Dingsdag den 3 November 1739, 's voormiddags.

Alle present, behalven d' E.Es. Martinus Bergh en Cornelis Eelders.

Is door de burgeresse Hilletje Olivier, wed. Johannes Mostert, gepresenteert het volgende request: [1]

AandenWelEdelenGestr.HeereHendrikSwellengrebel,GouverneurvanCabodeGoedeHoop&a.&a.,beneevensdenE.Agtb.PoliticquenRaad.

Wel Edele Gestr. Heer en E. Agtb. Heeren,

Geeft met het uijtterste respect te kennen Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. seer neederige dienaresse, Hilletje Olivier, wed. Johannes Mostert, hoe zij tot erlanging van een somma van ƒ16400:-:- die den burger Johannes Wijnox [2] aan haar suppte. weegens een custingbrief schuldig was, denselven Wijnox in regten betrocken hebbende, zijlieden vervolgens door bemiddeling van gecommitteerdens uijt den Agtb. Raad van Justitie deeses Gouvernements dies aangaande met den anderen op de volgende wijs zijn verdraagen en veraccordeert, [3] namentlijk dat denselven Wijnox in voldoeninge van voorsz ƒ16400:-:- mitsgrs. de daarop verloopene renten, ten bedrage van ƒ280:-:- aan haar weederom sal overdoen en transporteeren desselfs plaats geleegen in de Tijgerbergen met alle de losse goederen die hij bij het inkoopen derselver van d' suppliante heeft gekreegen, bestaande in beesten, paarden, schaapen, vaatwerk, waagens, ploegen, mitsgrs. bouw en thuijngereedschap, en dat zij suppte. bovensdien de daarop te vallene oncosten weegens 's heeren geregtigh[e]ijd en het passeeren van den opdragtbrief selfs sal betaalen.

En dewijl de suppte. hierbij veel schaade komt te lijden en dat accoord alleen heeft aangegaan om voor te komen verdere moeijelijkheeden, boven en behalven dat deselve goederen voor de haare aan te merken zijnde, en die seedert den vercoop seer vervallen zijn, weeder overneemende, dit in der daad een cessie of weeder overdragt en geen vercoop kan genaemt werden, soo versoekt de suppte. uijt dien hoofde seer eerbiedig dat zij van het betaalen van 's heeren geregtigh[e]ijd voor gem. plaats mag geexcuseert en vrij blijven.

(Onderstond) 't Welk doende &a. &a.

Welkers inhoude in overweeginge genoomen zijnde, is goedgevonden dat het daarbij gedaan wordende versoek sal werden geaccordeert, en dat zij gevolgelijk van de door haar overgenoomen werdende plaats voor ditmaal geen 's heeren geregtigh[e]ijd sal behoeven te betaalen.

Vervolgens sijn geleesen de twee onderstaande schriftuuren soo door burgerraaden deeser plaatse als bij land-drost en heemraaden in voldoeninge van het aan hun geordonneerde bij resolutie van den 15 September en 6 October jongstl. in de volgende bewoordingen overgegeeven: [4]

AandenWelEdelenGestr.HeereHendrikSwellengrebel.GouverneuraanCabodeGoedeHoop&a.&a.,beneevensdenE.Agtb.PoliticquenRaad.

