dempen en daar op een wakend oog te houden.

Ten anderen hout dat contract in, dat niemand van haar luijden zal vermogen, zijne wijnen minder als tot 20 zware stuijvers de fles te verkopen, tot er tijt zij contractanten geraden mogten vinden, omme die prijs te vermeerderen na geleegentheijt en constitutie des tijts; 't geen al meede conform de pagtconditie is, welke ten dien belange dicteert:

"de prijs van 20 stuijvers voor ijder mengelen van acht mutsjes werd mits deesen ingetrocken en vernietigt, en zal 't een ijder van de voors. vier tappers vrij staan hare wijnen tot zodanige prijs te verkopen of te tappen als hun goed dunken zal."

Dit wel ingezien en overwogen hebbende, kan de onderges. daar uijt niet anders bemerken of 't zal een middel zijn om de wijnen, die zedert eenige jaeren herwaarts onder de armste landbouwers zeer in prijs zijn afgenomen, weder te doen steijgeren, want na gelange, dat de pagters de zelve doen opslaan, konnen de wijngaardeniers die ook op prijs houden, en dus daar mede beter dan te voren bestaan.

Het andere of tweede contract is eenlijk een over een comste tussen de pagters Pauwel Heijns en Michiel Leij, waar in den eersten beloofd en aanneemt (een persoon zeijnde die men weet van zig zelve geen weijngaard te bezitten) gedurende den pagttijt aan den andere, bij aldien dezelve in verlegendheijt mogt comen te geraken, zoo veel weijnen te zullen besorgen als hij te dier tijt simpelijk zal benodigt hebben, ieder legger tegen vijftigh Rxs., en zulx veel meer als er sedert eenige jaaren herwaarts door de pagters voor de wijnen betaalt is; een zaak mede niet tegen de pagtconditie strijdigh, veel min dat den onderges. daar in eenige monopolie kan vinden, of iets tot nadeel van de gemeene man streckende die het alleens is of hij aan den een of den andere pagter Zijne wijnen comt te vercopen.

Uijt alle het welke voors. den ondergetekende niet vinden kan, dat de pagters eenig contract van maatschappeij onderling hebben aan gegaan, nog ook niet dat men uijt de voors. over een comsten eenig nadeel voor de E.Compe of de wijngaardeniers deses lands, mijns eragtens, te gemoet kan zien, maar eerder dat het bij continuatie de wijnpagten in 't toecomende zal doen reijsen; waarom tot een besluijt zegt, dat zig met het gegeeven advijs van de Edle. Heer Gouverneur niet kan confirmeeren, speciaal om de onlusten, die daar uijt zouden konnen reijsen onder en met de voors. pagters, wanneer de vier perceelen der koele wijnen, volgens 't teneur van 't zelve advijs, weder t' hunnen laste verpagt wierde en minder dan te vooren quamen af te werpen, 't welk in dien gevalle zekerlijk te dugten staat, dat zeer veel zoude verscheelen, dewijl men hier wel luijden genoegh, bequaam om te tappen, maar weijnige tot pagten geneegen vind; zeijnde dier halven van advijs, dat men het werk hier bij nu behoorde te laten en de voors. vier pagters dit lopende jaar of de twalif eerst agter een volgende maanden, in hun begonnen tapneeringh onverhindert doen continueeren, onder des dat den E.fiscaal een nauwe toe zigt zoude konnen houden en inquireeren of de meer gezeijde pagters ook eenige onderhandeling van maatschappeij, nopende dese pagt en tapneering hebben of comen te pleegen; en die daar op bevonden, en van overtuijgt werdende, als dan strengelijk [te] punieeren, 't zij in een geldboet[e] of andersints, na dat zulx in Ra[de] goed en billik zal bevonden werd[en] te behoren; door dien er op dat subject in de voors. pagtconditien geen boete of straffe staat uijt gedrukt.

