Dingsdag den 2 Junij 1739, voormiddags.

Alle present.

Is ter vergaderinge geleesen het verleende rapport bij den oud burgerraad, Johannes Cruijwaagen, weegens het voorgevallene op de togt door hem ter ordre deesen Regeering ondernoomen teegens de Hottenttotten [1] sorteerende onder de Bosjesmans natie, het welk is bevonden te zijn van den volgenden inhoud:

Rapport aan den Wel Edelen Gestr. Heere Hendrik Swellengrebel, Gouverneur van Cabo de Goede Hoop &a. &a., beneevens den

E. Agtb. Politicquen Raad.

Wel Edele Gestr. Heer en E. Agtb. Heeren,

Van Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. welbehaagen geweest zijnde mij ondergeteekde. te ordonneeren ende te qualiflceeren om met soo veel manschap uijt deese burgereij [2] als ik daartoe noodig soude hebben, te gaan vervolgen ende te keer te gaan de soodanige Hottentotten uijt de Bosjesmans natie, dewelke over eenige tijd geleeden het vee van sommige landbouwers ten platten lande woonende, met geweld geroofd, eenige wooningen in brand gestooken, mitsgrs. twee Europeanen vermoord en twee a drie slaven weggevoert hadden; ben ik ondergeteekde. in schuldige naarcoominge van dien op den 28 der jongst afgeweekene maand April met ende beneevens de landbouwers Mattheus Willemsz, Pieter van Taak [3] en Jan Olivier van de Caab naar de Tijgerbergen gereeden; onderweegen vooraf naar het Roodesant [4] sendende gen. Jan Olivier om de persoonen vermeld in de commissie door Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. op mij verleend, te weeten de geenen die soo van de Kl[e]ijne en Groote Namacquas Hottentotten vee hebben geruijld, als de persoonen dewelke den sergeant Estienne Barbier in desselfs omswervingen souden bijgestaan hebben, te commandeeren dat zij met volle waapenen sig souden hebben te begeeven op de plaats van den landbouwer Hendrik Cruger, aan de Picquetberg geleegen, alwaar den onderget. bij haar soude koomen en deselve informeeren van de gunstige resolutie bij Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. ten haaren subjecte genoomen.

Sijnde ik onderget. daags daaraan met bovengen. persoonen, behalven den vooruijtgesondene Jan Olivier, mitsgrs. de burgers Burgert van Dijk, [5] Claas van Wieling, [6] Hendrik Greef [7] en Jan Mostert, [8] dewelke mij in de Tijgerbergen waaren koomen vinden, vandaar naar de Groene Cloof gereeden, daar ik vond d' onlangs hier aan de Caab geweest zijnde Hottentotten, sorteerende onder de Kl[e]ijne Namacquas en Bosjesmans natie, van dewelke volgens Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. ordre door mij zijn afgenoomen geworden 29 beesten die haar (op het vals voorgeeven dat deselve haar souden toekoomen en een gedeelte quamen uijt te maaken van het van haer geroofde vee) waaren afgegeeven geworden, welke 29 beesten ik aan 's Comps. posthouder aan de Groenecloof heb overgegeeven; op den 30 dier maand April hebbe ik mij onderget. van de Groenecloof na de Groene Rivier [9] begeeven, en daar bij de eevengen. Hottentotten gevonden hebbende drie en tagtig beesten, zijn deselve door mij van haarl. afgenoomen en aan den bovengen. posthouder insgelijx afgegeeven, behalven 10 draagossen en 5 slagtbeesten, dewelke haar gelaaten zijn, en hebbe wijders die Hottentotten geordonneert dat zij sig naar haare coraal, leggende agter de Picquetberg in de Lange Valleij, [10] souden begeeven, met verseekering dat wanneer zijl. geen quaad kwaamen te doen, haarl. ook geen quaad soude weedervaaren, werdende mij daarop door twee van die Hottentotten, gent. Swarte Booij en Charmant (alias) Titus, om twee snaphaanen te koop of te ruijlen gevraagt, onder voorgeeven dat zij daarmeede oliphanten souden doodschietten, [11] het welk ik haar egter om reedenen geweijgert heb, hebbende tot voorcooming van alle ongelucken de gem. Hottentotten door twee knegts van mij, gent. Jan Pietersz [12] en Hans Hendrik, [13] mitsgrs. nog een van den oud burgerraad Hendrik Oostwald Eksteen, gent. zijnde Jan Alt, doen geleijden naer de plaats van Jacobus Smit, [14] alwaer ik met voorm. Mattheus Willemsz, Pieter van Taak en een ondermeester, genaamt Pieter Pietersz, [15] teegens den avond aangekoomen ben, zijnde de andere bovengen. landbouwers op mijn ordre naar huijs te rugge gekeert.

Vrijdag den 1 Maij ben ik van de plaats van Jacobus Smit, naar desselfs drie soons geordonneert te hebben dat zijl. de drie voorwaartsgen. knegten souden versellen tot aan de Lange Valleij, naar die van de wed. Gerrit van Wijk, [16] aan de Picquetberg geleegen, gereeden, ter welker plaatse ik vond den landbouwer Hendrik Cruger, aan wien ik kennisse gaf van het geen door Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. ten faveure der in den hoofde deeses gem. veeruijlders en andere was beslooten, en hem vervolgens ter handen gesteld hebbende de diesweegens opgemaakte resolutie, gaf ik denselven last dat hij daarmeede desselfs swager, gent. Gerrit van Wijk, [17] sou senden naer de Vier en Twintig Revieren, [18] om de aldaar woonende landbouwers dewelke meede in die saak ingewikkelt waaren, daarvan te verwittigen en wijders deselve neevens soo veel landbouwers meer als daar omstreex souden te vinden weesen, te waarschouwen dat zijl. wel gewaapent zijnde, mij souden hebben koomen te vinden op de plaats van den meergem. Hendrik Kruger, om mij in de te doene expeditie teegens de bewuste Hottentotten bij te staan.