Wel Edele Gestr. Heer en E. Agtbre. Heeren,

Aangesien Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. bij derselver geeerde resolutie de dato 15 September deeses jaars, aan de ondergeteekende burgerraden hebben gelieven te gelasten ende te authoriseeren omme de straaten en weegen binnen het vlek van de Caab, die uijtgeloopen en soodanig slegt gesteld zijn, dat deselve voor waagens en andere rijtuijgen niet kunnen werden gebruijkt, naauwkeurig op te neemen ende te visiteeren, mitsgrs. na dies verrigtinge onse consideratie in geschrifte te brengen, met aantooning welke middelen best en gevoeggelijxt souden kunnen werden in het werk gestelt om het gebreekige met den minsten omslag en kosten voor deese ingeseetenen te remedieeren, soo hebben wij in opvolging van dien alle de voorseijde straaten exactelijk gevisiteert en bevonden dat de straaten door het van 't gebergte koomende waater in den reegentijd voornamentlijk bederven en koomen uijt te loopen, sulx dat meest alle de opgaande straaten voor rijtuijgen heel ongemackelijk en sommige qualijk te gebruijken zijn, werdende deselve wel voor en bij de huijsen opgehoogt, maar daardoor ook in het midden hol gemaakt, dus soude het onses bedunkens (onder het wijs oordeel van Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb.) gemackelijk en sonder onkosten voor de ingeseetenen te remedieeren sijn indien het Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. behaegde ons te authoriseeren (onder een seeker paene voor de onwillige) een igelijk deeser ingeseetenen te gelasten omme voor zijn deur dat gebrek te verhelpen en de straaten gelijk en eevenreedig te maaken, waarbij wij in alle eerbied nog moeten voegen dat wij op veele plaatsen hebben ontwaard dat sommige muuren wat te laag, veele erven niet naar behooren besorgt of geslooten en wel voornamentlijk het erf van den burger Johannes Botma, [5] alsoo de poort op de agterstraat uijt koomende, ten eenemael gebrooken is en niet kan gesloten worden, maar ook de binneplaets van het woonhuijs (dat leedig staat) in 't geheel van geen deur is voorsien, overzulx dat erf een algemeene schuijlhoek voor quaaddoenders, en dus voor alle gevaaren bloot gesteld is, ook word niet w[e]ijnig vuijllis [6] op 's heeren weegen door quaadaardige menschen gegooijt, zulx wij ons verpligt vinden Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. in alle eerbied te versoeken dat het deselve behage ons daaromtrent derselver hoog geagte ordres te bedeelen, ten eijnde wij in staat werden gestelt diergelijke onbehoorlijkheeden te weeren ende te redresseeren.

Het heeft Uwe Wel Edele Gestr. Heer en E. Agtb. Heeren meede behaagd ons bij derselver nadere resolutie van den 6 October jongstl. in consideratie te geeven, of tot soulaas van de colonierscassa met gevoeggelijkh[e]ijd niet wat en tot hoeveel soude kunnen werden vermindert de premien op het dooden van het verslindent en verscheurend gedierte ten platten lande gestelt, derhalven seggen wij in alle eerbied dat ons bedunkens die premien wel kunnen werden vermindert, van een leeuw tot ƒ30, een tijger ƒ18 en een wolf tot ƒ6, te meer een ijgelijk [7] die soodanig gedierte omtrent zijn plaats bemerkende, tot bescherming van het zijne van selfs verpligt is hetselve des doenelijk te vangen of te dooden, en naar het ons toeschijnt in latere tijden, de prijsen voor het dooden van dien voornamentlijk ten doel hebben gehad het bev[e]ijlige[n] van 's heeren weegen, die thans bij den aangroeij en het vermeenigvuldigen van inwoonderen vrij v[e]ijlig zijn, en dierhalven soo veel opmerking niet vereijschen, overzulx met veel reedenen en gevoeglijkh[e]ijd wel kan werden vermindert.

- - - (Was geteekent) H. J. Prehn, Jan Hendrik Hop, G. la Febre.

Cabo de Goede Hoop.

AandenWelEdelenGestrengenHeerHendrikSwellengrebel,GouverneuraanCabodeGoedeHoopendenres[s]ortevandien&a.,endenE.Agtb.RaadvanPolitie.