't Nevenstaande [5] advijs van de Heer Helot zoo groot en wijdlopigh geextendeert en uijtgehaalt, kan den onderges. zig niet genoeg verwonderen, wat Zijn E. bewogen heeft om 't zelve zoo wijdluftig uijt te brijden, te meer om dat in 't zelve 't zakelijkste, waar op Zijn Es. advijs gerequireert is geworden, niet eens is aangeraakt, gelijk hier onder breeder werd aangetoont, en waar om dan ondergetekende zijne remarques, dier halven tegens zijne intentie mede wat omstandig zal moeten ter neder stellen; En zegge aanvankelijk, dat het de pligt van een raadspersoon is, niet tegen staande den zelve wegens eenige onpasselijkheijt deesen in vergaderingh niet kan present zijn, nadat de stucken en 't verhandelde hun vertoont is, mede zijn advijs te geeven, alsoo een ijder zig altijt zoude konnen veijnsen ziek te zijn, om maar bevreijt te weesen van over deese en geene zaaken zijn stem niet te geeven. [6]

Zijn E. zegt de zaak in questie voornamentlijk schijne te resulteren uijt het 2e poinct der pagtcondities, [7] als of den zelve niet alsoluijt wist wat ten dien belange door den Gouverneur was voorgedrage aan de vergaderingh op den 2en deser maant, daar den zelve als doen present was, en zijn schriftelijk advijs meede heeft gegeeven, dat de zelve pagters na den letter van het twede art. der pagtconditie moeten verklaren, dat zij met den anderen geen onderlinge contracten ofte onderhandeling van gemeenschap hadden [8] aangegaan, maar 't schijnt dat den selven de pagters nu wilde exkuseren van 't zelve te laten doen, om dat het niet voor den aanvang hunner tapneering is geschiet, waar mede hij nu zijn eijgen en vorig advijs comt tegen te spreken; en den ondertekende het mede niet nodigh zoude agten om hun 't zelve na die tijt te laten doen, bij aldien de slinxe handelinge van gemelde pagters hem naar dato niet eerst te voren was gecomen. Zeggende zijn E. wijders dat ten dage van de verpagting, nogh bij den Gouverneur, nogh bij geen der leeden van den Raad, daar van iets gerept is; waarop in antwoort diend, dat het den onderges. vreemt voor comt, dat den Heer Helot zulx in zijn schriftelijk advijs durft poseeren, daar het hem, nogh ook geen der leeden van de Raad onbekent kan zijn, dat in den vergaderingh van den 26e Augustus laastleeden, en waar in over 't reguleren van de pagten gehandelt, en door zijn E. voorgedrage wierd, dat hem van ter zeijde was voorgekomen dat vier personen met den anderen eens zeijnde, de pagt van alle vier de perceelen van de Caabse koele wijnen wilden bij accoord over nemen voor ƒ34000 Caabse valuatie en dat het zelve als doen van de Gouverneur en alle leeden gerejecteert wierd, als strijdende tegens 's Comps. ordres; ten anderen is den zelve nog veel minder onbewust, dat hij den 30e Augustus, zeijnde den dagh der verpagtingh, 's morgens voor 8 uuren in des Gouverneurs camer gecomen is, om aan den zelve voor te dragen (niet als van ter zeijden, gelijk de vorige reijs, maar) direkt om de heele pagt bij admodiatie aan vier personen in gemeenschap van intrest zeijnde, zonder jemand te noemen over te laten, waer op den Gouverneur de geeerde ordres van de Edle. Hoog Agtb. Heeren Majores daar tegens wierp, en 't zelve vervolgens geheelijk deklineerde, egter door den zelve Heer Helot daar over tot verscheijde reprieces met nadruk is gepresseert geworden, dewelke egter ziende, dat het door den Gouverneur gedeclineert wierd, den zelven verzogt het dog maar aan de leeden van de Raad, die over een uur na de verpagting stonden te gaan, eens te willen proponeeren, 't geen de Gouverneur, doen de leeden compleet waaren, ook gedaan heeft, zijne consideratien en de ordres der Heeren Majores daar bij voegende, en een ordentelijke stemming daar over heeft laten gaan, waar bij 't zelve absoluijt gerejecteert wierd; hoe durft den Heer Helot dan poseren datter ten dage van de verpagting door den Gouverneur, nogh enige der leeden, van deese zaak niet gerept, ofte eenige mentie van gemaakt is, en al waar dit voors. alle niet voorgevallen, zoo was het egter onnodigh geweest, daar eenige mentie van te maken, door dien de pagtconditien publijk voorgelesen zijn, waar bij het duijdelijk gespecificeert staat; en kan wel verzekeren dat het den onderges. al eens is, wie dat pagters zijn, als Comps. ordres door haar niet werd gebroken en tegengegaan, en is verzekert van geen intrest altoos daar in te hebben, nog geen particuliere vrinden, om daar omtrent eenige vrindschap te doen, als wel blijkt dat den zelve Heer Helot omtrent de pagter Michiel Leij is hebbende. Hij zegt meede dat de pagters als uijt een mond verklaren, schoon separät geexamineert, zonder eenig onderlingh mond-gesprek te mogen hebben houden, dat zij te voren in geen contract met den anderen hebben gestaan ('t welk den zelve om voorgegeevene redenen wel bewust is geweest) als of hij zeggen wilde, als het maar te voren niet is geschiet, zo misdoen zij ook niet, daar het egter genogh is dat men de contraventeurs aantast, wanneer zij tegens hun aangegaane verdraghpuncten comen te handelen; want schoon zij voor 't aangaan der pagt niet met den anderen mogen contracteeren, zoo is het hun na het aangaan der zelve geheel niet gepermitteert, en 't is mede bekent, dat wanneer twee ofte meer persoonen iets zullen verklaren, dat dezelve (altoos in cas subject) een yder apart werd ondervraagt; en comt hier mede niet aan te halen, dat hem gebleken is, dat geen van de pagters het bewuste 2e. art. heeft willen of konnen verclaren.

