Dingsdag den 10 Julij 1725, voormiddags.

[1]

Alle present.

Ten aansien den hoeker de Zeepost al op den 29 April laastleeden na Rio de la Goa vertrocken, tot nog toe niet weeder was komen op te dagen, en dat inmiddels met het schip de Elisabeth onder anderen een quantiteijd van 4684 lb. diversse coralen ten behoeve van dat comptoir was aangebragt, soo geliefden den Heer Gesaghebber derhalven in overweeginge te geven of het niet met den meesten dienst der E. Comp. overeenkomstig soude sijn dat men deselve, also aldaar groot gebrek van coralen was, benevens eenige andere noodsakelijkheeden, namentlijk 600 lb. insgelijx uijt het vaderland bekomene tabacq en 50 gros korte pijpen &ra., met de aanweesende bregantijn Fijenoordt tot beeter en spoediger voortsetting van den handel na derwaarts sond. Over het welke met aandagt geraadpleegt weesende, Soo is het gemelte voorstel eenparig geamplecteert, sijnde den Gesaghebber van gedagte bregantijn, Jan van der Quade, daarop wijders in vergaderinge gehoord, en door den Heer Gesaghebber voorgehouden of hij ook swaarigheijd in die reijs soude maken, dewelke betuijgende van neen, is hem gevolglijk geordonneert sig aanstaande Maandag den 16 deeser lopende maand tot de monstering en 't vertrek vaardig te houden, maar gemerkt denselven met eenen versoek quam te doen om met nog een stuurman voorsien te mogen werden, soo heeft men ook beslooten dat den onderstuurman van de bregantijn Victoria, Hendrik Goutsbergen, op Fijenoordt sal werden verplaatst, gelijk meede ten versoeke van den boekhouder van eerstgenoemd bodemken, Jan Abbas, goedgevonden is dat hij met Fijenoord, voorm. na Rio de la Goa sal overvaaren, om aldaar aan de pen dienst te doen.

Wijders in consideratie genomen zijnde het versoek van eenen Jan Diederik Horn van Hanover, bergwerker, dewelke van het laatst vertrockene theeschip 's Graveland hier verbleeven is, om namentlijk sijne gagie geduurende het vertoef ter deeser plaatse te mogen genieten, soo heeft men ten aansien denselven alhier niet konde werden geemploijeert, en dat hij egter op Rio de la Goa van veel nut in 't ondersoeken der coperbergen en andere mineraalen soude kunnen sijn, vastgesteld om hem ten dien eijnde bij deese gelegentheijd na derwaarts te senden, met ordre aan de bediendens in alles de behulpsame hand te bieden, onvermindert nogtans soodanige andere saken van landtogten als andersints die daarom niet sullen mogen werden agter uijtgestelt, sullende gemelte Jan Diederik Horn vervolgens met de bregantijn Fijenoord, weeder herwaarts moeten werden te rugge gesonden, en van alles een naukeurige aanteijkening houden, om met de naast komende vroeg scheepen na het vaderland te kunnen vertrecken, op dat onse Heeren en Meesters van sijne verrigting en bevindinge kan werden verslag gedaan.

Waar na is geleesen geworden het onderstaande schriftuur door de regenten van 's Comps. hospitaal in de volgende bewoordinge overgegeven: [2]

Aan den E. Agtb. Heer Jan de la Fontaine, Gesaghebber deeses Gouvernements, benevens den E. Agtb. Politicquen Raad.

E. Agtb. Heer en Heeren,

De ondergetekende regenten van 's Comps. hospitaal alhier, geven met alle respect te kennen hoe sij tot haar leedweesen niet alleen hebben ondervonden dat het gemeene volk, soo soldaten, mattroosen als andere, buijten voorn. hospitaal bescheijden, sig niet en ontsien van continueelijk daarin en uijt te loopen, maar ook onder pretext van haar vrinden en kennisse te besoeken, de sieken haare goederen voor een seer gellinge preijs afkopende, die menschen van derselver armoetje, soo wel als de kleederen tot het lichaam behoorende te ontblooten, sig meede niet ontsien van sterke dranken daarin te brengen, mitsgaders alle ongeregeltheeden bedrijven, en onder deselve veele disordres te verwecken, om alle welke reedenen de ondergetekendens verpligt werden sig hiermeede aan UE. Agtb. te moeten addresseeren, met onderdanigst versoek dat UE. Agtb. van die goedheijd gelieven te sijn haar toe te staan omme voortaan het hospitaal geslooten te houden, en geene diergelijke menschen in 't selve te laten komen, als alleen Woensdags en Saturdags 's agtermiddags van een tot drie uuren, ende zulx eenelijk die geene welke nergens anders dan om hare vrinden te besien en te spreeken, ten dien eijnde versoek komen te doen, of wel dat door UE. Agtb. daarinne zoodanig mag werden voorsien als deselve sullen bevinden te vereijsschen.

