Dingsdag den 13 September 1735, voormiddags.

Alle present.

Seekere memorie van eenige gestorvene 's Comps. leijfeijgenen en verrekte of door het wildgedierte vernielde beestiaalen, door den Heer oppercoopman en secunde deeses Gouvernements, Adriaan van Kervel, in de volgende bewoordinge ter vergaadering sijnde geproduceert: [1]

Memorie van de naabesz leijfeijgenen in de laa[t]st gepasseerde maanden Junij, Julij en Augustus door den natuurlijken dood overleeden, als meede 't beestiaal in gem. tijd soo verrekt als door 't wild gedierten vernielt, alles volgens secretariale verklaringen blijkende, namentlijk:

Volgens g'annexeerde reekening van den opsiender van 's Comps. slaaven logie en secretariale verklaaring sijn in boven gemelde tijd door de natuurlijke dood overleeden 1 kloeke jonge, 3 suijgende do., 1 kloeke meijd, 2 suijgende dos. en 2 bandiete jongens.

En volgens g'annexeerde reek[e]ning van den land-drost, gesterkt met secretariale verklaaringen zijn in meergem. tijd so verrekt als door 't wild gedierte vernielt 2 esels, 2 paarden, 68 runderen en 15 bocken.

(Onderstondt) In 't Casteel de Goede Hoop, den 13 September 1735. (Was geteekent) A. v. Kervel.

Is na dat deselve overwogen en met de daar bijgevoegde verklaringen van gecommitteerdens geconfronteert sijnde, accordeerend gevonden was, goedgevonden en verstaan dat de daar bij vermelde leijfeijgenen soo wel als het vee behoorelijk bij de negotieboeken sullen afgeschreeven werden.

Waar na door den soldij boekhouder, Cornelis Eelders, ter vergaaderinge is overgeleevert de geslootene boedel reekening van soodanige goederen als in het afgeweekene boekjaar van verscheijde afgestorvene 's Comps. dienaaren onder sijne administratie gekoomen sijn, met eerbiedig versoek dat deselve door deesen Raad mogt worden goedgekeurt; dewelke dan ook neevens het rapport van den negotie overdraager en secretaris der weescamer, ter exacte visitatie van dien gecommitteerd sijnde geweest, g'examineert sijnde, is geaggreëerdt geworden.

Vervolgens is geleesen seeker versoekschrift door Abraham Nicolaas Kina, [2] Joachim Nicolaus van Dessin [3] en David D'Aillij [4] in de onderstaende termen gepresenteerd: [5]

Aan den Wel Edele Gestr. Heer Jan de la Fontaine - - - beneevens den E. Agtb. Raad van Politie.

Wel Edele Gestrenge Heer en E. Agtbre. Heeren,

Geeven met schuldige eerbied te kennen Uwe Wel Edele Gestrenge en E. Agtb. seer onderdanige dienaaren, Abraham Nicolaas Kina, mitsgrs. Joachim Nicolaus van Dessin en David D'Aillij, den eerste halve broeder van moeders weegen, en de twee laatste behuwde broeders, en dienvolgens naaste bloedmaagen van Ernst Christiaan Eelders, [6] burger alhier, hoe dat denselven Eelders, die altoos swak van verstand is geweest, gelijk zulx ieder een wel bekent is, en seekerlijk burgerraden deeser plaatse ook niet onbewust sal zijn, seedert een geruijmen tijd herwaarts door 't converseeren met slegte geselschappen en sig te buijten te gaan in den drank, soodanig is verergert geworden, dat buijten staat is geraakt om zijne goederen gade te slaan, en daar en teegens deselve verwaarloost, verquist en doorbrengt, soo als nu onlangs geleeden ten openbaaren blijke van zijn moetwillig soekende schaade, zijn huijs en erf in deese Tafelvalleij geleegen, aan den meede burger Jan Frederik Buurman [7] om ofte voor de somma van vijf duijsend Caabse guldens contant heeft willen verkoopen, daar hij Eelders in voorige tijden wanneer de vaste goederen vrij minder golden als teegenwoordig, selfs voor heeft betaald vijfduijsend en agt hondert guldens, behalven de daaraan nog gedaane reparatie en onkosten, sijnde hem ook korts bevoorens door den soldaat Hans Michiel Molvanger [8] voor 't selve huijs ses duijsend guldens contant aangebooden geworden, met bijvoeginge dat, soo hij Eelders daarmeede niet te vreeden was, diesweegens eijsch soude doen, ja dat hij Molvanger, soo als aan de twee laatste onderget. heeft betuijgt, nog wel eenige hondert guldens soude bijvoegen en sijn woord daaromtrent altijd houden.