Wel Edele Gestrenge Heer en E. Agtbaare Heeren,

Agtervolgens Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. geeerde beveelens van dat wij onse consideratie souden hebben te geeven aangaende of de premien dewelke omtrent het dooden van het verslindent en verscheurend gedierte zijn gesteld, niet op een gevoegelijke manier souden kunnen werden vermindert; hebben wij op heeden in onse vergadering [8] pligtschuldig geacht Uw Wel Edele Gestr. en E. Agtb. bij deesen op het eerbiedigste te berigten dat ons sentiment diesaangaande (onder beeter gevoelen van Uw Wel Edele Gestr. en E. Agtb.) soude zijn dat een leeuw wierde gesteld van 50 op 30 guldens, een tijger van 30 tot 18 guldens en een wolf van 9 tot 6 guldens, hetwelke onses bedunckens ten vollen sal kunnen bestaan, wijle wij aanmerken dat in het begin, wanneer de premien over diergelijke ongediertens gestelt zijn, de colonien alhier seer woest, met diergelijke beesten kragtig vervult en bijgevolge het reijsen als het woonen in het land seer bekommert en gevaarlijk was, daar en teegen men als nu daarvan ten vollen bevrijd is, terwijle de meeste swaarigheeden welke door het verslindend en verscheurend gedierte thans werd veroorsaakt, bestaat van nu en dan eenige beesten of schaapen te dooden, waarvoor een igelijke landbouwer [9] dient te waken, en ook in 't geheel niet sal willen nalaatig blijven van deselve, op hunne posten komende, te dooden, schoon deselve daarvoor geen belooning wisten te bekomen.

Edog smeeken wij Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtbs. dat de persoonen welke een leeuw, tijger of wolf mogten koomen te dooden, in 't toekoomende een briefje van hunne gebuuren moogen toonen, om verseekert te kunnen zijn dat het gedierte door hun gedood of geschooten zijn en niet van Hottentots [10] geruijlt.

Waarmeede deese eijndigende, beveelen wij Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtbs. dierbaare persoonen en familien in de alleen seekere hoede van den Almagtigen God - - - (Was geteekent) Pr. Lourensz, Johs. Louw Jacobsz, W. van As, D. Malaen, Charl Marais, Pr. Booijens. (In margine) Stellenbosch, den 26 October 1739.

En is, nadat over dies inhoude was geraadpleegt, ten opsigte van het eerste point bij het schriftuur van burgerraaden vervat, spreekende van dat geen hetwelk zij oordeelen dat in 't werk soude dienen gestelt te worden om de bijna onbruijkbaer sijnde straaten van dit vlek met den minsten omslag en costen voor deese ingeseetenen te repareeren, gearresteert dat men aan voorseijde burgerraden gedefereert laaten sal om tot remedieering en verhelping van dat gebrek soodanige schickingen te maaken als daartoe noodig gevonden werdende, met gevoeggelijkh[e]ijd sullen weesen uijt te voeren, en dat overzulx alle ende een igelijk deeser ingeseetenen bij affixie van billietten sullen worden gelast dat zij de straaten en weegen voor haare deuren soodanig sullen hebben te verbeeteren en op te maaken mitsgrs. daarnaa te onderhouden als haar door burgerraden sal werden aangetoont; welke burgerraaden bovensdien gequalificeert werden om het werk van de geene die hierin nalaatig souden moogen blijven selfs te moogen laaten klaar maaken, ten costen van de sulke die daartoe onwillig souden moogen zijn, ende op dat de voorsz weegen en straaten des te beeter onderhouden en schoon zullen moogen blijven, sal ook daar en boven aan een igelijk wel expresselijk verbooden worden voorthaan geen vuijlnis meer op deselve te werpen of ergens eenige morshoeken binnen de Caab te maaken, op paene dat de geene die daarop sullen komen agterhaald te werden, in het vervolg sonder oogluikjing sullen moeten betaalen de boetens dewelke bij het vigeerend generaal placcaet tot weeringe deeser misbruijken sijn gesteld geworden; [11] sullende wijders den burger Johannes Botma ofte zijne gemagtigdens werden geordonneert dat hij het erf ter zijde en agter desselfs huijs geleegen zijnde, met den eersten na behooren sal hebben te sluijten en besorgen, of dat men zulx andersints almeede ten sijnen coste[n] sal laaten verrigten.

