Dingsdag den 3 December 1737, voormiddags.

Alle present.

De respective nominatien door den Caabsen kerkenraad, mitsgrs. kerkenraade van Stellenbosch en Drakensteijn, gelijk meede van burger-raaden, weesmeesteren, commissarissen van civiele en huwelijxsaaken deeser plaatse, neevens land-drost en heemraaden der voorm. buijtendistricten ingedient, [1] geleesen en geresumeert zijnde, heeft men sig de gedane verkiesing van Jacob de Hennion tot ouderling deeser Caabse gemeijnte in de plaats van den afgaande Gijsbert la Febre laten welgevallen; en zijn bovensdien uijt het dubbelt genomineert getal voor de af te treedene diaconen Petrus Jesse Slotsboo en Abraham Cloppenburg daartoe weederom verkooren David D'Aillij en Johannes Carolus de Wet.

Soo als ook de electie van Daniel Malang tot ouderling der gemeijnte van Stellenbosch in steede van Jan Nel goedgekeurt, en uijt het dubbelt genomineert getal in de plaats van den uijtgediend hebbende Willem van As tot diacon is verkoren geworden Willem Morkel. [2]

Sijnde al verders de verkiesing van David de Villiers [3] tot ouderling van Drakensteijn in steede van den afgaande Pieter de Villiers insgelijx geapprobeert, en voorts in de plaats van de af te treedene diaconen Jacob Hugot en Steven Marais weederom daartoe verkoren Andries du Toit en Pieter le Roux.

Welke kerkenraaden van Stellenbosch en Drakensteijn bovensdien sal werden aangeschreeven dat er deesen jaare weederom geen commissaris politicq na de buijten districten staat af te gaan, en dat zij hierom zullen moeten bezorgen dat de kerkelijke reekening haarer armepenningen ten spoedigsten herwaarts worden overgesonden. [4]

Voorts zijn uijt het dubbelt genomineert getal voor de afgaande burgerraden Jan de Wit en Daniel Pfeijl daartoe geeligeert Henning Joachim Prehn en Abraham Cloppenburg; alsmeede tot weesmeesteren in plaatse van Evert Walraven Cochius en Gijsbert la Febre, Rudolph Sigfried Alleman en Henning Joachim Prehn; sijnde ook tot commissarissen van civiele en huwelijxe saaken in steede van Willem van Kerkhoff en Hendrik Heijns verkooren David D'Aillij en Pieter M[e]ijer; [5] gelijk meede nog in steede van den tot burgerraad aangestelden commissaris Henning Joachim Prehn, dewelke niet langer als lid in dat collegie sal kunnen sitten, verkooren is George Schoester, zullende de twee eerste voor den ordinairen tijd en den laatsten voor een jaar moeten dienen; en eijndelijk zijn tot heemraaden van Stellenbosch en Drakensteijn aangesteld Jan Louw, Willem van As, Charl Marais en Pieter Boeijens, in steede van de afgaande heemraden Jacob Cloeten, Burgert Brand, Hendrik van der Merve en Jan Louw Jacobsz.

Ten versoeke van 's Comps. slavin Johanna van Sophia Jansz van de Caab, die niet alleen den heijligen doop heeft ontfangen, en de Neederduijtse taal wel spreekt, maar bovensdien van een goed gedrag en bequaamheijd zijnde, om haar kost alhier neevens andere ingeseetenen te kunnen winnen, is goedgevonden dat deselve uijt slaefse dienstbaarheijd sal werden ontslaagen, soo als zij daaruijt ontslagen en in vrijdom gesteld werd bij deesen, mits dat door haar een andere bequame slaaf, met name Snaphaan van Rio de la Goa, aan de E. Comp. in eijgendom sal werden overgegeeven, dewelke gevisiteert zijnde gezond en van de vereijschte hoedanigheijd is gevonden. [6]

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Waarna geleesen is seeker missive door land-drost en heemraaden neevens den burger chrijgsraad van Stellenbosch en Drakensteijn aan deese regeering in de volgende bewoordinge geschreeven: [7]

Cabo de Goede Hoop.

Aan den E. Agtbaaren Heere Mr. Daniel van den Henghel, gesaghebber deeses Caabse Gouvernements en de ressorten van dien &a. &a., beneevens den E. Agtb. Raad van Politie aldaar.