Deese bovenste en nevenstaande periode [9] vereijscht geen opmerking, alsoo tot de zaak mede niet is doende, wat contracten of onderhandelingen de zelve met communicatie va[n] de successive Gouverneurs is geschiet, als in 't minste niet tegens 't oogwit onser Heeren Principalen is streckende, alsoo Haar Edelens. ordere en meninge is, van 't zelve aan vier aparte personen te verpagten, die een ijder voor zijn zelve, maar niet te samen in een beurs comen te doen, gelijk in dit geval mij genoegh gebleeken en voorgecomen is, gelijk vervolgens nogh breder zal werden aangetoont.

't Geene den Secunde persoon in deese nevenstaande periode, wegens 't accoord door de pagters met den anderen aangegaan, wegens 't houden van maar vier taphuijsen aanhaalt, is den ondergetekende in een en 't zelve gevoele.

Maar dat den zelve verder zegt, dat 't stellen van 20 zware stuivers op de fles wijn, een oorzaak zoude zijn om de wijnen die (volgens zijn zeggen) eenige jaeren onder de armste landbouwers zeer in prijs zoude zijn afgenomen, weder te doen steijgeren &a., daar op werd geantwoort dat de wijnen 't verleedene jaar, tot 40 en 45 Rxs. de legger, door den bank verkogt zijn, daar 't zelve doen een redelijk wijnjaar is geweest; daar zij nu door de pagters tot 50 Rxs. de presente en tegen 40 Rxs. de aanstaande nieuwe wijn bereets inkoopen; en daar te contrarie deese jaarse wijnougst lang zoo veel niet uijtgeleevert heeft als het verledene jaar, als wanneer de pagters de wijn tot 10 a 12 gelijke stuijvers de fles hebben verkogt, zoo dat volgens des administrateurs stelling, de wijn als nu tegens 80, 90 en meer Rxs. de legger door de tegenwoordige pagters behoorde ingecogt te werden, waar mede die stelling geheel comt te vervallen.

Ende ten reguarde van 't geene zijn E. in 't vervolgh van zijn advijs zegt, daar op zal den ondergetekende dienen, dat het immers meer en als al te wel bekend is, hoe dat den burger Michiel Leij, Steven Vermeij, Pouwel Heijns en Johannes Blankenbergh [10] voor de pagttijt met den anderen hebben beraadslaagt en overleijt om de Caabse wijnpagt door haar alleen te mogen gemeijnt ende becomen werden, gebruijkende tot der zelver onderhandeling hunnen mede burger Jan de Wit, [11] op dat men daar geen gedagten op zoude hebben, Ja hadden het zelve alsoo verre met den anderen over een gebragt, van alle te samen, 't zij winst ofte verlies, in een beurs te brengen en zoude ten dien eijnd[e] den gemelde Blanckenbergh, als boekhouder van die handeling geweest zijn, wesende hun eenigste verschil maar dat dito Blankenbergh in zijn huijs niet tappen wilde, vermits den zelve dan als na gewoonte geen volk conde logeren, waarom den zelve het heeft gestaakt en agter wegen gelaten; zeijnde weder in des zelvs plaats door voornoemde Michiel Leij aangezogt geworden den burger Anthonij Hoeseman, [12] dewelke op afvrage van dito Leij eerst het contract wilde leesen, dat zij met den anderen zoude teekenen, 't welke dezelve Leij niet wilde laten leesen, voor en aleer dat Hoeseman hem zoude gedeklareert hebben om van de partij te willen weesen ofte niet, zeggende meergenoemde Leij dat hij hem voort moeste verklaren, alsoo hij zeeker man (mij ondergetekende wel bekent, ende ook bij de verklaring genoemt) dien selvden dagh naar middags aan de waterplaats bescheijd te moeten brengen, zeggende gemelte Hoeseman vervolgens, dat hij met zodanige contracten niet wilde te doen hebben; waar door voors. Hoeseman ook in hun compagnie niet geraakt is, 't welke naderhand is comen te blijken, dat zij eenen Hendrik Eksteen in hunne compagnie hebben aangenomen.

