Dingsdagh den 23e September 1721, voormiddags.

Alle tegenwoordig, uijtgesondert de Heeren Abraham Cranendonk en Cornelis van Beaumont. [1]

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Waar naar den schipper van 't schip Meijenburg ter vergaderinge binnen gekomen en door den Edelen Heer Gouverneur afgevraagt geworden zijnde of sijnen gemelten bodem benevens de manschappen daar op bescheijden sig als nu niet in die staat bevonden omme met gerustheijd de reijse naar Batavia te kunnen ondernemen; soo verklaarden denselven sig in staat te bevinden omme sulx op aanstaande Saturdag, weer en wind daar toe dienende, te kunnen ondernemen, versoekende eeniglijk dat aan hem eenige suijker mogte werden verstrekt; waar over dienvolgens gebesoigneert sijnde, verstaan is dat die verstreckinge ten spoedigsten sal werden verrigt, en vervolgens die kiel ten gemelten dage gemonstert en van hier gedepescheert.

Daar na gaf den Edelen Heer Gouverneur te kennen hoe dat 't Haar Wel Edele Hoog Agtbe. de Heeren 17en hadde behaagt aan Sijn Edele soon, Pieter Rocques Pasques de Chavonnes, [2] ondercoopman en dispencier alhier, goetgunstiglijk te accordeeren in sijne qualiteijt van ondercoopman na Batavia te mogen vertrecken, om welke redenen Sijn Edele als nu voorstelde denselven van sijn bedieninge van dispencier te mogen werden ontheft; weshalven naar deliberatie verstaan is den gemelten Pieter Rocques Pasques de Chavonnes van gem. dispenciers plaats bij deesen te ontslaan, mits doende verantwoordinge soo 't behoort.

En alsoo dienvolgens gem. bedieninge als nu quam te vaceeren, soo stelde den Edele Heer Gouverneur wederom voor tot dispencier den ondercoopman en landdrost, Jacob Voet, dog ten aansien den Heer Abraham Cranendonk door indispositie afweesig, en egter bij deese sake merkelijk als secunde en hooftadministrateur deeses Gouvernements geintresseert was, waren de leeden des Raads van oordeel dat alvoorens finalijk hier omtrent te besluijten, door den Secretaris deeser Vergaderinge Sijn Edeles goedvinden deesen aangaande behoorden afgevraagt en ingenomen te werden; ingevolge van 't welke den voorgemelde Secretaris sig bij Sijn Edele vervoegt, ende weder ter vergaderinge voor rapport gedient hebbende dat den Heer Cranendonk hadde gelieven te verklaaren dat bij aldien den Edelen Heer Gouverneur benevens den Raad vermeijnden dat den voorgestelde persoon van den ondercoopman Voet besat de vereijschte hoedanigheijt en bequaamheeden tot 't bedienen van soodanigen comptabelen ampt als de dispens is, Sijn Edele in sulken gevalle daar niets dan tegen hadde; weshalven over 't een en 't ander nader gedelibereert sijnde, goedgevonden ende beslooten is den gemelten ondercoopman Jacob Voet bij deesen aan te stellen tot dispencier deeses Gouvernements, in die verwagtinge dat denselven die bedieninge met de vereijschte trouwe, vigilantie en promptitude sal komen waar te nemen.

En gemerkt door dat besluijt het ampt van landdrost is komen open te vallen, Soo is ter consideratie van de goede bequaamheeden van den boekhouder Martinus Bergh, [3] mitsgaders sijn instantig versoek, goedgevonden denselven bij deesen insgelijx aan te stellen tot landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn.

Eijndelijk geleesen sijnde het requeste door Carel Jansz. van Bengalen [4] in volgende bewoordinge overgegeven:

Aan den Wel Edele Gestre. Heer Maurits Pasques de Chavonnes - - - benevens den E. Agtbe. Raad van Politie.

