Dingsdag den 8 December 1739, 's voormiddags.

Alle present.

Heeft den Heer oppercoopman en secunde, Rijk Tulbagh, met versoek dat daarop na behooren mogte werden gedisponeert, de onderstaande memorie ter vergaderinge geproduceert: [1]

Memorie van 't nabesz ijser en timmerhout uijt de onderstaande bodem Abbekerk soo te kort als gebrooken bevonden, gelijk te zien is bij de verclaring van gecommitteerde hier annex, als meede de lijfeijgenen in de drie jongst gepasseerde maanden door de natuurlijke dood overleeden, 't vhee in gem. tijd soo verrekt als door 't wild gedierte vernielt, alles volgens secretariale verclaaringe blijkende, namentlijk:

Uijt 't schip Abbekerk
Afschrijven955 lb. ijser op 33 676 lb. bij 't naweegen te cort bevonden.
Vercoopen5 ps. gr. deelen van 1 1/2 dm. op 100 ps. gebrooken.
do.6 ps. gr. deelen van 1 1/4 dm. op 50 ps. als 3 ps. gebrooken.
Afschrijven3 ps. te kort.
Vercoopen14 ps. deelen van 1 dm. op 50 ps. gebrooken.

Volgens geannexeerde reekg. van den opsiender van 's Comps. slaavenlogie en secretariale verclaaring zijn in de maenden September, October en November van 's Comps. lijfeijgenen door de natuurlijke dood overleeden

affschrijven {1 kloeke m[e]ijd,
1 suijgend meijsjen,
1 bandiete jongen.

En volgens bijgevoegde reekg. van den land-drost, gesterkt met secretariale verclaaringen zijn in boovengem. tijd soo verrekt als vernielt

afschrijven {65 runderbeesten,
1 paard,
1 ezel,
36 bocken.

(Onderstond) In 't Casteel de Goede Hoop, adij 8 December 1739. (Was geteekent) R. Tulbagh.

Over welkers inhouden gedelibereert zijnde, verstaan is dat met de daarbij vermelde gebrookene en te kort koomende goederen, mitsgrs. gestorvene leijfeijgenen en verrekte of verscheurde beestiaalen soodanig sal werden gehandelt als in margine dier memorie staat aangeteekent.

Gemelden Heer hoofdadministrateur vervolgens te kennen gegeeven hebbende dat de consumptieboeken van het afgelegt werdende schip Oostrust na behooren waaren opgemaakt, gaf Zijn E. voorts over een memorie der provisien dewelke sig per restant in dien boodem nog komen te bevinden, vervat weesende in de volgende bewoordinge: [2]

Restanten van alle sodanige provisien en drancken als ër op den 7 November deeses jaars bij 't schip Oostrust nog zijn berustende geweest, namentlijk:

2 vaaten en 115 lb. vleesch, 6 vaaten en 127 lb. spek, 1 vat en 150 lb. booter, 1 halfaam en 15 kannen olijven olij, 828 lb. rijst, 297 8/10 kannen wijn, 16 halve aamen en 30 2/10 kannen brandewijn, 2 halve leggers azijn, 2 mudden boonen, 24 mudden erweeten.

(Onderstond) Cabo de Goede Hoop, 3 December 1739. (Was geteekent) Wm. Vroom.

Sijnde na dies resumptie gearresteerd dat die overschietende provisien, soo wel als het restant des buskruijts van dat schip, bedraagende volgens de daarvan overgeleeverde reekg. lb. 5370, neevens dat geen het welk van de aan hetselve in het vaderland meede gegeevene verversch penningen is overgeschooten, te weeten ƒ173:1:- Hollands geld, uijtwijsens de diesweegens geformeerde reekg. door den schipper van dien bodem, Willem Vroom, bij de negotieboeken deeses comptoirs behoorlijk zullen ingenoomen werden.