Saturdag den 2 dito, naar een waagen met de burgers Pieter van Taak en Mattheus Willemsz voorafgesonden te hebben naar de plaets van den burger Steven ten Holder, [19] om aldaar kruijt en loot te haalen, heb ik mij begeeven naar de plaets van gedagten Hendrik Cruger, alwaar teegens den avond bij mij te rugge kwamen de twee eevengen. persoonen, meede brengende kruijt en loot.

Des Sondags den 3 do. op gemelde plaats naar het ontbodene volk gewagt hebbende, sijn des anderen daags, zijnde Maandag den 4 do., aldaar bij mij gekoomen de volgende persoonen, als Sijbrand van Dijk, Pieter de Bruijn, Frans Campher, Willem van Wijk, Christoffel van Wijk, Gerrit van Wijk, Lodewijk Putter, Hendrik Ras, Jacobus Gildenhuijsen en Gerrit Schalkwijk. Alle welke persoonen, als zijnde deselve voor een gedeelte bij het ruijlen van vee bij de Kl[e]ijne en Groote Namacquas present geweest en eensdeels van de geene die den sergeant Estienne Barbier in desselfs omswerving geaccompagneert hebben, ik de mij gegeevene resolutie ten haaren faveure genoomen heb voorgeleesen en daarbij in kragtige termen afgevraagd of zij niet geneegen souden zijn sig te onderwerpen aan het geen van haarl. daarbij gerequireerd wierd en mij wijders bij het aandoen der dikwilsgen. Hottentotten bij te staan, het geen zij eenpaariglijk niet alleen hebben beloofd te sullen doen, maer ook dat zij sig voortaan stil in haare huijsen souden houden, en den gem. Barbier laaten vaaren, sonder sig voortaan met hem in geenen deele te bemoeijen; sijnde behalven de genoemde persoonen mij ter plaatse van den dikwilgsen. landbouwer Hendrik Cruger nog koomen vinden verscheijde andere en zijn door mij uijt alle de boovengen. landbouwers 14 stux na de Oliphants Rivier afgesonden om te verneemen wat quaad de Hottentotten aldaar mogten hebben gepleegt, hebbende mij met d' overige begeeven naar de plaats van de Heer Johannes Swellengrebel, vanwaar ik des anderen daags, zijnde geweest den 5 dier maand Maij, gereeden ben naar de plaats van den landbouwer Jurriaan Hanecam, [20] alwaar ik den 6 do. halt hield om in te wagten den landbouwer Albert van Zijl, [21] dien ik gesonden had naar de posten van den burger Jan Engelbregt, [22] welken Albert van ZijI bij zijn te rug komst mij berigtede dat de Bosjesmans ter dier plaatse alle de kisten open gebrooken hebbende, alles wat sig daarin bevond, daaruijt genoomen en weggedraagen hadden.

Donderdag den 7 do. bij de te rugkomst van eenige uijtgesondene manschap vernoomen hebbende dat op de door meergem. Bosjesmans afgeloopene plaats van den land bouwer Leendert Louw [23] sig nog een oude jongen in leeven bevond, en de daar besch[e]ijden geweest zijnde knegt voor de deur van het huijs dood lag, gelijk ook dat in de kraal gesien wierden eenige doodgestookene beesten en een paard, ben ik des anderen daegs den 8 dier maand, met mijn bijhebbende manschap, des morgens vroeg daarna toe gereeden en naer het lijk van dien knegt ter aarde te hebben doen bestellen, heb ik bij een doen versamelen omtrent 1000 schaapen en 38 beesten die daar van malkanderen verstrooijt waaren; en soude volgens het seggen van dien landbouwer Leendert Louw van het rundervee 70 stux, mitsgrs. 500 schaapen nog weg zijn, sijnde mij als doen door boovengenoemde oude jongen berigt dat op seekeren tijd daar ter plaatse een getal van omtrent [24] een hondert Hottentotten gecoomen zijnde, dien vermoorden knegt een van deselve, die het vee uijt de kraal neemen woude, en hem ook met een assagaaij gedr[e]ijgt had, heeft doodgeschooten, waarop de andere de vlugt van daar naamen, dog des anderen daags met 5 Hottentotten haar in het Bocken Land [25] onthoudende, dewelke met snaphaanen gewaapend waaren, neevens den broeder van den doodgeschootene Hottentot te rug gekoomen zijnde, deselve als doen dien knegt hadden [26] vermoord, en vervolgens uijt het huijs genoomen seeven geweeren, mitsgrs. het kruijt, loot en andere goederen die sijl. in de door haar opengekapte kisten vonden, boven hetwelke deselve Hottentotten vandaar met haarl. nog weggevoerd hadden twee jongens op die post bescheijden en het vee, soo groot als kleijn, dat vermist wierd.

Saturdag den 9 do. heb ik 14 man naar d' Oliphants Rivier gesonden om te gaan verneemen of sig aldaar geen Bosjesmans onthielden, en wijders om naa te speuren of men daaromtrent het spoor van groot vee niet soude vinden, van welke persoonen bij haar te rugkomst gehoord heb dat sij geen Bosjesmans vernoomen, maar wel het spoor van runderen ontdekt hadden, sijnde onderwijl mij op die post koomen vinden de volgende persoonen, te weeten Augustus Lourense, Jan Goes, Andries van der Walde, Arnoldus Basson, mitsgrs. den voorafgesondene Jan Olivier, die naar het hooren leesen van het meergem. besluijt, sig meede goedwillig daaraen onderworpen hebben, met belofte van sig soodanig te sullen gedraagen als haar boovengem. mackers; met welke manschap en nog andere landbouwers die ik inmiddels bij mij gekreegen had, het onder mij staande commando is aangegroeijt tot een getal van 36 coppen.