(Onderstont) UE. Agtb. seer onderdanige en gehoorsame dienaren, (was getekend) K. J. Slotsboo, O. de Wet.

Over welkers inhoude gebesoigneert weesende, Soo is het daarbij vermelde, als een seer noodige saak goedgekeurt, weshalven hier van aan een ijgelijk bij billietten sal werden kennisse gegeven, eenelijk met deese bijvoeging dat zoo wanneer imand een vrind of kennisse buijten den gestipuleerden tijd van Woensdaags of Saturdaags na de middag in 't hospitaal wilde besoeken of te eenige handreijking doen, sulx als dan met permissie der binnen regenten sal mogen en moeten geschieden.

Vervolgens is ook gelesen het reqte. door den burgerraad, Johannes Casparus Rigter, in de onderstaande termen gepresenteerd: [3]

Aan den E. Agtb. Heere Jan de la Fontaine, Gesaghebber deeses Gouvernements, benevens den E. Agtb. Raad van Politie.

E. Agtb. Heer en Heeren,

Vertoond met schuldig respect UE. Agtb. seer nedrigen dienaar, Johannes Casparus Rigter, hoe hij supplt. door de goedheijd van UE. Agtb. niet alleen tot burgerraad deeser plaatse, maar ook tot captn. van een der burger voet compagnien is bevordert geworden, voor welke gunste den supplt. sig gevolglijk verpligt agt UE. Agtb. gedienstig dank te seggen, maar aangesien de geduurige siekte en swakheijd des lichaams van den supplt. hem niet meer toelaat om de diensten die van hem in de voorm. ampten vereijscht werden behoorlijk waar te nemen, soo wend hij sig derhalven tot UE. Agtb. met eerbiedig versoek dat het deselve behagen mogte den supplt. van de gem. bedieningen te ontslaan, met reservatie van de rang die aan een oud burgerraad of capn. der burgerrije competerende is.

(Onderstont) 't Welk doende &ra.

En is om de daarbij geallegueerde reedenen verstaan dat denselven van sijne bedieningen van burgerraad en capn. der burgerrije, mitsgaders het brandmeesterschap, behoudens de rang van oud burgerraad sal werden ontheft, weshalven weeder tot captn. in sijn plaatse is aangestelt geworden den luijtenant, Hendrik OostwaId Eksteen, in wiens steede den cornet, Gijsbert la Febre, optreeden sal, sullende de standaar[d] weeder aan den burger Guilliam Heems [4] gegeven werden.

Zijnde ook naar lecture der ingediende nominatie tot burgerraad voor dit lopende jaar g'eligeert den weesmeester, Johannes Needer, [5] om na expiratie van dien af te gaan, zoo wel als den nu op te treedene oudste burgerraad, Gijsbert la Febre, die inmiddels de cas volgens gewoonte sal moeten overnemen, en in den aanstaande jare als vice president in 't collegie van commissarissen van civiele en huwelijx saken sessie hebben.

Werdende laastelijk tot brandmeester in plaats van voorn. Rigter aangestelt den burger Christiaan Rasp.

Verders is op de propositie van den Heer Gesaghebber ook beslooten dat ër in de aanstaande maanden Augustus of September onder het opsigt van den vaandrig, Johan Thobias Rhenius, 's Comps. weegen een landtogt na de omheen leggende Hottentots sal werden ondernomen, om te sien of het mogelijk was dat men eenige trekbeesten konde magtig werden, dewijl men daar van so seer door de sterfte is ontbloot, dat het dagelijx werk niet langer kan werden gaande gehouden.

Na het welke den Heer Gesaghebber te kennen gaf dat ër met de bregantijn Fijenoordt seven vaten in Engeland gesouten vleesch waren aangebragt, die ten eenemaal vol warmen en bedorven waren geraakt, gevende daarom in overleg of het niet best was dat men deselve, als sijnde volgens verklaringe tot gebruijk onbequaam, liet begraven ofte in zee weg werpen; welken aangaande beslooten is dat sulx in diervoegen sal werden verrigt.