Waarna ook in Raade zijn geproduceert en nagesien de negotie en soldijboeken deeses Gouvernements d' ao. 1738/39, koomende bij eerstgen. te blijken dat de lasten in dit boekjaar hebben gemonteert tot een somma van ƒ402241:12:- en daar en teegens de suijvere winsten en 's lands inkomsten tot een somma van ƒ105512:17:8, invoegen dat de lasten dit jaar minder als in het voorleedene hebben beloopen een bedraagen van ƒ53975:3:-, en soo ook de winsten minder een montant van ƒ17374:4:8, welke minderh[e]ijd der lasten voornamentlijk van de oncosten der scheepen en van het hospitaal, mitsgrs. minder betaalde guarnisoens soldijen is voortgekoomen, sijnde het minder rendement der winsten al weederom toe te schrijven aan den jeegenwoordigen slegten tijd en de schaarsh[e]ijd van geld die onder deese ingeseetenen gevonden word, veroorsaakt door de slegte graangewasschen die men alhier eenige reijsen na den anderen heeft gehad en het w[e]ijnig vertier der andere provenuen des lands; waaruijt noodwendig heeft moeten volgen dat 's Comps. negotiegoederen een seer geringen aftrek gevonden hebben, en dat bovensdien de recognitiepenningen die voor de in leening sijnde veeposten worden betaald, gelijk ook 's heeren geregtigh[e]ijd der vercogte goederen mitsgrs. de thiendens maar w[e]ijnig hebben kunnen afwerpen.

Wordende wijders den Heer hoofdadministrateur bij deesen gequaliflceerd om de winsten en lastposten navolgens de door Zijn E. diesweegens overgeleeverde specificatien na behooren bij de voormelde negotieboeken te doen in en afschrijven.

Voorts wierd door gedagten Heer secunde, Rijk Tulbagh, en d' E. Marthinus Bergh in Raade vertoont de door Haar E.Es. volgens raadsbesluijt van den 5 der jongst afgeweekene maand Maij bijeenversamelde en onder spetiale mitsgrs. applicabele tituls of hoofden gebragte ordres die soo uijt het vaderland als van de Hooge Indiasche Regeering op dit Gouvernement sijn afgevloeijd; [3] waarop beslooten is dat deselve in conformiteijt van het geeerde bevel van Haar Hoog Edelens tot Batavia per de eerste scheepsgeleegenth[e]ijd derwaarts sullen werden voortgesonden en zijn Haar E.Es. wijders weegens haare in het opmaaken van dat werk genoomene moeijte bedankt.

Desgelijx heeft den baas van 's E. Comps. schuur, Jan Philip Gibbelaar, [4] belangende dat geen het welk hem is bejeegent op de togt door hem ter ordre deeser Regeeringe ondernoomen na het land der Namacquas, ten eijnde als bij resolutie van den 4 Augustus bekent staat, het volgende schriftelijk rapport ingegeeven: [5]

Aan den Wel Edelen Gestr. Heere Hendrik Swellengrebel, Gouverneur van Cabo de Goede Hoop en den ressorte van dien &a. &a., beneevens den E. Agtb. Raad van Politie.

Wel Edele Gestrenge Heer en E. Agtbre. Heeren,

Van Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtbre. welbehaagen geweest zijnde mij ondergeteekende bij raadsbesluijt van den 4 der jongst gepasseerde maend Augustus te ordonneeren dat soo draa den tijd zulx soude willen toelaaten, mij soude hebben te begeeven naar het land der Groote Namacquas Hottentotten, om te ondersoeken of het waar was dat zig aldaar teegens de custen een onbekend schip gestrand bevond, wanneer ik dan soude moeten verneemen hoedanig het daarmeede geleegen was, met verder bevel dat bij mijne te rug komst soude moeten tragten van de daaromstreex woonende Hottentotten soo veel vee ten behoeve der E. Comp. te ruijlen als met moogelijkh[e]ijd soude kunnen geschieden; heb ik in schuldige naarkoominge van dien, neevens de mij bijgevoegde manschap, op den 11 der daaraan volgende maand September de rheijse derwaerts aangenoomen en ben vervolgens sonder dat mij ondertusschen iets merkwaardigs is ontmoet, den 2 October jongstl. gekoomen bij seekere plaats, Meerhofs Casteel [6] genaemt, leggende omtrent drie daags reijsen aan deese kant van de Kleijne Namacquas, alwaar ik eenige beesten op het gebergte sag loopen, 't geen mij eenige presumptien gaf of sig daar niet wel eenige vijandelijke Hottentotten mogten bevinden, en hebbe[n] tot ontwaaringe van dien mij met mijn volk derwaarts begeeven en siende dat alle de Hottentotten uijt de ter dier plaatse leggende coraal regts en lings berg op de vlugt naamen, riep ik deselve toe dat zij bij mij koomen souden en dat wij 's Comps. volk waaren, op het welke zij antwoorden dat zij bij mij niet koomen souden, maar dat ik mij bij haar moeste begeeven, waarom ik resolveerde met een corporaal en twee soldaaten naar haarl. te gaan, houdende mij egter buijten schoot, dewijl ik een Hottentot met een snaphaan in de hand op het gebergte op schildwagt hadde[n] sien staan.