Wel Edele Gestre. Heer en Edele Agtbe. Heren,

Geeft met behoorlijk respect te kennen Uwe Wel Edele Gestre. en E. Agtbs. gants ootmoedigen dienaar, Carel Jansz. van Bengalen, hoe alhier in deese Tafelvalleije tusschen de huijsen van den Eerw. predikant D'Aillij en den burger Durand Sollier [5] een stuk huijs erv komt te leggen, nog behoorende aan d' E. Compe., waar op den supplt. wel genegen soude sijn een huijsje, om daar selfs in te woonen, te bouwen, soo neemt hij de vrijheid van sig te wenden tot Uwe Wel Edele Gestre. en E. Agtbe. met nedrige beede dat Uwe Wel Edele Gestrenge en E. Agtbe. den supplt. de gunst gelieven te bewijsen van hem het gen. erf in eijgendom te vereeren, zijnde den supplt. bereijd het selven met den eersten te betimmeren.

(Onderstont) 't Welk doende &a.

Soo is goedgevonden en verstaan denselven het versogte huijs erv in eijgendom te accordeeren, mits gehouden blijvende 't selve te eersten te bebouwen.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz
M. DE CHAVONNES.
K. J. SLOTSBOO.
JAN DE LA FONTAINE.
JN. ALDERSZ.
A. V. KERVEL.

 


Notes.

[1] 'n Gedeelte waarin 'n aantal bemanningslede op de skepe Barbesteijn en Baanman bevorder is, is hier weggelaat. Sien C.16: Resolutiën, 1721-1722, p. 114, asook C.228: Requesten, 1720-1721, pp. 337-338 en 333.

[2] Pieter Rocques Pasques de Chavonnes was die seun van Goewerneur Maurits Pasques de Chavonnes en Balthasarina Kien, en is in 1697 in Bergen op Zoom gebore. Hy het in 1714 saam met sy ouers na die Kaap gekom, en het hier vaandrig geword. In 1716 word hy bevorder tot dispensier met die rang van onderkoopman. Sedert 1722 was hy winkelier in Batavia met die rang van koopman. Die volgende jaar word hy vaandrig van die penniste, en in 1725 opperkoopman van die Kasteel Batavia. In 1729 word hy Ontvanger-Generaal, en twee jaar later Goewerneur en Direkteur van Malakka. In 1736 keer hy na Batavia terug en word Kommissaris van Fortifikasies. In 1741 word hy Kommissaris van die kus van Java, en in 1743 Direkteur-Generaal van Indië. Hy is in 1723 in Batavia met Hendrina Cornelia Hasselaar getroud. Na haar dood in 1739, het hy in 1741 met Antonia Adriana Lengele hertrou. Hy is op 30 Januarie 1747 in Batavia oorlede.

[3] Hy was die seun van Oloff Bergh en Anna de Koning en is in 1696 aan die Kaap gebore. In 1711 het hy as soldaat by die Kompanjie in diens getree, en in 1714 is hy aangestel as assistent. Hy is in 1719 getroud met Catharina Leij, die dogter van Michiel Leij en Engela van Breda. (Sien C.223: Requesten en Nominatiën, 1715-1716, pp. 641-642; C.J.2600: Testamenten en Codicillen, 1719-1721, pp. 244-248.) Bergh het op 30 September 1721 die eed as landdros afgelê. Vgl. C.678: Eed Boek, 1692-1747, p. 83.

[4] Carel Jansz. van Bengale was 'n vrygestelde slaaf. Hy was nie getroud nie, en is in 1744 oorlede. (Sien M.O.O.C. 7/6: Testamenten, 1738-1745, no. 142; M.O.O.C. 8/6: Inventarissen, 1738-1748, no. 74.) Sy versoekskrif kan gevind word in C.228: Requesten, 1720-1721, p. 341.

[5] Durand Sollier was eers 'n skoenmaker op Drakenstein, maar in 1708 het hy 'n erf in Tafelvallei ontvang. Sy vrou, Martha Petel, is in 1715 oorlede, en hyself in 1739. (Sien M.O.O.C. 8/3: Inventarissen, 1714-1719, no. 8.)