E. Agtbaren Heer en E. Heeren,

Wij vinden ons verpligt Uwe E.E. Agtbns. bij deesen pligtschuldig ter kennisse te brengen hoe sommige deeser ingeseetenen dewelke haar onder de respective colonien alhier hebben laten inschrijven, en welker namens op de rolle der eenloopende persoonen ook wel aangeteijkent staan, egter nooijt een vaste woonplaats komen te houden, maer als vagabonden en land-lopers over al rondswerven, sonder dat men weet waar deselve te soeken of te vinden zijn; waardoor dan niet alleen verscheijde diergelijke menschen, dewelke, wanneer de burgers in den wapenhandel geexerceert worden, en die haar buijten voorkennisse van hare officiers van de gewoonelijke exercitie komen te onttrekken, naderhand soo wel over de krijgsboetens als schapen- en beestengeld vrugteloos gedagvaard worden, aangesien deselve bij die persoonen op welkers namen zij bekent staan, niet aan te treffen zijn; gevolglijk ook niet compareeren, latende dus het eene default op het ander verloopen, soo dat men eijndelijk genoodsaakt is de dagvaardingen van tijd tot tijd uijt te stellen, dewelke dan uijt het eene jaar in het andere loopen, veroorsaakende niets anders dan confusie in de regtsrollen; behalven dat men bij voorvallende geleegentheeden, het zij op uijt te sendene commandos van drossers, die soo wel ten haaren als anderen besten werkstellig gemaekt werden, als in tijd van nood, wanneer men die menschen noodsakelijk soude benoodigt zijn, deselve nergens weet te vinden, bestaande de principaalste der gem. persoonen voor soo veel ons voor als nog bekent is, in deese volgende namentlijk Jan van Tonderen, [8] Willem Willemsz de Vries, Jan Gerritsz, [9] Johannes Cnoetse, [10] Martinus Oosthuijsen en Willem Hendriksz; welke niet alleenig, gelijk voorsegt is, sig onthouden van hun op de bestemde tijden in 't geweer te vervoegen, maar ook schoon nog soo dikwils gedagvaard worden, niet willen verschijnen, plegende ondertusschen alderhande schelmstukken, ende gemerkt soodanige behandelingen van diergelijke luijden (onder het beter gevoelen van Uwe E.E. Agtbns.) niet alleen strijdig zijn teegens d' eer, eed en pligt van een goed burger, maar dat deselve ook zijn streckende tot een quaad exempel van andere aankomende jongelingen, dewelke al ligtelijk het voetspoor van diergelijke enorme voorgangers metter tijd souden soeken in te slaan, soo hebben land-drost, heemraden en chrijgsofficieren haar verpligt geagt Uwe E.E. Agtbrens. hiervan de verschuldigde kennisse te geeven, met bijgevoegt versoek dat het U E.E. Agtbs. behagen mogte tot stuijtinge van diergelijke misgangen, hieromtrent soodanig in te voorsien als het Uwe E.E. Agtbens. na derselver hoogwijs bel[e]ijd sullen oordeelen ten gemeenen besten dienstig te zijn.

- - - (Was geteekent) Pr. Lourensz, Jacob Kloete, Bd. Brand, G. Romondt, G. v.d. Bijl, Johs. Louw Jacobsz, Jan Bastiaanse, Johs. Louw, Pr. Boijens, Wm. van As. (In margine) Stellenbosch in vergadering van heemraaden en chrijgsofficieren, den 26 November 1737.

Op welkers inhouden reflexie genomen zijnde, is goedgevonden en best gedagt dat om dit land van de daarbij vermeld wordende ledigloopers te suijveren, deselve in den dienst der E. Comp. zullen worden aangenoomen voor mattroosen a ƒ9 ter maand onder een vijfjaarig verband, om dus met 's Comps. scheepen van hier naar India te kunnen worden versonden.

Wordende voorts door den Heer gesaghebber te kennen gegeeven dat het schip de Petronella Alida teegenwoordig klaar is geraakt om met de eerste goede wind naar de Saldanhabaaij te kunnen vertrecken, met eenen produceerende de verclaring der expresselijk gecommitteert geweest zijnde opperstuurlieden, om de lading uijt dien bodem in andere over te scheepen, sijnde vervat in d' onderstaende termen:

Den E. Agtb. Heer Mr. Daniel van den Henghel, gesaghebber deeses Caabse Gouvernements, ons ondergeteekendes expres hebbende gelieven te committeeren omme de lading van het ter rheede leggende schip Petronella Alida exact te visiteeren, de goederen behalven de onderlaag daaruijt te ligten en in de scheepen Popkensburg, Schellag, Dregterlandt, Schoonauwen, Cornelia en Ruijter over te scheepen, soo verclaren wij zulx nauwkeurig verrigt en bevonden te hebben, dat de lading van dien bodem wel en na behooren is gestuuwt geweest, uijtgenoomen een laag met olijhalfaamen, dewelke niet wel gegniert heeft geleegen, hebbende voorts bij visitatie en peijling der gedagte olijhalfamen ondervonden dat van de 66 halfamen olijvenolij veerthien geheel leedig en voorts 2 van 3, 2 van 4, 1 van 5, 1 van 5 1/2, 3 van 7, 1 van 8, 1 van 8 1/2, 2 van 9, 1 van 9 1/2, 1 van 10, 1 van 10 1/2, 1 van 11, 8 van 12, 1 van 12 1/2, 5 van 13, 2 van 13 1/2, 3 van 14, 3 van 14 1/2 en 13 van 15 dm. wan geweest zijn, dewelke na opvulling niet meer dan 13 volle halfamen, en 1 do. daarop 9 dm. hebben kunnen uijtleeveren.