Welke voors. handeling omtrent Hoeseman nogh nader is geconfesseert gewerden door zekere vrouw van een der pagters, de welke op Zaturdagh den 30e. Augustus, wanneer de verpagting zoude geschieden, en de klock van 't Casteel ten dien eijnde geluijdt werdende, onder het luijden zeijde, nu zal men haast andere pagters zien, wij hebben Hoeseman, omdat hij niet mede wilde teekenen, buijten gesloten, zodat hij nu geen pagt zal hebben. Alle het welke nogh nader aangetoont werd door de handelingh van meergen. Leij, Alsoo den zelve nooijt voor deesen gepagt heeft gehad, en als nu de alderlaaste vierde part der gedagte wijnen, aangestaan heeft tot ƒ10000, daar de zelve een der andere perceelen tot veel minder prijs had konnen bekomen, gelijk ook naar dato genoegsaam gebleeken is, dat zij pagters tot deesen tegenwoordige uure toe met malkanderen in gemeenschap van intrest &a zijn, Alsoo den een niet meer als den ander voor zijn pagt zal betalen, en zulcx een ijder een geregtigh vierde part der door hun te samen uijt geloofde pagtpenningen. Hebbende den geweldiger (zoo als den ondergetekende onderrigt is) een verreeringh van 100 Rxs. gedaan, op dat hij wel op de smokkelaars passen zoude, waar in zij wel niet qualijk doen, maar genoegh te kennen geeven, hoe dat zij met den anderen staan; met alle het welke den ondergeteekende vermeent overvloedigh te hebben aangetoont als dat de pagters met den anderen in zodanigen handelingh en gemeenschap zijn, als tegens het 2e artikel der pagt condities is strijdende; 't welke zij ook genoegsaam confirmeeren, terwijl dat zij luijden den inhoud van dat art. niet hebben willen bevestigen en unanimiter verklaart, dat zij het zelve art. niet kosten agter volgen, nogh het daarin gerequireerde nakomen; bij alle het welke door [13] den Gouverneur nogh wel eenige verkeerde handelinge zoude bij doen, maar agt zulcx als nu onnodigh, en niet dienstig te zijn; den Gouverneur comt ook voor als een zeer rare zaak, dat in dit heele schriftelijk en zoo wijdlopig advijs niet eens mentie gemaakt word van die zaak, dat de eenigste of ten minste de essentieele poinct is, door hem aan den Raad in deliberatie gegeeven, want 't zelve bestond eenelijk, om door gecommitteerdens aan den Raad te doen rapporteren, het geene voorgevallen was, doen de respective pagters voor haar quamen, om de verklaring te doen, bij gemelde 2e art der pagtcondities gerequireert, het geen in een volcomen raadbesluijt van den 2e September vastgestelt was, van het haar te doen verklaren.

Ingevolge van de meer gemelde ordres dat hooft voor hooft betuijgt hebben, eenige contrarie bekent, en bij gevolgh de voornaamste conditie verbroken, zoo wierd in de vergadering van den 5e deser door den Gouverneur geproponeert om een bequame dag te beramen, en door biljetten publicq te maken, wanneer men ten coste van die geene, die de conditien gebroken hadden, de pagt weder zoude ophangen, en op 't nieuw weder in vier perceelen op te veijlen, als een zaak en een gevolgh zeijnde van de resolutie van den 2e September.

Deese zelvde obmissie van de hooftzaak eens te beantwoorde, vind men ook in de schriftelijke advisen van den E.fiscaal Blesius, den capitain Olof Berg en nogh 2 andere leeden die ten naaste bij na haar gevoelen willen schijven over een te comen, welke obmissie mede een zaak is die tegens de ordentlijkheijt van Raadsvergaderingen aanloopt.