Dat gesegde haar supplten. broeder Ernst Christiaen Eelders en den burger Jan Fredrik Buurman bemerkende dat de supplten. ten opsigte van 't waanwijse gedoente van hem Eelders eenige pligtige beweeginge maakten, sij om de weereld te bedriegen haar hebben gehouden als of van geen verkoop ofte koop van dat huijs wisten, ofte iets daarvan was gepasseert, maar alleenig dat hij Eelders sijn huijs aan meergen. Buurman voor ses jaaren hadde verhuurt, waar van ook over wijnige daagen geleeden een publicq instrument hebben gepasseert; [9] hebbende gen. Buurman denselven Eelders nog bevoorens weeten om te setten (soo als de supplten. moeten praesumeeren) om hem Buurman een generaale procuratie te geeven, en daar bij magt te verleenen om voor hem Eelders te koopen ende te verkoopen losse en vaste goederen, [10] waardoor hij Eelders dan hem selve en al sijn omslag soo hier aan de Caab als buijten ten platte lande [11] met al 't resultaat van dien onbedagtelijk, en sonder dat overdenkt ofte overdenken kan de gevaaren waarin hij hem selve stelt, ter dispositie geeft van een vreemd, ongehuijst en ongeerft persoon, op wien bij ontrouwe behandelinge geen de minste verhael soude sijn, en daar door tacite te kennen geeft d' onvermoogentheijd waarinne hij sig bevind om selfs sijne goederen te administreeren.

Om welke een en andere reedenen, ende ook ten reguarde de supplten. duijdelijk te gemoed sien dat 't met hem Eelders hoe langer hoe slegter word, en dat dus blijvende en voortvaarende hij soo lange sal geslingert en om den thuijn geleijd worden tot dat alles sal zijn verlooren, en hij Eelders tot d' uijtterste armoede en den beedelsak gebragt, ten sij daarinne voorsien word, waaromtrent de wetten sijn meede brengende dat soodanige quistgoederen en onbesonne menschen ende derselver goederen volgens Hugo de Groot [12] Lib. I part. II 4, [13] Weesenbek [14] Ad. Tit. ff. de Curatoribus Furioso, et aliis extra minores dandis 3, [15] Van Leeuwen [16] Censura forensis lib. I cap. 18 6 [17] met d' uijtsinnige of dolle in gelijke graad gereekent sijnde, onder curateel[e] moeten werden gestelt, vide meede Carpzow [18] Practica rerum Criminalium quaest 118 27 end' d' algemeene regten la. 12 2 ff. de tutor. et Curat. dat met deese woorden seer aanmerkelijk statueeren: Non est novum, quosdam, etsi mentis suae videbuntur ex sermonibus compotes esse, tamen sic tractare bona, adse pertinentia, ut, nisi subveniatur his, deducantur in egestatem eligendus itaque erit, qui eos consilio regat nam equum est prospicere nos etiam eis, qui, quod ad bona ipsorum pertinet, furiosum faciunt exitum; [19] dat is, 't is niets nieuws dat sommige, schoon se uijt haar reedenen gelijken haar verstand te hebben nogtans met haar goed soodanig handelen dat, wanneer omtrent haar niet word voorsien, tot armoede geraaken, waarom iemand te kiesen is die deselve met raad regeert, en 't billijk is dat wij ook ons laaten aangeleegen zijn de sulke, die, voor soo veel haar goed betreft, een uijtsinnig eijnde soeken. [20]

De supplten. dan, ten uijtterste over 't slegt gedrag en onrijp gedoente van hem Eelders bedroeft, vinden sig natuur en pligtsweegen genoodsaakt haare toevlugt tot Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. te neemen, oodmoediglijk versoekende dat tot voorkoominge van zijn totaal ruin, ende uijt aanmerkinge dat hij Eelders, als seer woelig en onbeschaaft van humeur sijnde, sig seer beswaarlijk, ja onmogelijk van particuliere, en wel principaalijk van sijne naaste vriende, wiens welmeenende vermaaningen en getrouwe raad hij altoos heeft in de wind geslaagen, en voor dewelke hij geen de minste ontsag heeft, sal willen laaten regeeren, 't Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. mogte behaagen over hem Eelders en sijn besit Heeren weesmeesteren deeser steede, als voor hem de ontsaggelijxte, tot curateurs aan te stellen, met verbreekinge van alle contracten en overkomsten [21] die hij Eelders ten sijnen merkelijken nadeele met gesegde Buurman en andere mogte hebben aangegaan ende gemaakt, dan wel andersints over hem soodanig gelieven te disponeeren als Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. als voorstanders en voedsterheeren van 't algemeene best en dat van een ider in 't bijsonder, naar regt en billijkheijd sullen oordeelen te behooren, imploreerende in ende op alles 't nobile atque benignum officium judicis. [22]

