Saturdag den 21 Maart 1739, voormiddags.

Alle teegenwoordig.

Bij besluijt dat op den 4 deeser maend genoomen is, onder anderen aan den landdrost, Pieter Lourensz, geordonneert zijnde dat door hem alle practicabele middelen souden moeten worden in het werk gesteld om den oproerigen Estienne Barbier, het zij leevendig of dood in handen te krijgen en aan de justitie over te leeveren; is door gemelten land-drost neevens gecommitteerde heemraaden van Stellenbosch en Drakensteijn op heeden in vergadering overgeleevert de volgende door haar te saamen met de burger chrijgsofficieren deeser buijten districten over dit subject genoomen zijnde resolutie, dienende met eenen om aen te toonen wat tot nu toe in deese saak door haar heeft kunnen uijtgevoerd worden, soo als dit daaruijt selfs nader sal koomen te blijcken: [1]

Den land-drost in vergadering voordraagende dat men ingevolge het geresolveerde op den 9 en 10 deeser maend, soo wel in vergadering van heemraden als chrijgsofficieren, [2] hadde goedgevonden met het uijttesendene commando op den vagabondeerende Barbier en eenige zijner aanhangelingen soo lang in te sien, tot tijd ende wijle eenige heemraden die vlugtelingen souden soeken te beweegen om den oproerigen Estienne Barbier te verlaaten, naar herwaerts op te komen, en sig te onderwerpen, en vroeg verders aan de gesamentlijke leeden deeser vergadering af wat deselve ofte eenige van dien ten deesen subjecte ter uijtvoeringe gebragt hadden, waerop door den heemraad, monsr. Johannes Louw Pietersz, geantwoord wierden dat hij op den 12 deeser aan den burger Hannes Ras [3] versogt hadde dat bezorgen wilde datter seekere vier persoonen dewelke sig met eenige andere bij Barbier ophielden (uijtgesondert Barbier selfs) wilden koomen ten huijse van den heemraed, monsr. Hendrik van der Merve, [4] en zulx op Dingsdag den 17 deeser maand, als wanneer hij daar weesen soude om met deselve over eenige saaken die haar ten hoogsten betreffende waaren, te spreeken, dat gem. Hannes Ras ook aengenoomen hadde die boodschap te doen.

Werdende hierop door de heemraaden van Drakensteijn mitsgrs. den capn., monsr. Theunis Bota, insgelijx berigt gedaan dat op den 17 voormt. ofte ter bepaalder tijd, omtrent het huijs agter de wijngaart van monsr. Van der Merwe in plaetse van die vier ontbodene persoonen gekoomen zijn den voorn. Estienne Barbier, bij sig hebbende deese volgende manschappen, namentlijk Lodewijk Putter, Hendrik Ras, Jan Olevier Cornelisz, [5] Andries van der Walde, Sijbrand van Dijk, Jan Jacobsz [6] van de Caab, Gerrit van Schalkwijk, [7] Gerrit van Wijk, [8] Christoffel van Wijk, [9] Arnoldus Basson [10] en Frans Campher, alle te paard met volle monteeringe, sendende den voorn. Sijbrand van Dijk te paard naar het huijs van gem. Van der Merwe met [11] die boodschap d[at] die menschen dewelke men ontbode[n] hadde, teegenswoordig agter desselfs wijngaart waaren, dog dat zij niet nader durfden koomen, als bevreest zijnde dat mogten gevangen genom[en] worden door eenige manschappen die ër ergens verborgen mogten weesen, waarop sig naar derwaerts begeeven hebben de Drakenst[e]ijnse heemrade[n] mitsgrs. den capn. Theunis Bota, siende als doen dat die menschen van haare paarden afgeseeten waaren en agter de bosjes lagen, koomende hierop haarlieden te gemoed den meergem. Estienne Barbier, seggende dat die luijden met hem hier gekoomen waaren om te weeten of te vrunden voor haer souden spreeken, dat pardon mogten bekoomen, werdende hierop door haer geantwoord van ja, en door gem. Barbier gerepliceert of zij dan voor hem ook wilden spreeken, daar deselve ten antwoord op gaven dat zij met hem niet te doen hadden, en hij Barbier weederom op seijde: soo indien ik geen pardon verkrijg, dan sal ik alles vermoorden, motjes, nigtjes en neefjes, en de huijsen in brand steeken.

Werdende hierop door gem. heemraden die menschen aen het huijs van Van der Merwe versogt, koomende als doen ook daar ter plaatse den heemraad, monsr. Johannes Louw Pietersz, dewelke aan die in huijs zijnde persoonen met haare geweeren, uijtgesondert een of twee die bij de paarden bleeven, in presentie van Barbier voorhield dat zij qualijk deeden van sig soo te laten misl[e]ijden van soo een vagabond en drosser als hij Barbier was, dewelke niets anders sogte als haar tot het uijtterste ruin[e] te brengen, dat voorts de andere presente heemraaden haar uijtterste best hadden gedaan van die luijden te vreede te stellen en haar aan te raaden dat zij sig van dien drosser moesten absenteeren; waarop den voorn. Estienne Barbier eenige assurante woorden teegens den voorn. captn. Louw geuijt en onder anderen gesegt heeft dat hij een duijmdraaijer [12] was en het met de land-drost hield, werdende hierop door gem. Louw geantwoord: dat segt mij een canaille.

