Dingsdagh den 24en Maart 1716, voormiddags.

Presentibus omnibus.

Den Edle. Heere Directeur Generaal en Commissaris te kennen gevende den burger Fredrik Meijer [1] geklaagt hadde dat den mede burger Bastiaan Colijn hem op desselfs gedaan versoek 't water om desselfs thuijn te bevogten geweijgert had, niet tegenstaande gepresenteert had den voorne. Colijn voor alle ongemakken dies aangaande te zullen bevrijden, dogh dat hij Colijn zoo aan hem in 't particulier als aan gecommitteerdens uijt de Raad van Justitie, [2] betuijgd hadde daar in niet te konnen toe stemmen, nademaal de schade die hem daar van stond te lijden niet konde werden vergoet; en dat na gedane visitatie van voorne. gecommitteerdens, na hertneckige weijgeringh van Colijn verstooken is gewerden van 't voorsz water. Weshalven welgem. Zijn Edele voordroegh of men voorsz Colijn niet behoorde te ordonneeren een waterleijdingh in behoef van gedagte Meijer door desselfs thuijn te gedogen; Zoo is, 't zelve in omvrage gebragt en dieswegen gedelibereert zijnde, verstaan dat dikgemelde Colijn zal moeten gedogen de geciteerde Meijer een water leijdingh van pompen door desselfs thuijn maakt op eijge costen, mits dat alle schade daar door veroorsaakt werdende, vergoed.

Door den capit. luijt. Slo[t]sboo geproduceert en overgelevert zijnde 't volgende berigt:

Aan - - - den Wel Edle. Heer Abraham Douglas - - - benevens den Wel Edle. Gestre. Heer Maurits Pasques de Chavonnes - - -mitsgrs. den E. Agtbe. Politijcquen Raad.

Wel Edele Gestrenge Hoog Gebiedende Heer, Edle. Gestr. Heer en E. Agtbe. Heeren,

Den ondergetekende door U Edle. Agtbe. ter hand gesteld zijnde vijf stuks versoek schriften van desen en geenen ingesetenen, behelsende drie der selven om in eijgendom te mogen hebben een stukje lands tot sustentatie hunner huijshoudingh. en de twee andere ten fine voorsz van twee perceelen huijs erfs, breeder bij de voorne. requesten genarreert; zoo dient met schuldigen eerbiet den ondergetekende van het naarvolgende berigt, namentlijk:

Dat het versoek in 't request van den land-bouwer Hendrik Rodenburgh, [3] getekent no. 1, gedaan, gants absurt, onbillik en tegen alle redelijkheijd strijdig is, Nademaal den voormaals besitter van dat perceel, genaamt Elias Kina, [4] die 't zelve maar ter leen had, op de clagten van zijn buuren dat hij haar te na lag en zulx ook bevonden is, bij de overigheit alhier is g'ordonneert geworden den opstal daar op door hem gedaan stellen, te moete verkopen, 't geene bij hem is g'obedieert geworden, gelijk zulx alles nogh sekerlijk in verschen geheugen bij een igelijk der leeden van den Agtbe. Politijcquen Raad zal weese[n], in [5] den ondergetekenden vermeind ook bij resolutie of notulen sal aangeteekent zijn.

Wat aangaat het versoek van Jan Barentsz. van Dipmolt, anders in de wandeling genaamt Jan Cuijperman, getekent no. 2, [6] oordeeld de ondergetekende, behoudens hoog wijsen gevoelen, dat het zelve als niemand prejudiceerende konde werden g'adjudiceert; ook met dat van den borger Jacobus Smit, gemt. no. 3, [7] nademaal den zelven 't bereets vijf jaaren in leeningh heeft beseeten, ook gemeeten is, en geen zijner daar om str[e]eks leggende buuren eenig beklag in al dien tijd hebben gedaan.

D' requeste van no. 4 en 5 belangende, versoek[t] ider om een huijs erf waar van sij den opstal daar op staande, hebben gekogt en sonder de minste oppositie tot nu toe vreedelijk beseeten, in eijgendom te mogen hebben; vermeijnd den ondergetekenden, als werdende daar door niemand benadeelt, dat haar 't zelve met Uwel Edle. Agtbe. goet vinden zouden kunnen werden g'accordeert.

Waar mede den ondergetekende verhoopt aan het requisit van Uwel Edele Gestrenge en Edle. Agtbe. bij desen te zullen hebben voldaan - - - (Was getekent) K. J. Slotsboo.