Al wijders is men getreeden ter lectuure van het volgende schriftuur door burgerraden deeser plaatse gepresenteert, vervat in de onderstaande bewoordinge:

Aan den E. Agtb. Heer Jan de la Fontaine, Gesaghebber deeses Gouvernements, benevens den E. Agtb. Raad van Politie.

E. Agtb. Heer en Heeren,

Geven met schuldige eerbied te kennen de onderget. burgerraaden deeser plaatse hoe zijlieden hebben komen te ondervinden datter nu al een geruijmen tijd herwaards omtrent het betalen van 't ratelwagts geld, zijnde voor ieder huijs of haardstee twee schelling per maand, een groot misbruijk is komen in te sluijpen, dewijle veele huijsinge hier in de Tafelvalleij wel onder een dak sijn gebouwd, maar egter van binnen gesepareerd, en door differente persoonen bewoond werdende, oversulx twee huijshoudingen komen uijt te maken, die egter niet meer dan twee schellingen in 't geheel komen te betalen, door 't welk den eenen ingesetenen boven den anderen werd belast, weshalven de ondergetekende burgerraaden tot wegneeming van 't selve UE. Agtb. gedienstiglijk versoeken qualificatie te mogen erlangen tot redres van dien, mits ordonneerende dat ieder huijshouding op sig selven voortaan de voorn. twee schellingen ratelwagts geld sal voldoen moeten, sullende zulx ook seer dienen tot beter strecking der burger cassa om daar uijt de gewoone onkosten van burger paden &ra. te kunnen dragen, te meer geconsidereert burgerraden bij obtinering van 't voorsz versoek onder 't gunstig welduijden van UE. Agtb. van meeninge sijn het tractament van de ratelwagts op een vaste bepalinge te brengen, 't geen gevoegt bij het vermeerderen der inkomsten, door 't gedagte middel de burgercassa merkelijk sal ondersteunen, in voegen burgerraaden hierop UE. Agtb. geeerd goedvinden sullen afwagten.

- - - (Was getekend) J. C. Rigter, G. la Febre, D. Pfeil. (In margine) Cabo de Goede Hoop, adij 10 Julij 1725.

Sijnde het daarbij ter needer gestelde als een gantsch billijke saak aangemerkt, en gevolglijk aan burgerraden de versogte qualificatie tot het innen van 't ratelwagts geld verleend. [6]

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Vermits het overleijden van den burger zergeant, Isaak Esser, heeft men na dat de notulen in burger chrijgsraade op den 2 deeser maand gehouden, [7] geleesen waren, de aanstelling van den corporaal, Hendrik Stempeltmulder, [8] tot sergeant, en die van den burger Simon Witmont [9] tot corporaal meede geapprobeert.

En verders aan de executeuren des boedels van wijlen Rijkje van Donselaar, wed. Anthonij Hoezemans, [10] op haar schriftelijk versoek toegestaan om ingevolge de uijtterste dispositie van gemelte wed. Hoezemans uijt slaafse dienstbaarheijd te mogen ontheffen seekere lijfeijgen, met name Palm van de Kust, mits stellende de gewoone borgtogt, waar toe sig de burgers Abraham Bluse [11] en Albertus Berg hebben gepresenteerd.

Laastelijk is geleesen geworden het versoekschrift door Grisilla van de Caab, huijsvrouw van den burger Jan Staverinus, overgelevert in de onder uijt gedrukte termen: [12]

Aan den E. Agtb. Heer Jan de la Fontaine, Gesaghebber deeses Gouvernements, benevens den E. Agtb. Raad van Politie.

E. Agtb. Heer en Heeren,

Vertoond met schuldige eerbied UE. Agtb. seer needrige dienaresse, Grisella van de Caab, huijsvrouw van den burger Jan Staverinus, hoe onder 's Comps. lijfeijgenen in de logie alhier zig als nog komt te bevinden der supplte. dogtertje, met name Johanna van de Caab, oud vier jaren, ende ten aansien de supplte. deselve gaarne van haare slaafse dienstbaarheijd bevreijd sag, en tot een beeter leevens manier wilde opvoeden, soo neemt sij de vrijheijd UE. Agtb. op 't onderdanigst te versoeken dat deselve de goedheijd gelieven te hebben haar gem. kind uijt slavernij te ontslaan en in vrijdom te stellen, bereijd zijnde een kloeke en gesonde mansslaaf, gent. Coridon van Bengalen, in haar plaats aan de E. Comp in eijgendom over te geven, of wel zoodanige andere voldoening als UE. Agtb. sullen komen goed te vinden.