Sondag den 10 do. met het aanbreeken van den dag sijn wij over de Oliphants Rivier gereeden na de veepost van Jan Olivier, hebbende onderweegens twee maagere koeijen gevonden, dewelke door de Bosjesmans in haar wegloopen agterweegen gelaaten waaren, en heb daags daaraan, sijnde geweest den 11 dier maand, bij mijn aankomst op de plaets van den landbouwer Thobias Mostert [27] van mijne op kondschap uijtgesondene Hottentotten gehoord dat zij omtrent de plaats van den landbouwer Arnoldus Basson een schoot hadden hooren doen, en voorts de spooren van vier Bosjesmans ontdekt, op welk berigt ik op Dingsdag den 12 do. 21 man met 9 Hottentotten van mij afsond met ordre dat zijl. het spoor dies Bosjesmans souden navolgen, en dat zij haar vervolgens souden hebben te begeeven naar de veepost van den landbouwer Hendrik Cruger, in het soogenaamde Bockevelt geleegen, alwaar ik van voorneemen was haar te sullen komen vinden, sijnde ik naar het weggaan van die menschen, met de overige oostwaards getrocken om te sien of ik aan die kant niets souden kunnen ontdecken, en ben dien nagt in het velt verbleeven.

Den 13 en 14 do. mij daar in 't velt in een spelonk stil houdende terwijl 2 man van mijn volk met 3 Hottentots naer het gebergte op ontdeckinge uijt waaren; kreeg ik van deselve bij haar te rugkomst berigt dat zij daaromrent wel eenige craalen van Hottentots gesien hadden, dog geen mensch daarin gevonden, en dat het spoor dier wilden naar de soogenaamde Doornrivier [28] liep, waarnatoe des anderen daags, zijnde den 15 do., eenige manschap sond, van dewelke vernam dat zij bij die rivier niets ontdekt ofte gesien hadden, waarom ik mij van mijn legplaats naar d' Uijekraal begaf, waarvandaan den 16 do. mijn reijs voortgeset heb tot op de post van den landbouwer Sijbrand van Dijk, in het Bockenvelt geleegen, ter welker plaatse ik sag dat het daarop gestaan hebbende opstal gelijk ook de waagen en de bootervaaten verbrand, mitsgrs. de coornmiet vernielt waaren, dat door de Bosjesmans soude zijn geschied, booven hetwelke een groot gedeelte van het schoon gemaakte coorn tusschen de klippen verstrooijt lag, hebbende in de craal nog brandend vuur gevonden, het geen mij deed verhoopen dat ik die Hottentotten haast soude aantreffen, gelijk ik ook den volgenden dag, ofte den 17 dier maand, de craal van die Hottentotten in het gebergte vond, sonder door deselve ontdekt te werden, en heb mij dien nagt met de bij mij hebbende manschap, bestaande in 6 Europeanen en 4 Hottentotten, bij die craal stil gehouden, terwijl de overige agt persoonen van mijn commando op de plaats van Sijbrand van Dijk bij de waagen, die met kruijt en loot gelaaden was, wagt hielden.