Met die Hottentotten vervolgens in gesprek getreeden zijnde, sag ik dat onder deselve sig bevonden den bekende capn. Swarte Booij, die onder desselfs caros een kruijthoorn met kruijt had, mitsgrs. nog zijn soon Titus (alias) Charmant, dewelke ik afvroeg waarom zij voor ons de vlugt naamen, dewijl zij wel saagen dat wij 's Comps. volk waaren, daarbij voegende dat wij geen quaad in de sin teegens haarl. hadden, antwoordende zijl. daarop dat zij dagten dat wij Boeren [7] waaren, omdat zij Willem van Wijk hoorden spreeken.

Terwijl dat ik met die Hottentotten in discours was en deselve een pijp to[e]bak mitsgrs. een soopje arak gaf, quam mij den voorseijden Willem van Wijk en den ons versellenden Hottentot Keijser waarschouwen dat zijl. soo eeven van eenige der voor ons staande Hottentotten, sorteerende voor een gedeelte onder de Kleijne Namacquas, hadden gehoort dat zij zig aldaar in aantogt bevonden om te gaan naar de Lange Valleij of de Picquetbergen, om van de aldaar woonende landbouwers soo veel vee te rooven als moogelijk zijn soude, en ten aansien ik sag dat de uijt de haare bij mij in gesprek staande Hottentotten sig al sagjes begonnen te retireeren, niet teegenstaande ik deselve in alle minnelijkh[e]ijd bejeegende, heb ik uijt vreese dat wanneer ik vandaar vertrocken soude zijn, sijl. herwaarts koomende haar boos voorneemen souden ter uijtvoer brengen, te meer dewijl zij van de geene waaren die hier ten platten lande soo veel roverijen en moorden gepleegt hebben, en dat zij behalven een snaphaan nog met boog en assegaaij gewaapent waaren; tot stuijting van dit hun quaad voorneemen onder deselve soo als se de vlugt begonnen te neemen, doen schietten, [8] bij welke actie tusschen de 30 en 40 van deselve zijn dood gebleeven, waaronder sig den voorm. capn. Swarte Booij bevond, zijnde desselfs soon Titus het ontkoomen, alhoewel denselven bij die geleegenth[e]ijd is gequetst geworden, gelijk ik zulx aan desselfs caros, door hem in de loop agter gelaaten, hebbe kunnen verneemen, hebbende sig de andere bij die coraal gehoorende Hottentotten met de vlugt gesalveert, en is door mij voorts in haare coraal drie kruijthoorens vol met kruijt en een parthij koogels gevonden, mitsgrs. ses beesten door haarl., van Albert van Zjl en een do. van Hendrik Gildenhuijsen [9] gestoolen.