(Onderstont) 't Welk doende &a.

En is naar gehoudene besoigne het daar bij gedane versoek aan haar geaccordeert, mits dat sij in plaatse van den gepresenteerden lijfeijgen, Coridon, een ander die meede in Raade vertoont is, genaamt Alexander van Bengalen, aan d' E. Comp. in eijgendom sal moeten geven, en dat denselven werde gevisiteerd, en van de vereijschte gesondheijd bevonden.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jare voorsz.
JAN DE LA FONTAINE.
A. V. KERVEL.
K. J. SLOTSBOO.
JN. ALDERSZ.
NS. HEIJNING.
HK. SWELLENGREBEL.
Mij present, R. TULBAGH. E.g. clercq.

 


Notes.

[1] Die Politieke Raad het op 3 Julie ook vergader. Sien C.606, Dagregister, 1723-1727, p. 713.

[2] Sien C.232, Requesten, 1724-1725, no. 42.

[3] Sien C.232, Requesten, 1724-1725, no. 43.

[4] Hy was die seun van Guillaume Heems en Anna van Banchem, en is op 17.10.1758 oorlede.

[5] Sien C.232, Requesten, 1724-1725, no. 38.

[6] 'n Gedeelte is hier weggelaat. Daarin word besonderhede verstrek van tekorte in voorrade wat uit die skepe Amsterdam, Soetelingskerke, Elisabeth, Fijenoordt en Victoria ontvang is, asook van beskadigde goedere in die pakhuis. Die Raad het besluit om die tekorte as verliese af te skryf en die beskadigde goedere te verkoop. Sien C.20, Resolutien, 1725-1726, pp. 118-120; C.291, Memoriën, 1710-1726, pp. 459-460.

[7] Sien B.K.R.1, Notulen, 1718-1767, pp. 80-81.

[8] Jan Hendrik Stempelmulder is op 31.10.1717 getroud met Maria Coetsee, die dogter van Dirk Coetsee en Sara van der Schulp. Hy is in 1727 oorlede. (Sien M.O.O.C. 7/4, Testamenten, 1726-1735, no. 37.)

[9] Simon Witmont was die seun van Claas Simonsz Witmont en Catharina Hamersteen, en is 1692 in Amsterdam gebore. Hy het in 1705 as soldaat na die Kaap gekom en geregsbode geword. In 1721 het hy siekevader geword, en die volgende jaar het hy sy vrybriewe ontvang. Hy was getroud met Anna Magdalena Louw, die dogter van Pieter Jansz Louw en Elisabeth Wendels. In 1713 het hy hertrou met Maria ter Meegden, die dogter van Willem ter Meegden en Marietje Abrahams. Witmont is in 1731 oorlede. (Sien M.O.O.C. 7/4, Testamenten, 1726-1735, no. 44; M.O.O.C. 8/5, Inventarissen, 1727-1737, nos. 74 en 75; M.O.O.C. 10/3, Vendu Rollen, 1726-1731, nos. 97 en 98; M.O.O.C. 13/2, Boedel Reekeningen, 1723-1737, no. 75.)

[10] Hy en sy vrou is albei in 1723 oorlede. Die eksekuteurs van hulle boedel was Daniel Thibault, Claas van Donselaar en Jan Smit. (Sien M.O.O.C. 7/3, Testamenten, 1721-1725, nos. 61, 72 en 73.)

[11] Abraham Bleuset is in 1665 in Calais gebore. Hy was 'n Franse vlugteling en het in 1688 met die Schelde na die Kaap gekom. Nadat hy eers 'n paar jaar in die Kaap gewoon het, het hy hom in 1700 as landbouer op Stellenbosch gevestig. Hy was getroud met Elisabeth Posseaux (Pogeau) van Parys (1682-1726), die weduwee van Jacob Bisseux. Hulle het geen kinders gehad nie. Bleuset is op 25.7.1735 oorlede. (Sien M.O.O.C. 7/4, Testamenten, 1726-1735, no. 17; M.O.O.C. 7/5, Testamenten, 1735-1737, no. 18.)

[12] Sien C.232, Requesten, 1725, p. 73.