Maandag den 18 do. soo draa 't dag was geworden, mij met mijn volk tot digt bij der Hottentotten craalen begeeven hebbende, wierden wij door 't blaffen van haare honden van deselve ontdekt, en hoorden haar met eenen roepen: den oorlog word ons door de duijtsen aangedaan, sij zijn hier bij de craal; en ook dat een Hottentots wijf teegens haer man seijde: schiet net; op hetwelke ik met mijn volk op dier Hottentotten craalen ben ingevallen en den eersten schoot op een gat waarin ettelijke bij malkanderen waaren, doende, wierd op dat moment meede daaruijt een schoot op mij gedaan, werdende door de te rug stuijting van de koogel teegens de kolf van mijn snaphaan, waervan deselve stuckent brak in mijn linkerhand, seer swaar gequetst mitsgrs. een w[e]ijnig op de borst door een stuk van de cogel die daer teegen vloog, onder hetwelke door mijn onderhebbend volk braaf geschooten wierd op het gat daar die Hottentotten in schuijlden, presumeerende dat als toen eenige daervan swaer gequetst en dood zijn geschooten geworden, door dien wij in dat gat een groot gekerm hoorden, en naer dat uijt een ander gat nog een schoot op ons was gedaan, sonder dat egter i[e]mand van ons geraekt wierd, schooten die Hottentotten op ons met giftige pijlen, op het welke ik ordonneerde dat de gevondene beesten in de craal dier Hottentotten souden werden gejaagd naar de kant daar die pijlen vandaan quaamen en dat drie man agteraan loopende, terwijl drie andere op de klippen souden gaan staan om haar te beschermen, op die Hottentotten souden vuur geeven, om dus te sien haar geweer magtig te worden, en voorts dat men ook in de gaaten daar de Hottentotten in geborgen waaren, alsoo daaruijt niet meer geschooten wierd, soude ingaan; tot welk een en ander egter niemand van mijn volk konde resolveeren, voorgeevende dat zij bedugt waaren dat wanneer sij mij alleen quamen te laaten staan, ik soude doodbloeden, waarbij zij nog voegden dat het vrij beeter soude zijn dat wij met ses en veertig beesten daar in de craal gevonden ons vandaar te rug begaaven, sonder ons te kreunen aan een troep van omtrent 400 schaapen die nog in de craal waaren, sijnde deselve door die Hottentotten, volgens het seggen van Hendrik Cruger, gestoolen van den landbouwer Jochem Koekemoer, [29] denwelken de gemelde 46 beeste meede toebehoorden, en waarom ik ordre gegeeven heb dat hem deselve soude werden gerestitueert; siende dan dat mijn manschap, het zij uijt vreese voor die Hottentotten, ofte uijt bekommeringe voor mijn persoon, te rug wouden keeren, ben ik genoodsaekt geweest om mij met deselve te begeeven naar onse waagens, alwaar ik mij selfs, vermits de meede gegaane ondermeester sig bij 't ander commando bevond, verbonden hebbe, naar hetwelke ik mij op weg begaf naer de plaats van den landbouwer Sijbrand van Dijk, om te sien of ik volgens genoomene afspraek daar het ander commando soude vinden, koomende mij soo als digt bij die plaats was genaadert, ses man daarvan bij, van wien ik vernam dat de landbouwers Jan Goes, Jan Olivier Cornelisz en Gerrit van Wijk Arijsz drie daagen bevoorens in het aandoen van eenige Hottentotten dewelke sig in seeker gebergte bij het Bockenvelt leggende, ophielden, waaren gequetst geworden, dog dat zij in de craal van die wilden 100 beesten en 500 schapen bekoomen hadden, waarvan een gedeelte den landbouwer Thobias Mostert en het andere den burger Leendert Louw toequam, sijnde mij ook door de bovengen. ses persoonen als toen berigt dat daags naardat zij met die Bosjesmans doende waaren geweest, de posten van de landbouwers Jochem Koekemoer en van Hendrik Kruger, op welken laatsten sig omtrent 100 mud coorn bevonden, door deselve Bosjesmans in brand waaren gestooken, waarvan ik de dampen op deesen dag nog sag opgaan; naar dat bekoomene berigt die ses persoonen afgevraegt hebbende waer de gequets[t]en neevens den ondermeester sig bevonden, gaven mij deselve ten antwoord dat zij met een waagen van Albert van Zijl naar de Verloorenevalleij [30] waaren vertrocken, waarna toe het van de Hottentots afgenomene vee weggedreeven wierd, ende gemerkt door het vertrek van dien ondermeester ik mij sonder hulpe bevond, en ook geen manschap genoeg bij mijn had om de Hottentotten van dewelke ik gequetst ben geworden op nieuws te kunnen attacqueeren, moeste ik teegens wil en dank resolveeren om te rug te keeren; sijnde dien dag op de plaats van Sijbrand van Dijk verbleeven, van welke plaats ik des anderen daags, zijnde geweest den 19 do., naar een man vooraf naar den ondermeester gesonden te hebben, om denselven te laaten versoeken dat hij mij te gemoed wilde koomen, ben vertrocken, sijnde twee daagen daarna, of op den 21 do., gearriveert op de plaats van Jan Olivier, daar de ondermeester bij mij quam, denwelken mij den volgenden dag verbonden heeft; dien dag eenige manschap gesonden hebbende naar de Oliphantsrivier om te verneemen of de opstallen aldaer nog stonden en wat schaade daaromtrent mogte zijn voorgevallen, ben ik voorts naar de plaats van Leendert Louw gereeden, daar ik een van de wegvervoerde slaven van Thobias Mostert vond, die volgens zijn seggen van de Hottentots waarmeede de manschap van het ander commando in actie is geweest, was weggeloopen, welken jongen op mijn afvraaging seijde dat die Hottentotten bij sig 6 snaphaanen hadden en datse wel voorsien waaren van kruijt en loot, en voorts dat die Hottentotten hadden beslooten niet alleen meer vee te koomen rooven, maar ook d' Europeanen die zij souden ontmoeten, te vermoorden, mitsgrs. dat zij om niet verrascht te worden, des nagts goede wagt hielden, en bij dag d' engtens waardoor de Duijtsen moesten passeeren besetteden, hebbende dien jongen mij wijders gesegt dat die Hottentotten een gedeelte van het vee door haar van zijn baas, en van den landbouwer Leendert Louw gestoolen, hadden geslagt en het ander onder haer natie verdeelt, en ten laatsten dat d' andere slaaf van zijn lijfheer twee daagen voor hem meede van de Hottentotten was weggeloopen, en alsoo het gesegde en gedoente van dien slaef mij wat vreemd voorquam en ik groote suspitie kreeg of denselven niet wel mogte gesonden zijn om te spioneeren, liet ik hem eenige slaagen geeven om agter de waarh[e]ijd te koomen, dog konde van denselven niets meer verneemen als reets gemelt is.

Op Vrijdag den 22 bij Jurriaan Hanecam des nagts gerust hebbende, kreeg ik des anderen daags 's morgens vroeg een brief van Albert van Zijl, waarbij mij berigt wierd dat in den gepasseerden avond hem desselfs vee was afgenoomen geworden door de Hottentotten Swarte Booij, Charmant (alias) Titus, mitsgrs. nog 9 Hottentotten van de Kleijne Namacquas natie, dewelke behalven dat nog desselfs beestewagter en een van desselfs snaphaanen weggenoomen hadden; op welke tijding ik neegen man gecommandeert heb om die Hottentotten te vervolgen, haar meede geevende een wagen met loot, kruijt en provisien gelaaden, met ordre dat zij voorschreeven Albert van Zijl niet souden hebben te verlaaten voor dat andere manschappen haar quaamen af te lossen, voorts heb ik dien ochtent nog tijding gekreegen dat Jan Goes daegs bevoorens aan 't ontfangene quetsuur was gestorven en op de plaats van Abraham Mouton [31] begraaven; dien dag mijn reijs vervorderende naar de plaats van den burgerraad Jan Hendrik Hop, quam mij een w[e]ijnig voor mijn aenkomst aldaar een Hottentot teegens, denwelken ik afvroeg waarvandaan hij quam, waarop denselven antwoorde van desselfs craal, leggende aan de Oliphantsrivier, waarin zij hun met haar sessen sterk bevonden, en voorts dat hij ging naar de post van gemte. Jan Hop om te sien aldaer tabak en dagha te bekomen; dien Hottentot wijders afgevraegt hebbende wie den autheur was van al het quaad dat door zijn natie gepleegt wierd, gaf mij denselven tot antwoord Charmant (alias) Titus, Swarte Booij, Pokkebaas Claas en Jantje Keekelaar, op het welke ik denselven voorhield dat zulx niet konde weesen, terwijl die Hottentotten sig aan de Caab bevonden, daar dien Hottentot op repliceerde dat de eevengem. vier Hottentotten sulx aan haer natie aan de hand gegeeven hadden ten tijde dat den substituijt land-drost [32] sig in het Bockenvelt bevond om van de aldaar woonende landbouwers haar vee af te haalen, en dat zij Hottentotten als doen beslooten hadden dat soo draa gem. substituijt het boovenstaande verrigt hadde en haarl. afgegeeven zijn soude, het hun beloofde vee, sij bij haar te rugkomst de uijtterste veeposten souden aandoen, de mans vermoorden, de vrouwen wegvoeren en het buscruijt en loot meede genoomen hebbende, sij sig in 't vervolg bij malkanderen craalsgewijse souden houden; sijnde ik des anderen daags, den 24 do., gereeden naar de plaets van Hendrik Cruger, alwaar ik de manschap van het ander commando met het van de Hottentots afgenoomene vee, bestaande in 103 beesten, mitsgads. 530 schaapen vond, hebbende ter dier plaatse den veldcorporaal Alewijn Smit [33] belast dat hij 20 man soude commandeeren om de geene die sig bij Albert van ZijI bevonden te gaen aflossen en gedagte Van Zijl de behulpsaame hand te bieden.