Naar deese ontmoeting heb ik mij begeeven naar het land der Kl[e]ijne Namacquas en daardoor drie daagen lang voort gemarcheert zijnde, ben ik eijndelijk aan strand gekoomen, langs hetwelke ik mij voorts begeeven heb na de Cungrevier, [10] alwaar bij mij gekoomen zijn drie Grigriquas [11] en twee Strand Bosjesmans, welke twee laatste ik afvroeg waar het schip 't welk voorgegeeven werd dat gestrand was, sig bevond, zijnde mij daarop door die Hottentotten ten antwoord gegeeven dat zij van geen schip wisten en nog minder dat in die gantsche conterijen een schip soude zijn verongelukt, daarbij voegende dat dat gerugt was uijtgestrooijd door den voorseijden capn. Swarte Booij, denwelken aan de voorseijde Cousrivier een coraal van de Strandbosjesmans aangedaan, sommige derselver vermoord en meest al haar vee weggeroofd hebbende, aan de Kl[e]ijne Namacquas die hem afvroegen waarom hij die menschen dus vermoord en gespolieerd had, tot zijn verschooning ten antwoord gaf dat hij die Bosjesmans dus gehandelt had omdat zij eenige manschap der E. Comp. die met haar schip daar waaren gestrand, hadden vermoord, 't welk mij meede wierd bevestigt door de overgebleevene Bosjesmans van die coraal, wanneer ik met mijn volk bij haarl. aan de Cousrivier gekoomen ben; ter welker plaatse insgelijx geen taal of teeken van een schip hebbe kunnen verneemen, edog mij op het berigt van die Hottentotten niet durvende vertrouwen, ben ik met eenige manschap nog wel 30 mijien noordwaarts op het strand verder gemarcheert, sonder alweederom iets te kunnen verneemen, en mij hierop soo door vermoeijdh[e]ijd als bij gebrek van waater buijten staat bevindende om verder te kunnen gaan, heb ik soo om die reedenen als door dien mij door een Strandbosjesman wierd berigt dat hij over een maand of drie geleeden, bij de Groote Namacquas en selfs tot aan de Sandrivier langs het strand was geweest, sonder een schip daaromtrent gesien te hebben, en overzulx begon te twijffelen ofwel ooijt soo een schip omtrent die cust gestrand was, raadsaam geoordeelt te rug te keeren na de Cousrivier, bij mijn daar overgebleevene manschap, hebbende egter voordat derwaarts te rug keerde, twee Grigriquas en twee Strandbosjesmans, die ik voor agt daagen met kost voorsag, langs het strand naar de meergem. Groenerivier [12] in het land der Kl[e]ijne Namacquas vloeijende, afgesonden, met recommandatie dat zijl. wel ter deegen souden toesien ofse daar ergens teegens het strand niet een schip souden koomen te verneemen, met belofte dat ik haarl. zulx geschiedende, een mooije vereering soude geeven, hun wijders ordonneerende dat zij mij vervolgens te gemoed souden koomen ter plaatse daar men de voorm. rivier met waagens en beesten moet overtrecken, zijnde zulx omtrent een dagreijsens van de mond van gem. rivier, het geen deselve ook hebben gedaan, mij daarbij rapporteerende dat zij geen schip of iets dat daarnaa geleek hadden, gesien.

Moetende den ondergeteekende hier bij voegen dat het niet wel doenelijk is dat een schip teegens die kusten soude kunnen stranden en daarbij heel blijven vastsitten, door dien deselve kusten soo ver als hij heeft kunnen sien met swaare klippen, die zig ver in zee uijtstrecken, zijn beset, het welk aldaar een extraordinaire swaare branding veroorsaakt, invoegen dat wel te denken is dat wanneer een schip het ongeluk had van daarinne te geraaken, hetselve aanstonts aan flenteren soude werden geslaagen; hebbende ook in die gantsche landstreek geen baaij, haven, reede, rivier of een plaets gevonden daar een vaartuijg, laat dan staan een schip, soude kunnen aankoomen, dog heb daar op de stranden en voor al na de kant van de Cousrivier veel drijfhout en daaronder swaare boomen gesien, welk een en ander volgens rapport der bij mij geweest zijnde Hottentotten, door seekere rivier door het land der Groote Namacquas vloeijende, de Groote gent., [13] in zee word uijtgeworpen.

Bij mijne te rug komst bij de Kl[e]ijne Namacquas heb ik van deselve voor de meede genoomene coopmanschappen ten behoeve der E. Comp. ingerujld een hondert en elf beesten, bestaande in vijftig ossen, vier en dertig koeijen en seeven en dertig klaveren, [14] dewelke ik op 's Comps. post het Vissershok [15] gelaaten heb, welke Kl[e]ijne Namacquas mij insgelijx hebben te kennen gegeeven dat die gerugten van het stranden van een schip door capn. Swarte Booij en sijn soon Titus waaren versonnen, ten eijnde als voorengemeld, voegende daarbij dat wanneer zijl. denselven Titus denwelken soo als hij den onderget. sag aankoomen, van haarl. de vlugt nam, konden magtig werden, sij hem denselven souden overleeveren, met betuijging dat zij blijde waaren dat hij onderget. den gedagten capn. Swarte Booij en de andere voorwaerts gem. Hottentotten hadden vernielt, alsoo deselve geduurig soo wel vrinden als vijanden quaad deeden en daar en booven na de vermaaning die zijl. deselve [16] gedaan hadden van niet te gaan steelen, nooijt hadden willen luijsteren.