(Onderstond) 't Welk doende &a. (Was geteekent) A. N. Kina, J. N. v. Dessin, D. D'Aillij. (In margine) Overgegeeven in Raade, den 13 September 1735. [23]

Over welkers inhouden geraadpleegt zijnde, beslooten en best gedagt is dat hetselve request sal worden gestelt in handen van den Raad van Justitie deeses Gouvernements, ten eijnde deese saak aldaar sijnde ondersogt, sal kunnen worden afgedaan soodanig als met de billijkheijd sal worden gevonden over een te koomen. [24]

Ook is geleesen het volgende versoekschrift door de burgers Isaak Martens[z] en Carel Hendrik van Hartmansdorph in deese bewoordinge overgeleevert: [25]

Aan den Wel Edelen Gestr. Heere Jan de la Fontaine - - - beneevens den E. Agtb. Politicquen Raad.

Wel Edele Gestr. Heere en E. Agtb. Heeren,

Geeven met schuldig respect en onderdanigheijd te kennen Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. needrige dienaars, Isaacq Martens en Carel Hendrik van Hartmansdorph, hoe zij supplten. bij de jongste verpagting van 's lands gemeene middelen aanneemers gebleeven zijnde van het eerste en derde perceel der Caabse brandewijnen enz., ider seer gaarn tot beeter voortsetting hunner neering nog een bijtapper souden willen stellen; derhalven wenden sij hun met veel respect tot Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb., eerbiediglijk versoekende dat deselve van die goedheijd gelieven te zijn zulx aan de supplten. gunstiglijk te accordeeren.

(Onderstondt) 't Welk doende etca.

Waar op gelet en ingesien sijnde dat het daar bij gedaan wordende versoek om ider een bijtapper te moogen aenstellen, direct teegens den inhoud der pagtconditien aanloopt, en dat ook haare meede pagters, Abraham Leever en Carel Diederik Boetendag, dit versoek niet koomen te doen; is derhalven goedgevonden dat hetselve sal worden van de hand geweesen, dog dat bij aldien de vier brandewijns pagters dit supplicq gesaamentlijk mogten koomen te vernieuwen, daar op als dan nader reflexie sal kunnen worden genoomen.

Voorts is op het ingediende request van den burger Dirk van der Schijf[f], [26] aan hem g'accordeert om alhier school te moogen houden en de jeugd in het leeren van leesen, schrijven &a. te onderwijsen, ende zulx ter consideratie dat hij is een persoon van seer goed gedrag en litmaat der gereformeerde religie.

Sijnde insgelijx op het voordraagen van den Heer Gouverneur dat hier sestig stux pomphouten gevonden worden, die vermits haare groote niet kunnen worden geboort of ergens toe gebruijkt, g'arresteert en best geoordeelt dat men deselve ten meesten voordeele der E. Comp. sal doen verkoopen.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten daage en jaare voorsz. [27]
JAN DE LA FONTAINE.
A. V. KERVEL.
D. V. D. HENGHEL.
J. T. RHENIUS.
NS. HEIJNING.
HK. SWELLENGREBEL.
CL. BRAND
R. TULBAGH. Rt. en Secrets.

 


Notes.

[1] Kyk C. 292 Memoriën en Rapporten, 13.9.1735, p. 469.

[2] Abraham Nicolaas Kina (1710-1.2.1746) was die seun van Elias Kina en Barbara de Savoye. Hy is ongetroud oorlede.

[3] Joachim Nikolaus von Dessin (1704-18.9.1761) van Rostok was die seun van Christian Adolf von Dessin en Margaretha Elisabeth von Hönemörder. Op 13-jarige ouderdom het hy tot die hofhouding van markgraaf Albrecht Friedrich van Brandenburg toegetree en sy skoolopleiding aan die Koninklike Joachim Gimnasium in Berlyn ontvang. Na sy vader se dood het hy in 1721 na Rostok teruggekeer en in 1726 by die V.O.C. in diens getree. Die volgende jaar het hy as soldaat in Tafelbaai aangekom en twee jaar later is hy as assistent op die sekretarie van die Raad van Justisie aangestel. Nadat hy op 21.6.1735 tot die rang van boekhouer bevorder is, is hy in 1737 as sekretaris van die weeskamer aangestel In 1743 is hy tot onderkoopman bevorder, maar in 1757 het hy weens swak gesondheid uit die Kompanjiesdiens getree. Von Dessin is op 10.12.1730 met Christina Ehlers (1703-1752) getroud. Hy het sy vrou sowel as hulle enigste kind, Barbara Theresia, oorlewe. Kyk verder W. J. de Kock (ed.): Dictionary of South African Biography I, pp. 851-853.