Maandag den 25 do. heb ik Hendrik Cruger geordonneert dat hij van het te rug gekreegene vee van de Hottentotten dat zig reets op zijn plaats bevond, gelijk ook van het geene dat nog stond te koomen, met de waagens soude afgeeven aan de landbouwers Thobias Mostert, Jochem Koekemoer en Leendent Louw, het geen soude werden bevonden haar daarvan toe te koomen, en dat soo ër eenige beesten of schaapen van andere menschen daaronder mogten zijn, dat hij die ook aan de eijgenaars soude laaten volgen en voorts aan de Hottentotten die ons de behulpsaame hand gebooden hadden, voor haar moeijte i[e]der een beest te geeven, mits dat zij eerst het commando dat naar Albert van ZijI stondt te gaan, souden moeten adsisteeren, en ten laatsten dat hij het geen dat daarnaer soude koomen over te schieten, moeste bewaaren tot dat door den Edelen Heer Gouverneur daeromtrent ordre soude zijn gesteld; die beschickingen dus door mij gedaan zijnde, quam bij mij te rug den ondermeesten, dewelke naar de plaats van Abraham Mouton was geweest om Jan Olivier aldaar te verbinden, van wien ik een brief kreeg door den landbouwer Jacobus Louw [34] Jacobsz aan mij geschreeven, tot kennisgeeving dat hij presumeerde dat een gedeelte van de Hottentotten die het vee van Albert van Ziji hadden weggenoomen, ook loerden om dat van Jacob Cloeten en Jan Engelbregt te rooven, zijnde mij ook door den burger Pieter van Taak berigt dat terwijl ik mij in het Bockeveld bevond, de veepost van gem. Jacob Cloeten door de Bosjesmans was afgeloopen en dat deselve het coorn dat aldaar gevonden hadden met draagossen vandaar hadden weggevoerd, en door dien door mij reets ordre was gesteld om te keer te gaan de Hottentotten die sig omtrent de plaats van Albert van Zijl vertoont hadden, heb ik mijn reijs herwaarts voortgeset, alwaar op den 27 deeser maend Maij gearriveerd ben.

Behalven het geen dat van 't geroode vee door de Bosjesmans weederom bekoomen is, soude volgens opgaaf der landbouwers Jochem Koekemoer, Jan Jacobus Gildenhuijsen, [35] Daniel Walters [36] en Augustus Lourense daarvan nog mancqueeren 323 beesten en 1900 schaapen; ook is niet te beschrijven in welken consternatie de menschen ten platten lande woonende, sig door den inval en roovinge dier Bosjesman bevinden, sijnde de schrik en vrees voor deselve so groot, dat om voor haar woede niet blootgesteld te zijn, de bruijkers van agt en vijftig veeposten deselve gantsch en al verlaaten hebben.

Naar Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. volgens pligt rapport gedaan te hebben van 't geen mij op de boovengem. togt ontmoet is, en van den staat waarin sig de menschen daar te lande woonende bevinden, sal ik in verwagtinge dat zulx door Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. niet qualijk sal werden geduijt, de vrijheijd neemen van hier ter needer te stellen het geen ik onder haar wijser oordeel denk dat tot stuijtinge van dat quaed dient in het werk gesteld te werden, bestaande daarin dat men hoe eerder hoe beeter nogmaals een commando uijt de inwoonders deeses Gouvernements met twee ondermeesters voorsien, teegens de meeraangehaelde Bosjesmans sal moeten afsenden, welke commando gekoomen zijnde omtrent de plaats alwaar men vermoeden sal deselve te zijn ofte te kunnen vinden, sig in tween sal moeten verdeelen, ider gedeelte aan het hoofd hebbende een goede officier, welke officieren die Bosjesmans des doenelijk so lang zullen moeten vervolgen en najaagen, tot dat deselve 't zij door geweld ofte gewillig 't geroofde vee neevens het geweer, kruijt en loot dat zij bij zig hebben koomen over te geeven en daarbij te belooven dat zij voortaan sig stil sullen houden en met de Europeanen in vreede leeven; sijnde den ondergeteekde. nog van gevoelen dat tot beeter bereijking van dat oogmerk en ook tot decking van de manschap die uijtgesonden sal werden, het ten hoogsten noodig soude zijn dat men op twee verscheijde plaatsen langs de Oliphantsrivier, te weeten aan het warme bad [37] en bij 's Comps. drift, [38] post deed vatten door eenige militairen uijt dit guarnisoen, als op ider plaets door een onderofficier met agt mannen, welke onderofficiers neevens haar bijhebbende soldaaten souden moeten werden geordonneert daar te verblijven tot soo lang dat de gecommandeerde burgers die Hottentotten tot reeden sullen hebben gebragt, ofte zij soldaaten daer gerequireert worden, en wijders dat deselve in cas van nood op de minste waarschouwing die haarl. diesweegens sal werden gedaan, de burgereij [39] en landbouwers sullen hebben te hulp te koomen, en ook ten algemeenen welzijn uijt te voeren dat geen waartoe zij door de burgerofficieren sullen werden versogt; daardoor sullen die uijt de burgereij, [40] weetende dat zij ten allen tijden sullen kunnen werden gesecuurreert, [41] met meer iver en moed teegens de Hottentotten vegten, en die Hottentotten door het besetten van die twee posten de geleegenth[e]ijd afgenoomen zijn om te kunnen vlugten.