Mitsgrs. van de 28 halfamen lijnolij ses geheel vol, 2 leedig en voorts 3 van 2, 1 van 2 1/2, 3 van 3, 1 van 3 1/2, 1 van 4 1/2, 1 van 9 1/2, 1 van 11 1/2, 1 van 12, 2 van 13, 1 van 14 en 5 van 15 dm. wan bevonden, soo dat na opvulling in het geheel 15 halfamen zijn vol geweest en 1 restant van 7 duijm.

Sijnde al de overige goederen volgens factuur uijtgekoomen en boovensdien meer in dat schip bevonden als gemelte factuur dicteert 99 leijnen [11] van 12 garens, 98 leijnen van 9 garens, 90 leijnen van 6 garens.

Voorts zijn alle de goederen uijt gedagte schip de Petronella Alida op de volgende wijs afgescheept, als in het schip Popken[s]burgh: 13 1/2 halfamen olijvenolij, 15 1/2 halfamen lijnolij; in Schellag 70 cassen sekwijn, genommert van 1 tot 70, 2 cassen met pompleer, no. 45 en 46, 1 cas met solderveeren, no. 89; in Dregterland 36 vaten boter, 34 vaten vleesch en 1 vat vleesch voor Zijn Hoog Edelheijd; in Schoonauwen 44 vaten vleesch, 4 sware touwen, als 2 van 15, 1 van 17, 1 van 19 dm., 4 cabel touwen, zijnde 2 van 9 en 2 van 8 dm., 3 ps. schooten, 15 ijsere trossen in soort, 10 wieltrossen; in de Cornelia 8 vaten vleesch, 5 cassen met lakenen gemt. no. 1 tot 5, 4 sware touwen, als 1 van 10, 1 van 12 en 2 van 19 duijm, 5 cabel touwen als 2 van 6 en 3 van 9 dm., 2 cardeels, 3 paardelijnen; in Ruijter 44 vaten vleesch, 4 sware touwen, als 3 van 15 en 1 van 17 [duijm], 2 cabel touwen van 84 dm., 2 paardelijnen, 3 paar halsen in soort, 10 eijsere [12] trossen in soort, 20 bossen huijsing, 20 bossen marlijn, 25 bossen lording; naar de wal 10 reeps in soort, 12 ps. wand in soort, 54 eijsere [13] trossen in soort, 28 wieltrossen in soort, 99 leijnen van 12, 98 leijnen van 9 en 90 leijnen van 6 garens.

En dewijl wij hiermeede gedenken aan de geeerde ordre van UEd. Agtb. te hebben voldaan, soo dient deese voor needrig rapport.

(Onderstondt) Cabo de Goede Hoop, den 27 November 1737. (Was geteekent) Cs. de Sitter, Fk. Schouten.

Waaruijt is koomen te blijken dat daarin meer dan de vaderlandsche factuur komt te dicteeren gevonden zijn 287 lijnen in soort, en dat verders alles wel is uijtgeleevert, uijtgenoomen de olijven en lijnolij, dewelke slegt bezorgt en gegeniert [14] zijnde geweest, een considerabel verlies heeft geleeden; weshalven dan ook maar gehoudene deliberatie best geoordeelt is dat men gem. verclaring in copia na Batavia sal oversenden ten eijnde aldaar over deese saak nader gedisponeert sal kunnen werden.

Ook zijn door den Heer gesaghebber geproduceert en vervolgens geleesen niet alleen de verclaring dewelke door de schippers en opperstuurlieden der scheepen Schellag en Dregterland volgens het geresolveerde deeses Raads van den 5 der eeven afgeweekene maand November gegeeven is, weegens de slegte huijshouding die op het voorm. schip de Petronella Alida geduurende de herwaarts rheijs is geweest, maar ook bovensdien seeker soort van vraagpoincten waarop gedagte scheepsoverheeden de officieren van dat schip voor haare aankomst hier ter rheede hebben doen antwoorden; over welke beijde papieren geraadpleegt weesende, heeft men ten meesten dienste der E. Comp. moeten besluijten dat deselve zullen worden gesteld in handen van den ondercoopman Johannes Needer, als het fiscaals ampt pro interim waarneemende, op dat deese geheele saak en hoedanig zig het stooten van het voorseijde schip de Petronella Alida op St. Jago heeft toegedraagen, nader door hem sal kunnen werden ondersogt, ten welken eijnde hij het journaal, neevens de resolutien in dien bodem gehouden, daarvan ook afeijsschen en ten overstaan van den equipagiemeester Möller, mitsgrs. twee schippers van de alhier verongelukte scheepen na vereijsch sal kunnen examineeren.