[4] David D'Ailly (1705-1769) van Amsterdam was die seun van Jean D'Ailly en Johanna de Potter. Hy het in 1713 sonder 'n vaste betrekking na die Kaap gekom en is in 1717 as adelbors in diens geneem. In 1721 is hy bevorder tot assistent en daarna tot boekhouer (8.3.1730), onderkoopman (1738) en koopman (1763). Hy is op 12.11.1730 met Elizabeth Kina getroud.

[5] Kyk C. 237 Requesten en Nominatiën, 1735-1736, ongedateer, pp. 135-139.

[6] Ernst Christiaan Ehlers (1701-1.7.1770) was die seun van Christiaan Ehlers en Barbara de Savoye. Hy was nooit getroud nie.

[7] Johannes Frederik Buurman (1695-1744) van Hamburg was die seun van Jacob Friedrich Bierman en Elisabeth Oudenaarts. Hy het in 1715 as soldaat in diens van die V.O.C. na die Kaap gekom. Op 2.2.1723 het hy uit die diens getree en hom as 'n kleremaker in die Kaap gevestig. Hy was twee keer getroud: op 22.7.1725 met Maria du Toit en op 16.8.1733 met Anna du Plessis.

[8] Johann Michael Molvanger van Löben het in 1728 as 'n soldaat in diens van die V.O.C. na die Kaap gekom en het in 1735 uit die diens getree en as 'n bakker 'n bestaan gemaak. Hy is op 15.5.1735 met Catharina van As (1695-5.1.1758) getroud. Sy was voor haar huwelik met Molvanger met Johann Sprangel en daarna met Johann Hermann Carstens getroud. Molvanger is in 1740 oorlede.

[9] Kyk C. J.2885 Kontrakte, 5.9.1735, p. 182.

[10] Kyk C. J.2770 Prokurasies, 30.8.1735, pp. 165-166.

[11] In die oorspronklike versoekskrif staan ook ten platte lande, maar in die Haagse kopie van die resolusie is dit verbeter na ten platten lande.

[12] Hugo de Groot (Delft, 10.4.1583-Rostock, 28.8.1645) was 'n bekende Nederlandse juris, staatsman, teoloog en filosoof. Hy was die seun van Johan Hugo de Groot en Alida Borren. De Groot is op 2.7.1608 met Maria van Reigersberch getroud. As juris was hy veral bekend as die skrywer van Inleidinge tot de Hollandsche Rechts-geleerdheid, een van die mees gesaghebbende geskrifte oor die reg van Holland in die 17de en 18de eeue, en van De lure Belli ac Pacis. Kyk verder P. C. Molhuysen en P. J. Blok (reds.): Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II. kol. 523-528.

[13] Hier word verwys na Hugo de Groot: Inleidinge tot de Hollandsche Rechts-geleerdheid, Lib. 1, part II, par. 4. Die betrokke paragraaf lui: " Door gebreck van de wille, als quist-goederen (prodigi), die men opmaeckers ende verdoenders noemt. Maer alzoo dezer ghebreck niet zoo kennelick is als van anderen, zoo moet daer eerst kennisse voorgaen van het Hof ofte eenig ander gerecht; waer op volgt een afkondiging, door de welcke haer 't bewind haerder goederen werd benomen. Werden daeromme de zodanige genoemt hofs ofte stadskinderen, ende blijven onmondig tot dat haer beterschap bekent zijnde, wederom afkondiging daer van geschiede".

[14] Mattheus Wesenbeck (25.10.1531-5.6.1586) het te Leuven in die regte gestudeer en was daarna professor in die regte te Jena en Wittenberg. Sy boek Commentarius in Pandectasjuris civilis et Codicem Justinianeum is in 1612 gepubliseer. Dit is 'n kommentaar op die Romeinse reg met 'n bespreking van die toepassing daarvan deur die howe van Wes-Europa in Wesenbeck se tyd.

[15] Pandectae of Digesta is die naam van 'n versameling van Romeinse regstekse wat uit die geskrifte van die belangrikste Romeinse juriste uit die tydperk tussen ongeveer 100 v.C. en 250 n.C. saamgestel is. Dit is in 533 n.C. deur keiser Justinianus uitgegee. Die Pandectae is ingedeel in 50 boeke (Libri), die boeke in titels, die titels in leges (regsreëls) en die leges weer in paragrawe. So 'n onderdeel word aangedui deur die afkorting f.f. Dit verwys dus na 'n teks van die Romeinse reg wat verskyn in die Pandectae, en dan in die reël nog voorsien van kommentaar deur die skrywer van die bepaalde boek.