- - - (Was geteekent) Js. Cruijwaagen. (In margine) Cabo de Goede Hoop, den 28 Maij 1739.

Waarover aandagtiglijk geraadpleegt, en daarneevens in overweeging genoomen zijnde dat wanneer teegens sulken boosen gedoente als dat dier Hottentotten niet met ernst wierde voorsien, men niet anders soude hebben te verwagten als dat deselve behalven 't geen sij reets gedaan hebben, nog meer quaad doende, het land hoe langer hoe meer souden komen te ontrusten, is derhalven beslooten dat tot stuijtinge van dien mitsgrs. om deselve naar verdienste te kunnen straffen, teegens die Hottentotten en haare adherenten die volgens ingekomene berigten nog dagelijx veel roverijen ten platten lande zijn bedrijvende, onder het opsigt van twee burgerofficieren, het zij capiteijns, lieutenants ofte vaandrigs, dewelke door den land-drost en burgerchrijgsraad daartoe de bequaamste sullen werden geoordeelt, ofte andersints door den land-drost hiertoe te nomineeren, een sterk commando uijt de inwoonders soo van Stellenbosch als Drakensteijn met den eersten sal werden afgesonden, waarbij sig zullen moeten voegen alle soodanige ingeseetenen van dit Caabse district als daaromtrent veeplaatsen in leeninge besitten, ofte wel dat zij i[e]mand hunnentweegen, het zij knegts ofte anderen, ten dien eijnde sullen moeten besorgen. Welk commando de eevengen. Hottentotten soo lang sal moeten agtervolgen en met geweld te keer te gaan tot dat van deselve het vee dat zij van deese ingeseetenen ten platten lande woonende, hebben geroofd, neevens het bij haar hebbende geweer, kruijt en loot weederom sal zijn bekoomen en dat zij Hottentotten daar en boven nog koomen te belooven dat voortaan met onse natie in vrede sullen leeven en haar geen molest meer aandoen; sullende ook tot decking en bijstand van deese uijt te sendene burgers een sergeant met twee corporaals en veerthien militairen uijt dit guarnisoen gedetacheert, en gesonden werden naar den kant van de Oliphantsrivier, alwaar gekoomen zijnde, den sergeant met een corporaal en agt militairen post sal moeten vatten bij 's Comps. drift, en den anderen corporaal met de overige ses soldaaten aan het warme badt, op welke twee plaatsen gemelde sergeant en corporaal ider afsonderlijk met haar bijhebbende manschap soo lange sullen moeten vertoeven, tot dat daarvandaen te rugge werden geroepen, sig onderwijl altoos gereert [42] houdende om in cas van nood en op het eerste berigt dat zij daarvan sullen krijgen, niet alleen het eevengenoemde burgercommando, maer ook de landbouwers daaromstreex woonagtig zijnde, te hulp te koomen, sullende boovensdien sorge moeten draagen dat sonder vertoef door haar uijtgevoerd word dat geene het welke de officieren van meergemelde burgermanschap ten algemeenen welweesen deeser landen en dies inwoonderen van hem sergeant ofte van den corporaal sullen koomen te versoeken, des sullen tot hulp en adsistentie van de menschen die zulx mogten komen te benoodigen, twee ondermeesters uijt deesen hospitaale het meergem. commando werden toegevoegt; en noopende het vee door den in den hoofde deeser genoemden oud burgerraad Johannes Cruijwaagen uijt kragte van 't raadsbesluijt van den 28 der gepasseerde maand April afgenoomen van de Hottentotten in desselfs rapport vermeld, is gearresteerd dat hetselve in de Groene Cloof sal werden bewaard totdat in 't vervolg nader daarover gedisponeert sal werden.

Wijders in aanmerkinge genoomen zijnde dat onder het gering getal van paarden dat d' E. Comp. teegenwoordig aan handen is hebbende, behalven de merriën en veulens nog veel oude en gebreckelijke koomen te loopen, en dat men daarom als maar het minste voorvalt, sig altoos in de uijtterste verleegenth[e]ijd bevind, gelijk sulx nog onlangs tweemaal naar den anderen is ondervonden, is overzulx goedgevonden dat tot remeedieering [43] van dat gebrek ten civielsten prijse doenelijk eenige paarden soo tot dagelijx gebruijk als tot den aanteelt, ten behoeve der E. Comp. sullen werden ingekogt; sijnde meede beslooten dat in steede van de afgesleetene stoelkussens en het dekkleet der tafel van deesen Raad, andere 's Comps. weegen zullen werden gemaakt, om alhier op de raadsaal tot noodig gebruijk te kunnen dienen.