Zoo is, na resumtie van 't zelve en dieswegen gedelibereert zijnde, goed gevonden ende beslooten omme het gedaan versoek van den landbouwer Hendrik Rodenburgh, om redenen bij gedagt report vervath, te declineeren; en de gedane versoeken van de burgers Jan Cuijpermans en Jacobus Smit omme ider een stuk lands, bij der zelver requeste genoemt, in eijgendom te hebben, g'accordeert; mitsgrs. verstaan dat de erven van Jan Jurgen Mulder [8] en Daniel Krijnouw, [9] waar van de opstallen door haar gekogt en lange beseten zijn geweest, zullen gemeten en haar luijden de ervbrieven ter hand gesteld werden.

Na 't welke welgemelte Heere Directeur declareerde dat wanneer van den Edele Heer Gouverneur berigt ontfangen hebbende van het verhandelde ter vergaderingh op gisteren ten opsigte van den Secretaris De Meijer, daar op gediend hadde Zijn Wel Edele tot zijn leetweesen 't sedert nog te vooren gekomen waren zaken certificeerende niet weijnigh de slordige maniere van doen van voorne. Secretaris, en 't gunt bij forme van repetitie als nu hebbende herhaalt. Zoo thoonde vervolgens aan 2 stux erfgro[n]dbrieven welke lange over 't jaar gedateert door de Edele Heer Gouverneur behoorlijk onderteekent, met 's Comps. cachet bezegelt en door den voorne. Secretaris gecontrasigneert, dan tot verwondering tot heeden niet afgegeven waren, gelijck deselve na resumptie bevonden waaren uijtgegeven en van datum als hier volgens werd aangewesen: een erfgrondbrief van een stuk land, gelegen onder Stellenbosch, uijt gegeven aan Sr. Johannes Mulder [10] den 22en November 1714, behoorlijk onderteekent als vooren gezegd; een ander van een stuk land, mede onder Stellenbosch, den 26en Januarij 1715 aan Coenraat Jansz. Visser. [11]

Daar en boven behalve dese, nog agt stux andere grondbrieven, die zoo in 't boek ingesz als de afschriften van dien behoorlijk afgeschreven, welke niet en waaren getekent, schoon de datums na resumptie bevonden wierden als een aan Pieter Willemsz. van He[e]rden, de dato 3en September 1714; een dito van een stuk land uijtgegeven aan Jan Jubert, [12] onder den 30en Augustus 1714; een dito voor Abraham Privot, [13] gedateert 16en September 1714; een dito voor Johannes Coetse, [14] de dato 27en Augustus 1714; een dito erfbrief voor Andries Olofsz. [15] van den 2en November 1715; een dito voor Christoffel Esterhuijsen, [16] onder den 4en November 1715; een dito voor Dirk Coetse, gedateert ... [17] Februarij 1716; en eijndelijk nog een voor Jan Vlock, de dato 2en Augustus 1715, welken laasten in 't boeck niet ingesz was.

Exhibeerde wijders ene memoritje, Sijn Edele huijde[n] morgen inhandigt bij forme van klagten, dat sulke sommen gelds aan gemelten Secretaris De Meijer hadden moeten betalen alvorens een stuk lands in eijgendom hadden konnen bekomen, op het welke de namen en sommen van penningen in deser voegen ter neder gesteld waren, namentlijk Jacob Terron [18] ƒ800, Jacob Hasselaar [19] ƒ500, en welk bedragen van de pagten [20] Anthonij Hoesemans [21] zoude zijn geleend, de weduwe Olivier [22] ƒ900, juffr. Victor [23] ƒ300.