Ende gemerkt deselve Kl[e]ijne Namacquas den onderget. geduurig om de vreede quaamen te versoeken, onder dierbaare verseekering dat zijl. geen deel hadden gehad aan al het quaad dat door eenige uijt de haare, sijnde de boovengem. doodgeschootene, is gepleegt, en dat zij hem boovensdien nog quamen te restitueeren 118 beesten, door Swarte Booij en Titus van Albert en Pieter van Zijl (aan wien deselve door den ondergeteekende zijn afgegeeven) gestoolen, heeft hij dienvolgens met deselve vreede gemaakt en hebben zij daarop betuijgt dat zij hun niet alleen altoos in rust souden houden en niemand quaad doen, maar ook nog dien onvermindert tragten d' E. Comp. in alle voorvallende geleegentheeden dienst te doen, en ben ik onderget. eijndelijk met al de met mij uijt geweest zijnde manschap op dato deeses in gesondh[e]ijd alhier aan de Caab te rug gekeert, meede te rugge brengende den Hottentot Diklip genaamt, ter saake dat denselven soude meede geholpen hebben om een slaaf van den landbouwer Albert van ZijI om het leeven te brengen.

- - - (Was geteekent) J. P. Giebeler. (In margine) Cabo de Goede Hoop, den 28 November 1739.

Sullende den in dit rapport vermelden Hottentot, Diklip, bij provisie en tot nader ordre na het Roppeneijland [17] worden gesonden om aldaar neevens de andere bandieten aan 's Comps. gemeene werken te arbeijden.

Ende ten aansien men ondervonden heeft dat sommige deeser ingeseetenen niet teegenstaande zulx van tijd tot tijd bij placcaaten en nog jongst op den 4 April 1727 [18] navolgens de geeerde ordre van Haar Wel Edele Hoog Agtb. de Heeren Seeventhienen op lijfstraffe is verbooden, sig egter hun eer en pligt vergeetende, nog koomen te verstouten op een clandestine wijse niet alleen vee van de landwaerts in woonende Hottentotten en Caffers te ruijlen, maar ook dat erger en vervoeijelijker is, die arme en ten opsigte der Europeers weerloose menschen het haare met geweld te ontrooven, waardoor aan dit land en dies ingeseetenen veel schaade en nadeel, mitsgrs. ook op deselve Gods oordeel gehaald word, gelijk zulx duijdelijk genoeg kan gesien worden aan de misgewaschen die men alhier eenige jaaren na den anderen omtrent de graanen heeft gehad, behalven andere besoekingen meer, is overzulx tot weeringe van diergelijke boosheeden op de propositie van den Edelen Heer Gouverneur gearresteerd en beslooten dat aan alle ende [een] igelijk deeser inwoonderen of wie het soude moogen zijn, bij placcaate [19] expresselijk sal worden verbooden ende geinterdiceert dat niemand voortaan sig sal hebben te verstouten eenige de minste veeruijling met de Hottentotten of Caffers, hoe gering zulx ook weesen mogt, meer te doen, nogte sig ten dien eijnde meer in persoon of met waagens en coopmanschappen landwaarts in te begeeven, dan wel i[e]mand anders daartoe te gebruijken, op paene dat bij aldien deselve na deesen daarop agterhaald en bevonden werden, al was het dat zij anders niet hadden gedaan als vee in den minne en sonder gewelt te ruijlen, hoeveel te meer dan wanneer hierom de gesegde Hottentotten of Caffers eenigen overlast sullen aangedaan hebben; buijten confiscatie van haar eijgen meede genoomene mitsgrs. het ingeruijlde vee, waagens en coopmanschappen, als stoorders de gemeene rust en schenders van regt en vrijh[e]ijd, naar exigentie en omstandigh[e]ijd van saaken sonder eenige oogluijking arbitralijk aan den lijve, ja selfs met de dood sullen werden gestraft, [20] ten welken eijnde en op dat de contraventeurs deeser beveelen te beeter sullen moogen werden agterhaald, aan alle de posthouderen van 's Comps. buijtenposten een afschrift van gem. placcaat sal werden ter handen gesteld, met expresse qualiflcatie en ordre dat soo dra zij koomen te hooren of te verneemen dat zig imand hieraan schuldig sal hebben gemaakt, dat zij hun als dan daarna soo veel in hun vermoogen is sullen hebben te inquireeren en van dat geen het welk hun te vooren sal zijn gekoomen, ons kennisse te geeven, mitsgrs. wijders dat zij alle de geene die omtrent haare posten souden moogen koomen en dewelke zij kunnen bevroeden dat in persoon of met waagens en goederen van meeninge souden moogen weesen tot veeruijling uijt te gaan, sullen hebben aan te houden en in handen van de justitie over te leeveren, omme als vooren gesegt is, na bevinding van saaken aen den lijve, ja selfs met de dood gestraft te kunnen werden.