Ende ten aansien de pijpeduijgen en mopsteenen in 's E. Comps. maguazijnen onvertiert blijven leggen en datter geen apparentie is dat men deselve in langen tijd sal kunnen quijt raaken, bij aldien de daarop gestelde prijsen niet eenigsints worden vermindert, is dienthalven raadsaam geoordeelt dat de pijpeduijgen voortaan teegens 16 1/2 Rijxds. het groot hondert mitsgrs. de moppen voor 6 1/2 Rds. 't duijsend sullen werden gedebiteert, wanneer desselve de gerequireerde ofte immers nog een reedelijke winst sullen koomen af te werpen; vervolgens gaf den Heer Gouverneur in bedenking of het voor den dienst der E. Comp. en tot rust deeser land niet noodig soude weesen dat men soodanige 's Comps. dienaaren dewelke geen andere misdaaden gepleegt hebbende, als dat zij haare bescheijdene bodems of dit guarnisoen hebben verlaaten, uijt vreese voor de door haar diesweegens verdiende straffe, in het veld zijn swervende sonder te durven te voorschijn koomen, neevens andere fugatieven dewelke sig aen geen misdaaden, corporeele straffen meeriteerende, [44] schuldig hebben gemaakt, bij placcaat liet inroepen, met belofte dat zij alle van haare fouten sullen zijn en blijven gepardonnert, mits dat zij haer binnen den tijd van drie maenden hier ten Casteele ofte bij den Heer independent fiscaal, Mr. Daniel van den Henghel, dan wel op Stellenbosch aan den landdrost Pieter Lourensz koomen aangeeven, op paene dat bij nalatigh[e]ijd van dien deselve in handen van de justitie geraakende, zij als wegloopers en stoorders van de algemeene rust sonder oogluijking ten exempel van andere rigoreuslijk sullen werden gestraft, in welke propositie vermits desselfs nuttigh[e]ijd toegestemt zijnde, sal deselve gevolglijk in diervoegen werkstellig werden gemaakt, waarvan aan een igelijk bij publicatie en affixie van placcaaten de noodige kennisse sal werden gegeeven. [45]

Daarna is op het ingediende request van Pieter van Taak, het daarbij gevoegde getuijgenis van weesmeesteren deeser steede, [46] onder wien gedagte Van Taak sorteerd, in consideratie genomen zijnde, goedgevonden dat aan hem het versogte veniam aetatis sal werden verleend.

Ook is op het gedaane versoek van de vrijswartinne Elsje Mulder [47] van de Caab beshooten dat haer dogter, gent. Eva van Elsje Mulder, sig thans in 's Comps. slaavenlogie nog bevindende, uijt slaverneij [48] sal werden ontslaagen en in vrijdom gesteld, gemerkt deselve het sacrament des heijligen doops heeft ontfangen, en daar en booven in de Duijtsche taal wel ervaaren is, mits nogtans dat in haar plaatse weederom aen de E. Comp. in eijgendom sal werden overgegeeven een kloeke mansslaef, gent. Cupido van Mallabaar, die bij visitatie van de vereijschte hoedanigheijd is bevonden te weesen. [49]


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz.
HK. SWELLENGREBEL.
R. TULBAGH.
D. V. D. HENGHEL.
J. T. RHENIUS.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
MNS. BERGH.
CORNS. EELDERS.
Mij present, JS. DE GRANDPREEZ. Rt. en Secrets.

 


Notes.

[1] In die Haagse kopie verbeter na Hottentotten.

[2] Die skrywer van die Haagse kopie ook geskryf burgereij.

[3] Pieter van Taak (1718-1752) was 'n seun van Willem van Taak en Emma Martha van der Byl. Hy is op 27.1.1743 Susanna Moller getroud. Van Taak het sedert 1739 die plaas Kloovenburg by Riebeeck-Kasteel besit.

[4] Die huidige Tulbagh.

[5] Burgert van Dyk (1697-11.4.1761), die oudste seun van Joost Pietersz van Dyk en Catharina Verburgh, is op 6.10.1715 met Maria Visser getroud.

[6] Daar was op hierdie tydstip twee persone met hierdie naam aan die Kaap, t.w. Nikolaus van Wielligh (1682-1743) van Hamburg en sy seun Nicolaas (1711-1769). Die vader was op hierdie stadium reeds 57 jaar oud, gevolglik kan aangeneem word dat die seun hier te sprake is. Hy was die derde kind van Nikolaus van Wielligh en sy eerste vrou, Elisabeth van Wyk, en hy is op 5.6.1757 met Anna Sara Grütter getroud.

[7] Hy was die seun van Matthias Greeff en Susanna Claasz. Op 8.10.1719 is hy met Susanna van Hoeven getroud. Greeff is in 1745 oorlede.

[8] Daar was in 1739 drie Jan Mosterts in die vryburger-gemeenskap aan die Kaap, t.w. Johannes (1715-17.6.1782), die seun van Jacob Mostert en Maria Magdalena de Peronne; Johannes (1716-1759), die seun van Ernst Mostert en Sophia Cloete; en Johannes (1719-1791), die seun van Johannes Mostert en Hilletje Olivier.

[9] Starrenburg maak reeds in 1705 in sy reisjoernaal melding van Henning Hüsing se veepos aan die Groenerivier. Op 'n kaart in Valentyn se publikasie word dit aangetoon as 'n rivier wat noord van Groenekloof, teenoor Dasseneiland in die see vloei.

[10] Noord van Piketberg geleë.

[11] In die Haagse kopie verbeter na doodschieten.

[12] Daar kon geen kontrak tussen Johannes Cruywagen en Jan Pietersz opgespoor word nie. In 1739 word drie persone met hierdie naam in die monsterrol vir die Stellenbosch-distrik vermeld: Jan Pietersz, Jan Pietersz van Lübeck en Jan Pietersz van de Caab. Die feit dat eersgenoemde, 'n vryswart, in Julie 1741 op die plaas Klipfontein aan die Piketberg geboer het, mag beteken dat dit hy is na wie hier verwys word.

[13] Dit is waarskynlik Hans Hendrik Schiemann van Ditmold. Hy het in 1694 as soldaat na die Kaap gekom en is aan verskeie persone as kneg uitgehuur, totdat hy op 25.4.1719 'n vryburger geword het. Geen kontrak tussen hom en Cruywagen kon egter opgespoor word nie. Sy naam verskyn in die monsterrol van Stellenbosch vir 1739.

[14] Jacobus Smit (1689-1752) was 'n seun van Jan Smit en Adriana Tol. Sy weduwee, Elisabeth Slabbert van Middelburg, is in 1771 oorlede.

[15] Pieter Pietersz van Funen was van 1736 tot 1739 as ondermeester in die hospitaal werksaam.