Hebbende gem. monsr. Louw en verdere heemraaden door eenige woorden en weeder woorden nog wijders gesogt die menschen van Barbier af te trecken, tot dat eijndelijk door eenen Arnoldus Basson daarop ten antwoord was gegeeven: wij verlaten hem niet, en als wij vrij zijn, dan moet Barbier ook vrij zijn; zijnde voorm. persoonen vervolgens naar nog eenige reedenen gevoert te hebben, met gem. Barbier daarvandaan gereeden onder belofte dat geen quaad souden komen uijt te voeren tot tijd ende wijle dat besch[e]ijd hadden bekoomen of souden gepardonneert worden of niet, versoekende dikwilsgen. Barbier particulier dat voor hem ook pardon mogte versogt worden.

Ook wierd door monsr. Bota en Charrel Marrais nog berigt gedaan dat de koster van Drakensteijn, Jan Melchior Frik, op Maandag den 16 deeser bij haarl. ten huijse van Marrais voormt. gekoomen was en voorslag gedaan hadde dat voorseijde Estienne Barbier op dien eijgensten dag met eenige zijner aanhangelingen voor de kerk van Drakensteijn verscheenen was en het placcaat hetwelk ter ordre van de Caabse Regeering aldaar was aangeplakt, hadde afgenom[en,] seggende teegens gem. Frik: bewaard die spijkers soo lang; dewelke hij dae[r] uijt de muur trok en waarmeede hetselve aangeplakt was, tot dat ik deselve weederom sal koomen afeijsschen; begeevende sig hierop gem. monsr. Bota en Marrais naar den burger Hannes Ras, alwaer zij den gem. Barbier met eenige zijner bij sig hebbende manschappen aantroffen, dewelke hem afvroegen wat reedenen hij Barbier hadde om sulke stoutigheeden te begaen en het placcaat hetwelk door onse Heeren en Meesters ordre daer ter plaatse aangeplakt was, af te neemen, waarop denselven ten antwoord gaf dat hij het afgenoomen hadde om een copij van te willen hebben, dat hij ook onder dat placcaat nog iets onderschrijven en als dan weeder aanplacken soude, betuijgende den heemraed, monsr. Pieter Booijens, gesien te hebben dat door gem. Barbier en eenig bij hem hebbend gewapend volk het gem. afgenoomene placcaat op den 17 deeser des agtermiddags, ter plaatse waer het gestaen heeft, weederom is aangeplakt geworden, sonder egter daar iets bijgeschreeven te hebben; waarop door den landdrost aan de gesamentlijke leeden deeser vergadering afgevraegt wierde wat sijlieden als nu oordeelden dat tot stuijtinge van diergelijke enormiteijten best diende gedaen te worden; waarover gediscoureert en op het een en ander met aandagt gelet geworden zijnde, is goedgevonden om hiervan ae[n] de Caabse Regeeringe ten eersten de verschuldigde kennisse te geeven, hetwelk door den land-drost die sig ten dien eijnde met eenige gecommitteerde heemraden Caabwaerts staat te begeeven, sal verrigt worden, om hierop verders Haer Ed. Agtb. geeerde ordres af te wagten.

(Onderstond) Accordeert, (was geteekent) D. G. Carnspek, [13] secretaris.