Alle 't welke door de leeden met geen kleene surprise gehoort, gesien en aangemerkt wesende, wel geme. Heere Commissaris verklaarde sig niet te konnen onthouden eerst den Edle. Heer Gouverneur en de vergaderingh vervolgens te vragen of Zijn Wel Edle. geen redenen hadde hunne gedagten te moeten vorderen van zulke maniere van doen, en of se met Zijn Wel Edele niet moesten zijn verwondert, om het geen slimmer naam te geven, wegens sulke onordentelijkheit; en niemant konnende afwesen van deze affaires andere gedagten te formeeren, vervolgde wel gemelte Heere Commissaris sig verpligt te vinden den Edle. Heer Gouverneur te moeten vragen of Zijn Edele in 't minste geen kennisse had nog van zulke sloffige behandelingh der erfbriefen als anders, den voorne. Heer Gouverneur betuijgt hebbende direct nog indirect van voorenstaande zaaken niet te weeten, hoorde men de Wel Edele Heer Directeur Generaal wederom onder een soort van bevreemdinge sigh uijten, wanneer men nu hier bij voegde 't gunt onder den 16en deser zittens vergaderingh was voor gevallen, namentlijk hoe de vrouw van den landbouwer Jurgen Hanekom meergemelten Secretaris in 't aangezicht had derven zeggen dat se [24] aan hem had moeten passeeren een onderhandse obligatie van sestigh rijxdrs. om haare erfbrief van hem te erlangen van seeker stuk land dat d' Edele Heer Gouverneur haar man al in de maand November had gelieven te accordeeren, die zij des niettegenstaande tot nog niet had konnen bekomen; waar op den Secretaris toenmaals gerepliceert had daar af niet te weeten, dog zoo 't al gegeven mogt zijn, dat het als een vereeringh ofte gifte zoude wesen, daar bij voegende desselfs papieren eens zoude nasien of dit brievje zoude konnen vinden.

Zoo vroegh welgemelte Heere Directeur Generaal eerst d' Edle. Heer Gouverneur of Zijn Edle. op een Secretaris van sulke conduites sig wel zoude derven gerusten, en of ër geen redenen occurreerde van veel nadenkkelijkheit tot nadeel van voorsz De Meijer, t' gunt door den Heere Gouverneur in 't bisonder en vervolgens alle de leeden in substantie unanime geconcedeert wesende, en den Heere Directeur sig daar mede hebbende geconfirmeert, wierd voorne. Secretaris, binnen geroepen zijnde, afgevraagt de redenen waar omme ër in de erfgrond boeken gevonden wierden zoo veele losse grond brieven, eenige albereits door den Gouverneur en hem selfs getekent en met 's Comps. cachet bekragtigt, andere in gereetheit afgesz, dog ongeteekent, ende daar onder selfs van den gepasseerden jaare 1714, sonder dat die waren afgegeven.

En vervolgens gecom[m]uniceert het memoritje van de penningen die hij zoude hebben geprofiteert voor 't uijtgeven der landerijen hier vooren van gesprooken.

Op welke eerst b'antwoord hebbende om dat de menschen daaromme niet en waren gekomen of gevraagt hadden, en op het tweede poinct dat hem sulx mogte werden beweesen.

Wierd den E. fiscaal, voorne. Secretaris buijte gestaan wesende, aan bevoolen op voorne. geld zaaken sig nader te willen informeeren.

Wijders door wel geme. Heere Commissaris voorgesteld wordende wijle sig den Raad dan dusdanigh hadde verklaart, namentlijk dat se sig op een Secretaris van sulke behandelingh niet en konde betrouwen ofte gerusten, of den selve dan wel zoude mogen continueer[en] en voor 't ware welwesen, niet alleen van de E. Compe. als den Gouverneur en Raad, niet vereijschte men den selve bij provisie daar van ontsloegh.

Zoo is, na reguliere omvrage van stemmen eenparigh ja g'oordeeld wesende, den meergemelt ondercoopman en Secretaris zoo van dat sijn ampt als andere emploiien gesuspendeert met stilstant van gagie en emolumenten tot tijd en wijle Haar Edle. Hoog Agtbe. in 't vaderland, van alle dese dingen kennisse gekreegen hebbende, nader ordre derwegens zullen gelieven te geven.

Gelijk welgemelte Heere Directeur met toestaan van de Edle. Heer Gouverneur en Raad verklaarde voorne. erfbrieven zoude mede nemen, als tot een staaltje of blijk te verthoonen aan Haar Edle. Hoog Achtbe. in 't vaderland wegens de slordige behandelingh alhier van zulken importante zaaken; sonder dat voorne. erfbrieven ofte nader afschriften van dien zullen mogen werden afgegeven voor en al eer daar nader ordre van Haar Edle. Hoogh Achtbe. hier op ingekomen zal zijn.

Welker besluijt der meergeme. ondercoopman De Meijer, in de vergader zaal ontboden, bekent gemaakt zijnde, versogt den selve dat de zaaken bij den E. Achtbe. Raad van Justitie alhier mogte werden getermineert ende afgedaan. Edogh wierd eenparigh bij 't genomen besluijt in desen gepersisteert ende denselve gerenvoijeert aan meergeme. Haar Edle. Hoog Achtbe. in 't vaderland.