[16] Dit is Marie Prévot, 'n dogter van Abraham Prévot en Anna Marsseveen. Sy is op 25.3.1731, na die dood van sy eerste vrou, met Gerrit van Wyk (1704-1737) getroud. Sy het op die plaas Vaderlandse Rietkloof aan die Piketberg geboer.

[17] Die enigste familieverbintenis tussen Hendrik Krugel en Gerrit van Wyk was dat laasgenoemde se moeder 'n suster van eersgenoemde se skoonmoeder was.

[18] Die Vier en Twintig Riviere, 'n sytak van die Bergrivier, het sy naam te danke aan die getal spruite wat later ineenvloei. Reeds op 1.9.1688 word in die reisjoernaal van Simon van der Stel se tog na Namakwaland melding gemaak van "'t gebergte, daar de 24 spruiten of riviertjens uitkomen".

[19] Steven ten Holder van Dinxperlo in Gelderland was in 1730 van Batavia na Nederland onderweg toe hy weens siekte aan die Kaap gebly het. Hier is hy met Magdalena Elisabeth Taats van Hattem getroud en hy het op 7.12.1730 'n vryburger geword. Ten Holder is op 31.7.1761 oorlede en sy weduwee in 1765.

[20] Jurgen hanekom was afkomstig van Rathlosen naby Sulingen in Hannover. Hy het sedert 1708 as houtkapper aan die Kaap diens gedoen. Daarna was hy korporaal van die Kompanjiespos te Klapmuts, maar in 1713 het hy 'n vryburger geword en hom op die plaas Natte Valleij gaan vestig. Op 11.11.1717 is hy met Johanna van den Bosch getroud. Sy was vroeër met Johannes Bockelberg en daarna met Maurits van Staden getroud. hanekom is in 1752 oorlede en sy vrou in 1747.

[21] Albert van Zyl was die seun van die stamouers, Willem van Zyl en Christina van Loveren. Hy is op 29.9.1711 met Martha Vivier getroud.

[22] Jan Engelbrecht van Amsterdam het in 1717 as 'n soldaat na die Kaap gekom. Op 28.11.1730 het hy uit die Kompanjiesdiens getree en as kuiper 'n bestaan gevind. Uit sy huwelik met Johanna Guillaumet is vier kinders gebore. Toe hy in 1740 oorlede is, het hy op die plaas Klipheuvel in die Langevallei by Piketberg geboer.

[23] Leendert Louw was die seun van Jacobus Louw en Maria van Brakel. Hy is op 6.2.1735 met Elsje van der Heyden getroud. Louw het op die plaas Jakhalsvallei aan die Olifantsrivier geboer toe hy in 1743 oorlede is.

[24] Die gekursiveerde woord is tussen die reëls bygeskryf.

[25] Waarskynlik word die Bokkeveld bedoel.

[26] Die gekursiveerde woord is tussen die reëls bygeskryf.

[27] Tobias Mostert was die seun van Jan Mostert en Elisabeth Niemeyer. Hy is op 2.4.1724 met Geertruyd Olivier (1698-1777) getroud. Mostert is in 1764 oorlede.

[28] Die Doornrivier vloei suid van die huidige Klawer in die Olifantsrivier.

[29] Jochem Koekemoer was getroud met Maria Putter, 'n dogter van Diederik Putter en Zacharia Visser.

[30] Verlorenvlei, noord van Piketberg, word reeds in 1712 in Kaje Jesse Slotsboo se reisjoernaal vermeld. In 1723 is 'n plaas daar uitgegee.

[31] Abraham Mouton, 'n seun van die stamvader, Jacques Mouton, en sy tweede vrou, Maria de Villiers, is op 1.2.1733 met Jacoba Keyser getroud. Hy is in 1749 op sy plaas Bergvallei by Piketberg oorlede.

[32] Carel Christoffel Kounits van Berlyn was in 1739 die assistent-landdros.

[33] Alewyn Smit (1695-1774) was die vierde kind van Jan Smit en Adriana Tol. Hy is op 25.12.1718 met Hester Becker (1700-1777) getroud. Smit het in 1774 vier plase by Vier en Twintig Riviere en in die omgewing van die Olifantsrivier besit.

[34] Hy was die seun van Jacobus Louw en Maria van Brakel. Op 3.9.1741 is hy met die weduwee van Jan Engelbrecht, Johanna Guillaumet, getroud. Louw is in 1776 oorlede en sy weduwee ses jaar later.

[35] Dit is waarskynlik dieselfde persoon as Jacobus Gildenhuys. (Vgl. voetnoot 57 van 1735.)

[36] Hy was die seun van Samuel Walters en Maria van der Westhuizen.

[37] Dit is waarskynlik die warmbron by die huidige dorp Clanwilliam.

[38] 'n Drif deur die Olifantsrivier naby die huidige Clanwilliam. Dit word reeds in 1724 in Rhenius se joernaal van Slotsboo se reis vermeld.

[39] Die kopiïs van die Haagse kopie het ook geskryf burgereij.

[40] In die Haagse kopie ook as burgereij gekopieer.

[41] Die skrywer van die Haagse kopie het ook geskryf gesecuurreert i.p.v. gesecureert.

[42] In die Haagse kopie verbeter na gereet.

[43] In die Haagse kopie staan ook remeedierring i.p.v. remedieering.

[44] In die Haagse kopie verbeter na meriteerende.

[45] Kyk C. 683 Origineel Placcaat Boek, 2.6.1739, pp. 26-28; M. K. Jeffreys en S. D. Naude (reds.): Kaapse Plakkaatboek II (2.6.1739), pp. 165-166.

[46] Kyk C. 239 Requesten en Nominatiën: getuigskrif, 1.6.1739, p. 16.

[47] Haar naam kom van 1732 tot 1754 in die monsterrolle vir die Kaapse distrik voor.

[48] In die Haagse kopie verbeter na slavernij.

[49] Kyk C. 356 Attestatiën, 2.6.1739, p. 387.