Dingsdagh den laasten Augustus 1723, voormiddags.

Alle present.

Op de propositie van den Edelen Heer Gouverneur heden in Rade gedaan, is goedgevonden en geresolveerd dat de 82 staven silver op den 17en deeser lopende maand door gecommitteerdens van 't verongelukte schip d' Soetigheijd opgevist, met het aanweesend schip Strijkebolle onder behoorlijk cognossement naar Batavia voort zullen werden gesonden.

Waar naar in vergaderinge verscheenen is den schipper van 't schip Strijkebolle, Jan Blommendaal, dewelke op de gedane afvraginge van den Edelen Heer Gouverneur betuijgt hebbende dat geduurende zijn aanweesen alhier ten volle contentemente hadde genoten deugtsame ververssingen van groentens, versch vleesch en brood, mitsgrs. andere gevorderde en onvermijdelijke benoodigtheeden tot herstellinge der gebreeken van Zijne onderhebbende bodem, door welk een en ander bereijts zoo verre gevordert was, dat vermeijnde om in staat te Zijn omme bij handsaam weeder op Maandag den 6en der aanstaande maand September te kunnen werden gemonstert, en met gerustheijd de rheijse naar Batavia te ondernemen, alleeniglijk daar bij voegende dat gelijk desselfs bodem omtrent de potspijse van erweten als een kersschip uijtgerust zijnde, nogtans niet eerder als onder de besendinge der paasscheepen hadde kunnen vertrecken, ende dienvolgens ook minder gort als de paasscheepen gewoon zijn, in gekreegen, daar ter contrarie een gedeelte der resteerende erweeten door lankheijd des tijts bedorven en onbruijkbaar geworden waren, waaromme denselven zig onvermeijdelijk verpligt vond ten wel weesen van 's Comps. bodem tot eenige augmentatie van potspijse een last rijst te versoeken; Zoo is, diesaangaande gebesoigneert zijnde, goedgevonden en geresolveerd dat dien bodem ten voorgestelden dage bij toelatinge van weer en wind zal werden gemonstert en naar Batavie voortgesonden, zullende alvoorens aan de kiel tot voorkominge van gebrek der potspijse op de rheijse werden verstrekt een last rijst, dog sal ook daarnevens aanstonts werden gecommitteert den schipper en equipagiemeester, Cornelis Valk, benevens den meede schipper Adriaan Buth, tot een nauwkeurige visitatie van de erweten in die bodem berustende, ten eijnde dus te ontwaaren welke en hoe veel van dien bedorven en onbequaam mogte zijn.

Laastelijk is men dan overgegaan tot het doen van de jaarlijxe publicque verpagtinge van 's Comps. gemeene middelen alhier, dewelke naar voorgaande clocke geslag en uijtroepinge van den bode op de voorjaarige pagtconditien opgeveijlt zijnde, aangestaan en ingemeijnd zijn geworden bij de volgende personen ten zodanigen preijse als hier onder staat uijtgedrukt: [1]

Moutbier
Rudolph Fredrik Steenbokƒ2000
Brandewijnen enz.
Eerste quart, Claas van Donselaar [2] ƒ4000
2 do. Zacharias Bekƒ3000
3 do. Melt van der Spuijƒ2700
4 do. Martinus van Leijpsigƒ2525
ƒ12225
Vaderlandse bieren en wijnen
Jacob van Bochemƒ2200
Caabse coele wijnen
Eerste quart, Claas van Donselaarƒ7000
2 do. Zacharias Bekƒ6500
3 do. Melt van der Spuijƒ5600
4 do. Isaacq Esserƒ5000
ƒ24100
Caabse wijnen &a. aan 't Rondebosje
Zacharias Bekƒ1250
De coele en brandewijnen aan Stellenbosch en Drakensteijn
Hans Contermanƒ1600
Zul[k]s de geheele pagtpenningen bedragenƒ43375

Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz. [3]
M. DE CHAVONNES.
C. V. BEAUMONT.
K. J. SLOTSBOO.
JAN DE LA FONTAINE.
A. V. KERVEL.
JN. ALDERSZ.

 


Notes.

[1] Sien ook C.760: Memorie Boekje der Verpagtingen van 's Lands Inkomsten, 1717-1743, pp. 171-173.

[2] Claas van Donselaar van Wageningen het in 1722 as soldaat na die Kaap gekom. Die volgende jaar het hy 'n vryburger geword en plaasvoorman by sy niggie, Rijkje van Donselaar, die weduwee van Anthonij Hoesemans, geword. Hy is in 1724 met Judith du Plessis, die weduwee van Jan Oberholster, getroud. (Sien C.230: Requesten, 1723, pp. 171-173.)

[3] Die kladnotule van hierdie resolusie kan gevind word in C.113: Klad Notulen, 1721-1725, p. 192.