[16] Simon van Leeuwen (20.10.1626-14.1.1682) was assistent-griffier van die Hof van Holland in Den Haag.

[17] Censura Forensis is in 1662 gepubliseer en is 'n handboek vir regspraktisyns oor die reg soos dit in Van Leeuwen se tyd deur die howe toegepas is.

[18] Benedictus Carpzovius (27.5.1595-30.8.1666) was 'n regter en later lid van die geheime raad van die keurvors van Sakse.

[19] In Afrikaans lui bostaande gedeelte soos volg: Dit is nie iets nuuts dat sommige mense afgaande op wat hulle sê, die indruk maak van hul verstand te hê en met hul goed so onverantwoordelik handel dat hulle hulself tot armoede sal bring wanneer hulle geen bystand ontvang, waarom dit nodig is om iemand te kies wat hulle met sy raad regeer, want die billikheid verlang dat ons ons ook oor die mense bekommer wat vir sover dit hul goed betref op 'n waansinnige uiteinde afstuur.

[20] Bostaande gedeelte is dus 'n Nederlandse vertaling van die Latynse aanhaling hierbo.

[21] Overkomst is 'n ou vorm van overeenkomst.

[22] Nobile atque benignum officium judicis: die edele en billike regterlike oordeel.

[23] Besonderhede oor die skrywers en publikasies waarna in hierdie versoekskrif verwys word, is deur prof. D. Pont van Kaapstad verstrek. Hy het ook die vertaling van die twee Latynse gedeeltes gedoen.

[24] Die Raad van Justisie het op 8.3.1736 Kina, Von Dessin en D'Ailly se aansoek van die hand gewys en Ehlers nie onder toesig geplaas nie. Vgl. C. J.829 Oorspronklike Regsrolle en Notule (Siviel alleen), 22.9.1735 en 6.10.1735, pp. 85-88 en 98-100; C. J.830 Oorspronklike Regsrolle en Notule (Siviel alleen), 8.3.1736, pp. 15-16.

[25] Kyk C. 237 Requesten en Nominatiën, 1735-1736, ongedateer, pp. 143-144.

[26] Dirk van der Schyff was die seun van Harmen Barend van der Schyff en Sibilla Pretorius. Hy is op 6.7.1738 met Catharina Meyer getroud. Sy is in 1755 oorlede en op 11.6.1758 is hy weer met Sophia Magdalena Schröder van Zurich getroud. Van der Schyff se oorlye is op 15.4.1779 in die register van sterfgevalle opgeteken, maar sy boedelinventaris is reeds die vorige dag opgestel. (Vgl. M.O.O.C. 6/l Dood Register, 15.4.1779, p. 153; M.O.O.C. 8/17 Inventarisse, 14.4.1779, nr. 43, geen paginering.)

[27] Afgesien van bostaande besluite, word die volgende sake in die kladnotule van hierdie vergadering vermeld: "Levers versoek toegestaan. Gesproken wegens sekere ordonnantie van de logie . Vollenhoven in vrijdom gestelt. Rhenius de guarnisoenschrijver assistent met ƒ24. Van een wagenmakers vrijdom gesproken. Cranendonk assistent met ƒ20. Verbeteringen op de scheepen goedgekeurt ... Drie verbeteringen in 't guarnisoen gedaan, ider a ƒ14". (Vgl. C. 113 Resolutiën, Raad van Politie, Klad, 13.9.1735, pp. 385-386). Jacob Lever het met volmag van Anna van Schalkwyk, die weduwee van Jan Brommert, versoek dat die slavin, Magdalena van Batavia, en haar twee kinders vrygestel mag word. Die vrybrief is op 16.9.1735 uitgereik. (Vgl. C. 237 Requesten en Nominatiën, 1735-1736, ongedateer, pp. 121-122; C. J.3085 Gemengde Notariële Stukke: vrybrief, 16.9.1735, pp. 94-95.) Die korporaal, Cornelis van Vollenhoven van Rotterdam, se versoekskrif kan gevind word in C. 237 Requesten en Nominatiën, 1735-1736, ongedateer, pp. 123-124. Rhenius en Cranendonk, na wie in die kladnotule verwys word, is waarskynlik Christoffel Lodewyk Rhenius van die Kaap en Jan Cranendonk van Amsterdam.