Laatstelijk geresumeert weesende de respective nominatien door den Caabsen kerkenraad, mitsgrs. kerkenraaden van Stellenbosch en Draakensteijn, gelijk meede van burgerraaden, weesmeesteren en commissarissen van civiele en huwelijxe saaken deeser steede, neevens land-drost en heemraaden der voormelde buijten districten ingedient, [21] heeft men sig de gedaane verkiesing van Gijsbert la Febre tot ouderling deeser Caabse gemeijnte in de plaats van den afgaanden Jacob de Hennion laten welgevallen, en zijn daar en boven uijt het dubbeld genomineert getal voor de af te treedene diaconen David D'Aillij en Johannes Carolus de Wet, hiertoe weederom verkooren Hendrik Emanuel Blanckenberg [22] en Jonas van der Poel.

Soo als ook de electie van Dirk Cornelis Uijsch tot ouderling der gemeijnte van Stellenbosch in plaetse van Daniel Malang goedgekeurt, en uijt het dubbeld genomineert getal in de plaats van den uijtgediend hebbende Willem Morkel tot diacon verkooren is Claas Vlok. [23]

Gelijk meede de verkiesing van Steven Marais tot ouderling van Drakenst[e]ijn in steede van den afgaanden David de Villiers geapprobeert en in de plaats van de af te treedene diaconen Andries du Toit en Pieter le Roux, daartoe verkooren zijn Steven du Toit en Abraham de Villiers.

Maar dewijl dit jaar weederom geen commissaris politicq na de buijten districten staat af te gaan, sal deselve kerken raaden van Stellenbosch en Drakensteijn boovensdien werden aangeschreeven dat zij hierom zullen moeten sorge draagen dat de kerkelijke reekeneningen [24] hunner arme penningen ten spoedigsten doenelijk herwaerts worden overgesonden. [25]

Sijnde wijders uijt het dubbeld genomineert getal voor de afgaande burgerraaden Henning Joachim Prehn en Gijsbert la Febre, daartoe geeligeert Johannes Carolus de Wet en Jacob de Hennion; als meede tot weesmeesteren in steede van Rudolf Sigfried Alleman en Henning Joachim Prehn, Willem van Kerkhoff en Jan Hendrik Hop.

Ook zijn tot [26] commissarissen van civiele en huwelijx saaken, in steede van David D'Aillij en Pieter M[e]ijer, [27] verkooren Daniel Godfried Carnspek en Hendrik Valentijn Doman. [28]

Eijndelijk heeft men tot heemraaden van Stellenbosch geeligeert Jacob Cloete en Gerrit van der Bijl, mitsgrs. voor Drakensteijn Pieter du Toit [29] en David de Villiers, in steede van de afgaande heemraaden Johannes Louw Pietersz, Willem van As, Charle Marais en Pieter Booijens.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz.
HK. SWELLENGREBEL.
R. TULBAGH.
D. V. D. HENGHEL.
J. T. RHENIUS.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
MNS. BERGH.
CORNS. EELDERS.
JS. DE GRANDPREEZ. Rt. en Secrets.

 


Notes.

[1] Kyk C. 293 Memoriën en Rapporten, 8.12.1739, pp. 27-28.

[2] Kyk C. 293 Memoriën en Rapporten, 3.12.1739, p. 31.

[3] Kyk C. 719 Instructiën uit Holland en Batavia, 1652-1737.

[4] Johann Philip Giebeler van Nassau-Dillenburg was 'n soldaat in diens van die Kompanjie toe hy in 1727 na die Kaap gekom het. Hy is in 1729 tot sersant bevorder en het die volgende jaar die opsigter oor die Kompanjie se skuur in Rondebosch geword. In 1741 het hy uit die Kompanjiesdiens getree en hom as boer te Stellenbosch gevestig. Op 14.1.1742 is hy met Anna Margaretha Hop getroud. Toe Giebeler in 1746 oorlede is, het hy die plase Elsenburg en Muldersvlei by Stellenbosch besit.