Welk schriftuur met aandagt geleesen en bovensdien het mondeling advi[e]s van land-drost en heemraaden gehoord, mitsgrs. aengemerkt zijnde wat moeijelijkheeden men soude te wagten hebben wanneer Barbier te gelijk met de door hem verleijde menschen in dit wijd uijtgestrekte land, door het uijtsenden van commandos, en dus met geweld van waapenen, souden moeten opgesogt en agterhaald werden, nademaal zij met het land in te trecken dit uijtgesondene volk (dat men uijt de militie deeses Casteels soude moeten neemen, ten aansien deese opgeruijde landbouwers aan veele andere bevriend zijn, en dat men die overzulx hiertoe met geene gerusth[e]ijd soude kunnen gebruijken) soodanig souden afmatten, dat hetselve niets ter weereld soude kunnen uijtregten, behalven nog dat wanneer zij aan de eene kant agtervolgd wierden, zij sig, als wackere ruijters en schutters sijnde, eer men haar op de hielen kon sitten, als zij daartoe geneegen mogten zijn en Barbier bleeven aanhangen, weeder groot quaad soo wel met moorden, branden als andersints souden kunnen doen, gelijk dien schurk bereijts de assurantie heeft gehad sig soodanig teegens de Drakensteijnsse [14] heemraaden, na het geene in haaren bevoorens geins[e]reerde resolutie genoteert is, uijt te laaten; om alle hetwelke soo veel doen[e]lijk te prevenieeren en dit quaed op de sagts[te] wijse in zijne geboorte te doen smooren, is derhalven goedgevonden dat aen den geene of die geenen, het zij een, thien of mee[r]der in getal, dewelke den oproerigen Estienne Barbier in handen van de justitie koome[n] over te leeveren en herwaerts op te brengen, pardon sal worden verleend van het geene zij soo ten belange van het ruijlen van vee met de Hottentots, het beschicken van waagens of andere saaken tot het doen deeser ruijlingen, als ook in opsigt van den voorseijden oproerigen Barbier tot nu toe te versellen, souden moogen misdreeven hebben; sijnde boovensdien de hier in arrest sittende landbouwers, Matthijs Willemsz en Pieter de Bruijn, in vergaderinge binnen geroepen, dewelke in presentie van land-drost en heemraden hebben betuijgd bereijd te zijn haar best meede te sullen doen om dikwilsgen. Barbier in handen te krijgen en aan de justitie over te geeven, ten welken eijnde zij hebben aangenoomen land-drost en heemraaden in alles te sullen gehoorzaamen, en op welke conditie zij uijt haar arrest en van de straffen tot haare gepleegde misdaaden staande, ontheft en ontslaagen geworden zijn, met bedr[e]ijginge nogtans dat bij aldien zij haar woord hierin niet houdende, in teegendeel sig bij Barbier en zijne hardneckig blijvende aanhangelingen souden moogen begeeven, zij als dan wanneer men haar weeder in handen krijgt, dubbelde straffe sullen ondergaan moeten.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz.
D. V. D. HENGHEL.
HK. SWELLENGREBEL.
J. T. RHENIUS.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
R. TULBAGH. Rt. en Secrets.
MNS. BERGH.
CORNS. EELDERS.

 


Notes.

[1] Kyk C. 356 Attestatiën: uittreksel uit notule van landdros en heemrade, 19.3.1739, pp. 153-161.

[2] Kyk C. 356 Attestatiën: uittreksel uit notule van landdros en heemrade, 9.3.1739, pp. 121-125 en uittreksel uit notule van landdros en burgerkrygsraad, 10.3.1739, pp. 129-130.

[3] Johannes Ras (1698-1768) was die seun van Nicolaas Ras en Maria van Staden. Sy vrou, Anna Magdalena Senekal (1701-1788), was 'n suster van sy broer Hendrik se eerste vrou.

[4] In die Haagse kopie staan ook Hendrik van der Merve.

[5] Johannes Cornelis Olivier (1692-21.8.1764) was die seun van Ocker Cornelisz Olivier en Aletta Verwey. Hy is op 12.2.1730 met Cecilia du Preez (1713-11.4.1781) getroud.

[6] Hy is op 2.1.1718 in die Drakensteinse kerk met Anna Agneta Pietersz van die Kaap getroud.

[7] Hy was 'n seun van Dirk van Schalkwyk en Martha Olivier en was getroud met Marie Prevot, die weduwee van Gerrit van Wyk.

[8] Gerrit van Wyk (1714-1787) was die seun van Arie van Wyk en Anthoinetta Campher. Hy is op 2.11.1738 met Maria Magdalena Eckhoff (1721-1776) getroud. Met sy dood het hy op 'n plaas in die Roggeveld geboer.

[9] Christoffel van Wyk (1719-1769) was 'n jonger broer van Gerrit van Wyk (vgl. voetnoot 103 van 1739 hierbo). Hy was getroud met Sophia Campher.

[10] Arnoldus Johannes Basson (1702-1742) was 'n seun van Johannes Basson en Zacharia Visser. Hy is op 18.8.1740 deur die Raad van Justisie weens ongehoorsaamheid aan die wet verban en het met die retoervloot van 1741 na Nederland vertrek. Die volgende jaar het hy as matroos en onder die naam van Adriaan Batters op die Sara Jacoba na die Kaap teruggekeer, maar hy is op die reis oorlede. Sy weduwee, Catharina Olivier, is weer op 2.12.1742 met Pieter du Plessis getroud.

[11] Die gekursiveerde woord is tussen die reëls bygeskryf.

[12] Dit is nie duidelik wat die betekenis van duijmdraaijer is nie. Een woordeboek vermeld egter die uitdrukking draaijen op den duijm, wat beteken bestieren naar zijnen wil. Vgl. Het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten: Uitlegkundig Woordenboek op de Werken van Pieter Corneliszoon Hooft 1, pp. 244-245.

[13] Daniel Godfried Karnspek van Rügenwalde in Pommere was die seun van Christoph Lucas Karnspek en Judith Flesch. Hy het in 1721 as soldaat na die Kaap gekom en nadat hy sedert 1724 'n assistent was, het hy in 1731 die sekretaris van die landdros en heemrade van Stellenbosch geword. In 1739 word hy sekretaris van die Raad van Justisie, maar op 17.9.1743 tree hy as gevolg van swak gesondheid uit die diens en word 'n vryburger. Hy is op 9.5.1728 met Olof Bergh se dogter, Johanna Magdalena, getroud. Karnspek is in Julie 1747 oorlede.

[14] In die Haagse kopie verbeter na Drakensteijnse.