Den fiscaal Joan Blesius zegt, dat hij hem met 't advijs van de Edle.Heer Gouverneur niet wel kan confirmeeren, om redenen dat hij oordeelt, dat daar door de pagt in verval zal comen te geraken, mitsgaders de geene die gepagt hebben, daar meede geheel zullen bedorven zijn, zoo bij aldien dezelve tot een lager prijs mogt comen verpagt te werden, en nadien dat de pagt tegenwoordigh op zoo een goede voet is gestelt, en gepagt, dat daar door de E.Compe. mitsgaders den burger in het gemeen, goede voordeelen bij zullen genieten, hier bij comt, bij den onderges. nogh in consideratie dat van dien tijt af, dat de Heer Heijns de pagt zoo ingestelt heeft, niemand is gevergt om den eet af te nemen, zelvs niet bij zijn Eds. aanweesen, doen de pagt op die voet geschiet is, of heeft laten doen, en is verder van sentiment dat het met de pagt nu zodanigh most continueeren tot 't aanstaande jaar. [14]

Op het nevenstaande advijs komt in tegendeel te blijcken, dat de pagten ten dien reguarde in geen het minste gevaar zijn van in verval te geraken, also ten teijde, wanneer de pagters met den anderen niet hebben gecontracteert ofte gehandelt, de zelve hebben gerendeert in de ses laast gepasseerde jaren ƒ32650, ƒ39100, ƒ37200, ƒ33700, ƒ34900, ƒ31072 en nu laastelijk ƒ35200, welke met den anderen niet veel comen te verschillen, en bij gevolgh ook zoo veel winst bij vorige jaren voor de E.Compe. opgebragt als dit jaar, zoo dat de pretense goede winsten bij den fiscaal voor gegeeven, comen te vervallen; en wat aangaat 't bederf der geene die gepagt hebben, wanneer dezelve weer opgehangen zeijnde, minder quamen te gelden, dat zouden zij huns zelvs te weijten hebben, vermits zij door hun slinxe handelinge, de zoo heijlsame en ten beste deser ingezetene streckende ordre comen te contrarieeren.

Alsmede dat het hun niet onbewust geweest is, dat zij met den anderen in geen gemeenschap mochten zijn, vermits de Heer Helot hun zekerlijk zal hebben gezeijd, op het bieden van ƒ36000, dat den Gouverneur en Raad hun dat niet mogten te accordeeren, vermits het tegens Comps. gegeevene ordre strijdende was, als voren bereets is gezegt, en des neen, dat hun 't zelve in de conditie voor geleesen is, en hebben ten dien reguarde hun eet en pligt als onderdanen, als mede de door haar aangegaane conditie met de E.Compe. vernietigt, tegen, ende te buijten gegaan; en dat de pagt op een goede voet gestelt ende verpagt is, is indisputabel, maar daar en tegens is deesen Raad (in op volgingh der wel gegeevene ordres onser gebiederen) verpligt om de zelve in die staat te preserveeren en tot straffe der contraventeurs met vigeur te procederen, gelijk al omme tegens die geene, die tot nadeel van 't gemeene Best komen te mineren, werd gedaan; 't welke wel voor namentlijk de pligt van een officier is, maar geensints om de zelve daar in te stijven ende te stercken, gelijk de zelve genoegsaam is doende, met te zeggen, van deese pagt tot een ander jaar te laten lopen, ofte continueeren; en belangende dat van die tijt af, dat dezelve condities in gestelt zijn, niemand is gevergt om dien eet te doen, kan wel zijn, maar daar en tegen is ter contrarie zodanigen onderhandeling met de pagters, ten minsten bij den ondergetekende zijn aan weesen, niet bekent geweest, en dier halven ook geen verklaring te vergen nodigh geweest, en dat het zelvs bij 't aan weesen van de Heer Heijns mede niet is geschiet, is niet te verwonderen, want bij zijn Edles. aan weesen is die verpagtingh geschiet op den 11e. Maart, de welke op pmo. September daar aan volgende zijn aan vank eerst stond te neemen en doen ook geen de minste onderhandelingh van pagters, ten belange dier pagt niet bekent is geweest, of den insteller dier conditien zoude de zelve ook hebben doen agtervolgen.

Den capitain Berg is van advijs als de Heer Blesius.