Sijnde voorts conform het verder ter needer gestelde bij het schriftuur van meergemelde burgerraaden, mitsgrs. dat van landdrost en heemraaden verstaan dat de gestelde praemien op het dooden van het verslindent en verscheurend gedierte voorthaan sullen worden gereguleert op de volgende wijse, te weeten voor het dooden van een leeuw ƒ30, voor het dooden van een tijger ƒ18, voor het dooden van een wolf ƒ6, waarvan de eene helft uijt 's Comps. cassa en de andere helfte uijt die deeser coloniers sal werden voldaan.

Ook is goedgevonden dat een gedeelte der brandemmers dewelke thans onder den equipagiemeester, Jacobus Möller, nog zijn berustende, aan burgerraaden deeser steede onder behoorlijke recipisse sullen worden afgegeeven, om door haar te kunnen werden verdeelt onder de voornaemste deeser ingeseetenen, ten eijnde men deselve dus bij ongeluk van brand, dat God verhoeden wil, dies te spoediger sal kunnen hebben.

Laatstelijk is op het te kennen geeven van den Heer Gouverneur dat aan Zijn Edele door den equipagiemeester, Jacobus Möller, was gerapporteert dat het aanweesend schip Oostrust sig soo slegt gesteld bevond dat het te dugten is dat hetselve sijne rheijse van hier na Batavia niet sal kunnen voortsetten, voor den dienst der E. Comp. noodig geoordeelt dat het op gisteren gemonsterde schip Betlehem nog een dag twee a drie alhier sal werden opgehouden om indien de noodsaakelijkh[e]ijd sulx vereijschen mogt soo veel de scheepsruijmte toelaaten wil, een gedeelte der laadinge van het voorseijde schip Oostrust te kunnen inneemen, sullende in de andere aanweesende scheepen het overige deeser lading in soo verre 't selve doenelijk sal zijn, worden overgebragt, sonder dat deselve hierom egter merkelijk verlet of opgehouden sullen behoeven te worden.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz.
HK. SWELLENGREBEL.
R. TULBAGH.
D. V. D. HENGHEL.
J. T. RHENIUS.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
JS. DE GRANDPREEZ. Rt. en Secrets.

 


Notes.

[1] Kyk C. 239 Requesten en Nominatiën, 1739-1740, ongedateer, pp. 81-82.

[2] Johannes Weinoch was die seun van Christian Weinoch en Johanna van Schilperoord. Hy was met Anna de Nys, die weduwee van Wilhelm Johann Hoffman, getroud.

[3] Kyk C. J.833 Oorspronklike Regsrolle en Notule (Siviel Alleen), 22.10.1739, pp. 155-156; C. J.1052 Siviele Prosesstukke: rapport, 22.10.1739, pp. 238-241.

[4] Kyk C. 239 Requesten en Nominatiën, ongedateer en 26.10.1739, pp. 77-80 en 73-75.

[5] Johannes Botma (Jan Jansz Botma, 1703-1769) was 'n seun van Jan Stevensz Botma en Christina de Bruyn. Hy is op 24.9.1721 met Anna Maria Kuyperman getroud. Met sy dood het hy die plase Gelukwaard en Halfmanshof by die Vier en Twintig Riviere besit.

[6] In sowel die oorspronklike versoekskrif as die Haagse kopie staan ook vuijllis.

[7] In die Haagse kopie verbeter na igelijk.

[8] Kyk 1/STB.1/12 Notule van Landdros en Heemrade, 26.10.1739, pp. 117-118.

[9] In sowel die oorspronklike versoekskrif as die Haagse kopie staan een igelijk landbouwer.

[10] In sowel die oorspronklike versoekskrif as die Haagse kopie staan ook Hottentots i.p.v. Hottentotten.

[11] Kyk C. 683 Origineel Placcaat Boek, 3.11.1739, pp. 31-32; M. K. Jeffreys en S. D. Naude (reds.): Kaapse Plakkaatboek II (3.11.1739), p. 167.