Wijders in opmerkinge genomen wesende dat de bedieninge van Secretaris niet wel en diende te blijven vacant, te min in dese tijd, stelde welgemelte Heere Directeur de nominatie van dien en een ander persoon aan de Edle. Heer Gouverneur, en dewelke gevallen wesende op den eersten clercq, Hugo van der Meer Pietersoon. [25] Zoo wierd den zelve met eenparige stemmen, als de naaste en bequaamste daar toe, g'eligeert ende aangestelde, en daar benevens toegevoegd d' qualiteit van ondercoopman, â veertigh guldens ter maand onder drie jarig verband, qualiteijt en gagie heeden ingaande; van gelijken, bij overdenkkingen dat dese Vergaderingh als mede die van die Banck van Justitie nu met het aftreeden van voorne. De Meijer van een lit waren verswakt, tot ordinaar raad persoon in beijde de Collegien, als mede tot vendumeester, als een bediening de Secretarissen van Politie altijd gecompeteert hebbende; met intentie omme hem de daartoestaande eden hoe eer hoe beter in forma te laten doen.

En waar door bij gevolge komende te vaceeren de bediening van eerste clercq ter Politijcque Secretarije, als mede de secretaris plaats van civiele en huwelijk zaaken, door gesegden Van der Meer tot nu waargenomen, zoo wierd daar toe aangesteld den adsistent Willem van Taak, [26] secretaris van Stellenbosch en Drakenstijn.


Aldus g'resolveerdt en g'arresteert in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz.
ABRAHAM DOUGLAS.
M. DE CHAVONNES.
A. CRANENDONK.
C. v. BEAUMONT.
D. M. PASQUES DE CHAVONNES.
J. B. CRUSE.
K. J. SLOTSBOO.
JNS. SWELLENGREBEL.
JAN DE LA FONTAINE.
Tot zoo verre als daar de periode begint, namentlijk: Na 't welke wel gem. Heere
Directeur declareerde enz., PR. DE MEIJER. Rt. en Secrets.
En wijders in kennise van mij, Ho. VAN DER MEER PIETERSOON. Secrts.
[27]

 


Notes.

[1] Hy was getroud met Cornelia Rosendaal. Sy oorspronklike rekwes kan gevind word in C.223: Requesten en Nominatiën, 1715-1716, no. 59, pp. 273-274.

[2] Die Raad van Justisie het op 27 Februarie 1716 twee lede aangestel om die saak te ondersoek. Sien C.J.6: Criminele en Civiele Regts Rolle, 1715-1717, p. 19.

[3] Die versoekskrif van Rodenburgh kan gevind word in C.223: Requesten en Nominatiën, 1715-1716, no. 65, pp. 297-298.

[4] Elias Kina was afkomstig van Amsterdam en was getroud met Barbara de Savoye van Gent. In 1712 het hy die reg verkry om brood te bak vir die inwoners van die Kaap en verbyvarende skepe.

[5] In die H.K. staan "en".

[6] Sien C.223: Requesten en Nominatiën, 1715-1716, pp. 281-282.

[7] Sien C.223: Requesten en Nominatiën, 1715-1716, pp. 285-286.

[8] Volgens dr. Hoge was sy naam oorspronklik Johann Jürgen Möller. Hy het egter later sy van verander na Mulder. (Sien Hoge: Personalia of the Germans at the Cape, p. 278). Hy was afkomstig van Lenzen en het as soldaat na die Kaap gekom. In 1699 is hy aan die vrye skoenmaker, Jacobs Kreps, as meesterkneg uitgeleen. (Vgl. CJ.2873: Contracten Boek, 1698-1703, pp. 107-109.) Later het hy vryburger en skoenmaker geword, en is hy getroud met Elisabeth Putter.

[9] Daniel Krijnauw was afkomstig van Grabow en was sedert 1708 as stalkneg en saalmaker in diens van Kompanjie. Later het hy uit die Kompanjie se diens getree en hom as vryburger en saalmaker in Drakenstein gaan vestig. Hy was getroud met Johanna Jordaan. Sien Hoge: Personalia of the Germans at the Cape, p. 225.

[10] Johannes Mulder van Rotterdam het in 1682 met die Geele Beer as soldaat na die Kaap gekom. Hy was getroud met Jacobs Kicheler en was later landdros van Stellenbosch. Na sy aftrede het hy hom op sy hofstede "Sorgvliet" gaan vestig. (Sien M.O.O.C. 7/4: Testamenten, 1726-1735, no. 117.)