Den capitain van der Laan zegt, dat dewijl door de verklaringh der tegenwoordige pagters der koele wijnen genoegsaam blijkt, als dat zij het tweede artikel van de haar voorgeleesene pagtconditien niet connen voldoen, zoo is den ondergeteekende van advijs haar pagtingh nul en van geender waarde te zijn en dat ten haaren costen tot een tweede opveijlingh kan werden geprocedeert, gelijk mede als dat de zelve personen, welke in het toecomende mogten comen te pagten, verpligt mogen zijn, om het tweede artikel der pagtcondities mede te moeten voldoen. [15]

Op deese periode valt zonderling niet te zeggen, als dat alle pagters van de Caabse koele wijnen, volgens der zelver pagtconditien, het 2e. Artijkel van de zelve gehouden zijn, benevens de andere te voldoen.

Die luijtenant Slosboo confirme[ert] zigh ten vollen met het advijs van de Heer van der Laan. [16]

Den ondercoopman Cruse vermeent, dat men haare aangegane contracten moeten zoeken te verbreeken, en voor dit jaar zoo door te laten gaan, en in het toecomende voor het teijkenen van de pagtconditien als dan te moeten verklaren met niemand in contract te zijn. [17]

't Breeken der contracten in 't nevenstaande advijs vermeld, werd door de gemelde pagtcondities genoegsaam verboden en vernietigt; en moet maar zorge gedragen werden, dat zulke verkeerde gangen op 't spoedigst verhindert en te niet gedaan werden; maar niet tot een ander jaar voort te laten lopen; komende het andere geadviseerde tegens 't gegeevene voors. direct aan te lopen, vermits in het 2de artijkel der dikms. genoemde pagtconditien geinsereert is, dat de pagters de zelve verklaringh moeten doen, voor en al eer zij vermogen te tappen, 't welke als dan moet geschieden na dat de pagten gezamentlijk gemeijnt en aangestaan zijn, alsoo men dan eerst kan zien, of ook eenige onderhandelingh mogte gemaakt weesen; comt hier nogh in opmerkingh dat den zelve in de laa[ste] vergaderingh zijn schriftelijk advijs heeft gegeeven, dat de pagters volgen[s] de letter op het 2e artikel voornoemt, de verklaringh moeten doen en ve[r]volgens tot presteringh van den eet kan geprocedeert werden, daar hij den zelve als nu is quijt scheidende.

Den ondercoopman Willem van Putten dient voor advijs, dat de pagt van de Caabse koele wijnen, zodanig als de zelve op den 30e Augustus passado door vier persoonen in 't besonder aan genomen en in gemeijnt is, voor als nogh behoort voort gangh te hebben, om dat mij niet en blijkt, dat zij pagters tegens het 2e artikel van de pagtconditie door eenig contract gepecceert te hebben, dogh zoo zulx geschiet is, behoorde de zelve door den E. independent fiscaal Joan Blesius daar over gekalangeert te werden. [18]

[D]en nevensgenoemde adviseur zegt dat hem niet blijkt dat de pagters door eenigh contract gepecceert hebben, maar haalt niet aan dat de zelve gehouden zijn, de met haar aan gegaane conditien te voldoen, en dat hem gebleeken is dat zij luijden het tweede art der zelver condities, naar den inhoud van dien, met hunne verklaringhen niet willen ofte konnen bevestigen; om het welke te doen, hij zoo kort, en dat in de laaste vergaderingh, te weeten op den 2e deser maand, schriftelijk heeft geadviseert dat de gemelte pagters gehouden zijn om te verclaren dat zij in geen gemeenschap met den anderen zijn.

Ende aangezien den secunde persoon in de laaste vergaderingh (zoo zegt) wegens zijne indispositie niet present is geweest; zoo is door den ondergetekende op stonts den Secrets. deser Raad, met de gemelte notulen en verclaringh van de respective pagters, naar zijn E. afgevaardigt om des zelvs advijs dient halven meede te geeven, en also 't zelve eerst op den 8e daar aan volgende door hem is gesonden ofte overgegeeven gewerden, en ik daar door buijten staat geweest, om dit vertoogh eerde[r] in gereetheijt te brengen, mitsgaders desen Raad bij een te doen vergaderen; zoo heeft het tot mijn groot ongenoegen en tot vertragingh in 't stellen van de daar toe nood zakelijke ordre, tot desen huijdigen dagh toe geduurt, eer wij bij den anderen zijn vergadert.

