Dingsdagh den 4 Maij 1723, voormiddags.

Alle present, uijtgesondert den Heer independent fiscaal Cornelis van Beaumont en den capiteijn Kaje Jesse Slotsboo.

De schippers der aanweesende scheepen Wassenaar en Schoteroog, mitsgaders den opperstuurman van 't schip Rijxdorf bij indispositie van den schipper, ter vergadering op gedane afvraging van den Edelen Heer Gouverneur betuigt hebbende dat zij lieden geduurende haare legdagen alhier ten genoegen waren voorsien geworden van deugtsame ververssingen van groentens, vleesch en brood, benevens zodanige andere benoodigtheeden als door haar lieden waren gevordert geworden tot het in staat stellen van haare onderhebbende bodems, door welk een en ander zijlieden tot zo verre waaren gevordert dat den opperstuurman van 't schip Rijxdorf en den schipper van Schoteroog betuijgden op morgen, zijnde Woensdagh, en die van 't schip Wassenaar op Saturdagh daar aan te kunnen monsteren en van hier vertrecken; weshalven dan ook verstaan is dat die kielen ten voorgestelde dagen zullen werden gemonstert en van hier gedepescheert, weer en wind zulx toe latende.

Weshalven door den coopman Jan de la Fontaine in consideratie gegeven zijnde of de onkostreecq. van 't schip Rijxdorf door den schipper van die kiel, zig door indispositie aan zijn boord onthoudende, of wel door den voorn. opperstuurman neffens den boekhouder behoorden ondertekent te werden; Zoo is daar omtrent verstaan dat ter consideratie dien opperstuurman met voorkennisse van zijn schipper de verstrekte goederen versogt en ook ontfangen heeft, daaromme denselve als dier zake best bewust, de onkostreek. in plaatse van den schipper zal hebben te onderteijkenen.

Bij resumptie der resolutie van den 27 April jongstl. door den Edelen Heer Gouverneur reflexie gemaakt zijnde omtrent 't gedisponeerde ten reguarde van 't gedane versoek van den burger Jacobus van der Heijden omme ten gerieve van de ingesetenen schapen en ossen vleesch te mogen slagten, dat niet alleen volgens Zijn Edele gedagten ten opsigte van den voorm. Jacobus van der Heijden, maar wel bijsonderlijk meede omtrent het gantsche lichaam deeser burgerije die jegenwoordig genegentheijd tot de slagtneering mogte hebben ofte namaals krijgen, een groote onsekerheijd en riseco scheen over te blijven of zij lieden bevoegt zoude zijn tot 't exerceeren van de slagtneeringe ten behoeve van de ingesetenen ofte niet, en tegens wat prijs zulx zoude mogen werden verrigt, te meer het laast g'emaneerde placcaat van den 6 April jongstleeden [1] zulx komt te bepalen tot 2 sware stuijvers 't pont, daar men nogtans tot bekoming van vleesch ten behoeve van 's Comps. scheepen en hospitaal gehouden is geweest aan de drie gecontracteerde slagters te accordeeren het schapen vleesch tegens drie en een half, en 't ossen vleesch tegens 3 swaare stuijvers 't pont aan de ingesetenen te mogen verkoopen, of het dierhalven niet van dienst zoude zijn desen aangaande aan onse Heeren en Meesters te schrijven, en derselver ordres en goedvinding te versoeken; Zoo is, daarop nader gedelibereert zijnde, goedgevonden en verstaan dat zulx op de voorgestelde maniere zal werden verrigt.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz. [2]
M. DE CHAVONNES.
JAN DE LA FONTAINE.
A. V. KERVEL.
JN. ALDERSZ.

 


Notes.

[1] Sien C.682: Origineel Placcaat Boek, 1714-1734, pp. 222-231; Kaapse Plakkaatboek, deel II, pp. 98-100.

[2] Die Politieke Raad het ook aan Maximiliaan de Huvetter en Claas van Donselaar hulle vrybriewe gegee. Sien C.113: Klad Notulen, 1721-1725, p. 180; C.230: Requesten, 1723, pp. 171-172.