[11] Hy was die seun van Jan Coenraad Visser en Margaretha Gerrits en is in 1685 getroud met Catharina Everts, wat in 1671 op die skip Europa onderweg na die Kaap gebore is. (Sien M.O.O.C. 7/4: Testamenten, 1721-1725, no. 37.)

[12] Hy was die seun van Pierre Joubert en Isabeau Richard en is in Nimes in Languedoc gebore. Hy was getroud met Maria van Wyk. Sien M.O.O.C. 7/5: Testamenten, 1721-1725, no. 71.

[13] Abraham Prévot was die seun van Charles Prévot en Marie le Fèbre en is in 1679 in Calais gebore. Hy het in 1688 na die Kaap gekom en is in 1709 met Anna van Marseveen getroud. In die alfabetiese lys van vryliede verskyn sy naam as Abraham Provo. (Vgl. V.C.56: Lijst van Personen voorkomende in de Rollen van Vrijheden voor den Kamer Zeeland, 1718-1791, p. 55.)

[14] Hy was die seun van Dirk Coetse en Sara van der Schulp en is in 1688 aan die Kaap gebore. In 1713 is hy getroud met Anna Elisabeth Paal. Hulle het ses kinders gehad.

[15] Hy het in 1668 met die skip 't Huijs te Voesen as matroos na die Kaap gekom. (Vgl. C.J.780: Raad van Justitie, Sententies, 1655-1697, nos. 90 en 165.) In 1690 is hy met Sara van Gyselen getroud.

[16] Hy het in 1692 na die Kaap gekom en was getroud met Elisabeth Beyers. Hy het die plaas "Weltevrede" by Bottelary, Stellenbosch besit. Sien M.O.O.C. 8/4: Inventarissen, 1720-1727, no. 58.

[17] Blanko gelaat.

[18] Jacques Theron was afkomstig van Nimes in Languedoc en het in 1688 met die Oosterland as soldaat na die Kaap gekom. Hy was getroud met Marie Jeanne des Pres en het die plaas Languedoc in Drakenstein besit. Sien M.O.O.C. 7/6: Testamenten, 1738-1745, no. 51 en M.O.O.C. 7/15: Testamenten, 1763-1764, no. 12.

[19] Hy was afkomstig van Heidelberg en is in 1700 as plaasarbeider aan Henning Huising uitgeleen. (Vgl. die kontrak in C.J.2873: Contracten Boek, 1698-1703, no. 82. pp. 165-166.) Hy was getroud met Maria Elisabeth Koningshoven.

[20] In die H.K. staan "pagter".

[21] Sy testament kan gevind word in M.O.O.C. 7/3: Testamenten, 1721-1725, nos. 61, 72 en 73. Hy was getroud met Rijkje van Donselaar.

[22] Dit was waarskynlik Beatrix Verweij, die weduwee van Hendrik Cornelis Olivier, of haar suster, Aletta, die weduwee van Ockert Olivier.

[23] Waarskynlik was dit Agatha Victor, die dogter van Cornelis Victor en Cornelia Jacoba Junius.

[24] Die gekursiveerde woorde is tussen die reëls bygeskryf.

[25] In die monsterrolle verskyn die naam van Hugo Pieters van Wijk. (Vgl. V.C.40: Generale Monsterrollen, 1701-1715, pp. 198, 222, 245 en 270.) Dit is waarskynlik dieselfde persoon. Hy is in 1712 aangestel as provisionele assistent, en was sedert 1713 assistent en boekhouer. Vanaf 14 Februarie 1713 het hy die resolusies afgeskryf en op 14 Maart 1713 het hy die eed as eerste klerk afgelê. (Sien C.678: Eed Boek, 1692-1747, p. 103.)

[26] Willem van Taak se naam verskyn in 1714 vir die eerste keer op die monsterrolle as assistent. In 1715 is hy aangestel as sekretaris van Stellenbosch en Drakenstein, en het op 21 Februarie 1715 die eed afgelê. (Sien V.C.40: Generale Monsterrollen, 1701-1715, pp. 245 en 270; C.678: Eed Boek, 1692-1747, p. 119). Hy was die seun van Johan van Taak en Theodora Mandt, en was getroud met Emma Martha van der Bijl, die dogter van Pieter van der Bijl. (Sien C.J.2651: Testamenten, 1716-1721, no. 6.)

[27] Hierdie gedeelte is in Pietersoon se handskrif geskryf.