Ende om UEEs. zoo kort als doenlijk is te communiceeren ende voor te dragen, ten wat eijnde deese vergaderingh door mij is beleijd gewerden; zoo zegge aan vankellijck, dat het is geschiet princepalijk omme, ingevolge onse pligt, de wel gegeevene ende zeer geeerde ordre der Edle.Hoog Agtb.Heeren Bewinthebberen ter vergaderingh van de 17e, onse Heeren Principalen, in dato 30e October 1706 naar deszelvs inhoud prompt te agtervolgen, alwaar haar Edlens. Hoogh Agtb. ons in volgende maniere gelieve te schrijven:

De wijnpagt, waar in en omtrent zoo nu en dan, en nogh jongst weder eenige veranderingh is gebrag[t], zal voortaan moeten geschieden in vier parten, en dat verder zodanigh en op die voet als dat in den jare 1699 bij den Commissaris daniel heijns is gereguleert geweest, en waar bij het voor eerst, en tot onse nader ordre, ook zodanig zal moeten blijven. [19]

Waar bij onse Heeren Majores niet duijsterlijk te verstaan geeven, wat onse pligt is, en waar na wij ons zullen hebben te reguleeren, niet tegens staande de pagt dat jaar, waar van zij believen te zeggen, dat in gemelde verpagtingh eenige veranderingh was gemaakt, de zelve pagt een somma van ƒ5100 meer heeft gerendeert, als de zelve in 10 a 12 jaren te voren hadden gedaan, excepto ao. 1700 en 1703, op welke tijt zij wat meer dan te voren heeft gegolden; waar uijt genoegzaam consteert, dat onse Heeren principalen hun niet aan zodanigen winst laten geleegen zijn, die met 't contrarieeren haarder gegevene ordre werd behaalt, maar dat haar Hoog Edle. begeerte is, om door ons agtervolgt te werden 't geene zij comen te belasten, en bij gevolgh voor al omtrent dese ordre, die ten voordeele van 't gemeene best en ingezetene deser Colonie, met de welke te stabileren haar Edlens. Hoog Agtb. zulke excessive groote capitalen, ja miljoenen aan te costen hebben gelegt, ende vermits de pagtcondities, waar op de pagt door de respective pagters is aan gegaan en onder teekent gewerden, duijdelijk comt te dicteeren, dat zij zullen moete verclaren met geen van de andere in contract ofte gemeenschap te staan, en zij 't zelve niet konnen noghte willen verclaren, gelijk hier voren gedemonstreert en ons genoegsaam gebleeken is,

Zoo is den ondergeteekende van meeninge, om onderdanigst te voldoen aan de zeer geeerde en bovengenoemde ordre, als mede te eviteeren van zoo grooten ongunst ende misnoegen van Zijne Heeren en Meesters op zig te laden, als nu jongst nogh uijt haar Edle.Hoog Agtb. geagte missive in dato 24 Julij 1709, ten reguarde van de mast aan de bewuste Engelsman verstreckt [20] onaangezien dat op dezelve drie en een halv cent advance behaalt wierd, ingecomen is. Mitsgaders omme het geresolveerde, in dato 2e deser te agtervolgen, en meede om op geenderleij maniere van het gecontracteerde, volgens de voorwaarde daar van zeijnde, af te gaan; en de gemeente te doen observeeren, dat zij hunne aangegaane accoorden tot nadeel van een ander, veel min van de E.Comp. niet comen te breeken; en eijndelijk omme zo veel doenlijk is, 't gezagh en de authoriteijt die den ondergeteekende als Gouverneur over deese plaatse in aan vertrouwt, voor en in de plaats van Zijne Hoogh gebiedende Heeren en Meesters tot maintenue harer wel gegeevene en tot wel stand deser ingesetene streckende ordre, voor 't vilipenderen en tegen gaan der zelve, te beschermen ende te bewaren. Zegge dat dierhalven den onderges. tot conservat[ie] en handhavingh van 't Regt de E.Compe. in dit geval tegens voornoemde pagters competerende, van sentiment en meeningh is, van de voren gedagte pagten wederom op nieuws te doen ophangen, om tot laste en voor reek. van de gebrekige voornt., weer verpagt te werden, menende daar mede de opgemelte ordre ende het voorschrift te zullen weesen voldaan, en de ingezetene voor het toekomende geleert, het door hun met de E.Compe. aangegaane verdrag niet te veragten ende te verbreken, zullende ten dien eijnde ten eersten biljetten geaffigeert werden.