Sijnde laa[t]stelijk op het ingediende request van den burger Gidion Corteljaik [15] aan hem gepermitteert om met een der verwagt wordende retourscheepen na het vaderland te moogen overvaaren, ende zulx ten aanzien zijner armoede om voor de kost scheepsdienst te doen; soo als ook is goedgevonden dat de burgers Jan Roseveld en Jan van Mijdregt, [16] die haare verlossinge reets in het begin van dit jaar hebben geobtineert, insgelijx met de eerste scheepsoccasie na Europa zullen moeten vertrecken.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz. [17]
D. V. D. HENGHEL.
HK. SWELLENGREBEL.
J. T. RHENIUS.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
R. TULBAGH. Rt. en Secrets.
MNS. BERGH.
CORNS. EELDERS.

 


Notes.

[1] Die nominasies van die verskillende liggame kan gevind word in C. 238 Requesten en Nominatiën, 25.11.1737, 26.11.1737, 1.12.1737, ongedateer, 2.12.1737, 2.12.1737 en ongedateer, pp. 171-173, 177-178, 179-180, 181, 189-190, 191-192 en 193-194.

[2] Willem Morkel (1718-3.5.1788) was die seun van Philip Morkel en Catharina Pasman. Na die dood van sy eerste vrou, Sara van Brakel (1716-28.3.1759), met wie hy in 1749 getroud is, het hy weer op 22.7.1759 met Helena Catharina Malan (1736- 27.10.1825) in die huwelik getree. Morkel het op die plaas Onverwacht in Hottentots-Holland geboer.

[3] David de Villiers was die seun van Jacques de Villiers en Marquerite Gardiol. Hy is op 17.11.1726 met sy niggie, Madeleine de Villiers (1701-1749), getroud. Op 17.5.1750 is hy weer met Elisabeth Hugo (1722-1782) getroud. De Villiers is op 16.2.1770 oorlede.

[4] Die briewe aan die kerkrade van Stellenbosch en Drakenstein kan gevind word in C. 523 Uitgaande Brieven, Raad van Politie: Goew. en Raad - kerkraad, Stellenbosch, 3.12.1737, pp. 534-535, en Goew. en Raad - kerkraad, Drakenstein, 3.12.1737, pp. 535-536.

[5] Pieter Meyer was die seun van Pierre Meyer en Aletta de Savoye. Hy was nooit getroud nie en is in 1745 oorlede.

[6] 'n Besluit van die Politieke Raad om twee bemanningslede op Landscroon te bevorder, is hieronder weggelaat. Kyk C. 30 Resolutiën, Raad van Politie II, 3.12.1737, pp. 368-369.

[7] Kyk C. 445 Inkomende Brieven, Raad van Politie: landdros en burgerkrygsraad, Stellenbosch - Goew. en Raad, Kaap, 26.11.1737, pp. 1133-1138.

[8] Jan van Tonder was die seun van Andries Cornelisz van Tonder en Cornelia Vry. Hy is in 1713 gebore.

[9] Hy was waarskynlik die seun van Caspar Gerritsz en Elsje Pyl wat op 25.8.1709 gedoop is.

[10] Hier word waarskynlik verwys na die seun van Cornelis Knoetze en Dirkje Helmes wat in 1692 gebore is.

[11] Die skrywer skryf deurgaans foutiewelik leijnen. Die skrywer van die Haagse kopie skryf soms lijnen en soms leijnen.

[12] In die Haagse kopie verbeter na ijsere.

[13] In die Haagse kopie verbeter na ijsere.

[14] In die Haagse kopie staan gegniert. Dit moet wees gegarneerd of gegarnierd.

[15] Kyk C. 238 Requesten en Nominatiën, 1737-1738, ongedateer, pp. 201-202.

[16] Jan van Mydregt van Utrecht het in 1726 as soldaat na die Kaap gekom. Hy was 'n kuiper in diens van die Kompanjie toe hy op 13.1.1734 sy vrybrief ontvang het.

[17] Afgesien van die besluite in hierdie resolusie, het die Politieke Raad ook nog die volgende sake bespreek: " ... Fiat burger notulen ... Verbeteringen op de scheepen goedgekeurt Christiaan Fluijt baas aan het Vissershok ... Twee corporaals met ƒ14 in 't guarnisoen gemaakt ..." (Kyk C. 113 Resolutiën, Raad van Politie, Klad, 3.12.1737, pp. 429-430.) Die notule van die burgerkrygsraad waarna verwys word, kan gevind word in B.K.R.I Notules van Vergaderings van die Burgerkrygsraad, 2.12.1737, pp. 128-129.