In 't Casteel aan Cabo de Goede Hoop, den 13e September ao. 1710.

L. v. ASSENBURGH. [21]

 


Notes.

[1] Die vertoog van Goewerneur Van Assenburgh, wat in die resolusieboek na 23 April 1711 ingebind is, het ons hier in die juiste chronologiese volgorde geplaas.

[2] Heinrich Oswald Esteen (1678-1747), soos dr. J. Hoge hom noem, is in 1678 in Lobenstein gebore. Hy het in 1702 as adelbors na die Kaap gekom en is in 1704, nadat hy vryburger geword het, met Sara Heijns, dogter van Paul Heijns, getroud.

[3] Paul Heyns (1655-c.1717), gebore in Leipzig was sedert 1679 in diens van die Kompanjie. Hy was eers sersant in diens van die Kompanjie, maar het later vryburger geword. Was getroud met Maria Schalck buite-egtelike kind van Willem Schalck van der Merwe en 'n slaaf van die Kompanjie. C.326: Attestatiën, 1652-1662, pp. 478-479. Hul oudste dogter, Sara, wat in 1686 gebore is, was met Hendrik Oswald Eksteen getroud.

[4] Sien verklaringe van genoemde pagters in C.335: Attestatiën, 1710-1712, pp. 163-166. Dié stuk is op 3 September deur A. van der Laen en Jb. Cruse onderteken.

[5] Die antwoord van die Goewerneur is in kolomme langsaan Helot se "advijs" geskryf, vandaar die woord "nevenstaande".

[6] Dit is die Goewerneur se antwoord op Helot se bewering dat, aangesien hy deur ongesteldheid nie teenwoordig was nie, hy hom van die gee van sy advies "zoude connen onthouden".

[7] Hierdie antwoord van die Goewerneur op Helot se behandeling van die tweede punt, wat begin met "dat de zaak in questie" en eindig met "daar niet het minste van gewagen".

[8] Die woord "hebben" is verander in "hadden".

[9] In hierdie antwoord word verwys na die paragrawe wat begin met "dat de pagters nu naderhand of zedert de verpagtingh" en "om nu te comen tot de voors. contracten

[10] Johannes Blanckenberg was van Berlyn afkomstig. Dr. J. Hoge meld ook dat hy in 1701 soldaat en in 1703 korporaal was. Van 1705 tot 1708 vind ons sy naam as siekevader in die monsterrolle. Daarna het hy vryburger geword. In 1706 is hy met Catharina Bouman in die eg verbind. Hulle het 8 kinders gehad en in 1737 is hy op sy plaas "Meerlust" oorlede.

[11] Volgens testament gebore in New York en getroud met Maria Adriaansz, gebore aan die Kaap. Sien C.J.2598: Testamenten, 1702-1714, No. 33, pp. 127-132.

[12] Sy handtekening kom voor onder aan 'n verklaring wat op 28 September 1710 onderteken is, waarin hy saam met G. Frisnet, Gerrit Meyer en Hendrik Mulder verklaar dat hulle geen ooreenkoms met mekaar afgesluit het, voordat hulle die verpagting van die tap van Kaapse wyne op hulle geneem het nie. Sien C.335: Attestatiën, 1710-1712, pp. 175-176.

[13] Die gekursiveerde woord is tussen die reëls bygeskryf, maar baie dof, sodat dit skynbaar weer uitgevee is.

[14] Die volgende paragraaf bevat die antwoord van Louis van Assenburgh, wat langsaan geskryf is.

[15] Die volgende paragraaf is goewerneur Louis van Assenburgh se antwoord op die advies van kaptein Van der Laan.

[16] Langsaan het die Goewerneur "ad idem" geskryf.

[17] Die volgende paragraaf is Goewerneur Van Assenburgh se kommentaar op die verklaring van Jacobus Cruse.

[18] Die volgende paragraaf bevat Louis van Assenburgh se antwoord op die advies van Willem van Putten. Die dubbele kolomme hou daarna op en die geheel word afgesluit deur die verdere vertoog van die Goewerneur.

[19] Sien C.429, deel I: Ink. Stukken, 1707-1708, pp. 293.

[20] Sien C.431, deel I: Ink. Stukken, 1710-1711, pp. 88-92.

[21] Die vertoog is deur Pieter de Meyer geskryf en deur die Goewerneur onderteken. Verdere verklaringe in verband met die koele wynpag kan gevind word in C.335: Attestatiën, 1710-1712, pp. 163-185.