[5] 'n Afskrif van hierdie joernaal is opgeneem in C. 615 Dag Register, 28.11.1739, pp. 285-292.

[6] Meerhoffs Kasteel, 'n berg in die huidige distrik Vanrhynsdorp, is genoem na Pieter van Meerhoff, die joernaalskrywer op Pieter Cruythoff se landtog in 1661.

[7] Blykbaar word die naam boeren hier gebruik om die gevestigde, blanke inwoners van die land, in teenstelling met die amptenare, aan te dui.

[8] In die Haagse kopie verbeter na schieten.

[9] Daar was in 1739 twee Hendrik Gildenhuyse in die Stellenbosse distrik woonagtig. Hier word waarskynlik verwys na Hendrik Albertus Gildenhuys (1717-1751), aangesien die ander Hendrik Gildenhuys "over de berg" in die latere distrik Swellendam gewoon het. Hendrik Albertus was die seun van Hendrik Gildenhuys en Elsabe Meyer en hy is op 9.11.1738 met Elisabeth Taillefert (1718-1791) getroud. Toe hy in 1751 oorlede is het hy die plase Vondeling in Drakenstein en Geitenbergsfontein by Saldanhabaai, asook 'n leningsplaas by die Paardeberg besit.

[10] Hieronder die Cousrivier genoem. Dit is die Buffelsrivier, wat ongeveer op die hoogte van die huidige dorpe Springbok en Ookiep in die Atlantiese Oseaan uitmond en wat teen die einde van die agttiende eeu die noordwestelike grens van die Kaapse nedersetting gevorm het. In Simon van der Stel se reisjoernaal van 1686 word dit die Sandrivier genoem.

[11] Die Grigriquas was aanvanklik onder verskeie name bekend, o.a. Charingurina, Charinguriqua, Chariqua en Gregeriqua. Met die stigting van die Kaapse nedersetting het hulle in die omgewing van Saldanhabaai gewoon, maar later het hulle noordwaarts getrek en hulle by die Kamiesberg in Namakwaland gevestig. Kyk I. Schapera and B. Farrington (eds.): The Early Cape Hottentots (Dr. O. Dapper: Kaffrarie of Lant der Kaffers, anders Hottentots genaemt), pp. 24-26.

[12] Die Groenrivier ontspring in die Kamiesberg en vloei tussen die teenswoordige dorpe Garies en Bitterfontein deur na die see. Olof Bergh verwys in sy reisjoernaal na dieselfde rivier as die Groene Doornbosch Rivier, Simon van der Stel noem dit die Groote Doornbosch Rivier en in 1724 noem Rhenius dit die Tweede Doornrivier.

[13] Die Oranjerivier was onder die Kaapse burgers as die Grootrivier bekend. Op 17.8.1779 het kol. Robert Jacob Gordon die rivier na die Prins van Oranje vernoem.

[14] In sowel die Haagse kopie as die dagregister verbeter na kalveren.

[15] Vissershok, tussen Kaapstad en Malmesbury, was sedert 1683 een van die buiteposte van die Kompanjie.

[16] Die gekursiveerde woord is tussen die reëls bygeskryf.

[17] In die Haagse kopie verbeter na Robbeneiland.

[18] Kyk C. 682 Origineel Placcaat Boek, 4/9.4.1727, pp. 341-344; M. K. Jeffreys en S. D. Naude (neds.): Kaapse Plakkaatboek II (4/9.4.1727), pp. 129-130.

[19] In die Haagse kopie staan bij placcaat.

[20] Kyk C. 683 Origineel Placcaat Boek, 8.12.1739, pp. 33-37; M. K. Jeffreys en S. D. Naude (reds.): Kaapse Plakkaatboek II (8.12.1739), pp. 167-169.

[21] Kyk C. 239 Requesten en Nominatiën, 7.12.1739, 6.12.1739, 29.11.1739, 7.12.1739, 7.12.1739, 5.12.1739 en 23.11.1739, pp. 91-92, 93, 94-95, 96-97, 98-99, 100-101 en 102-104.

[22] Hendrik Emanuel Blankenberg (1716-28.3.1759) was die seun van Johannes Blankenberg en Catharina Bouman. Hy is op 6.9.1739 met Johanna le Febre getroud.

[23] Nicolaas Vlok (1720-1775) was die seun van Arend Vlok en Catharina Cleeff. Hy is op 5.12.1739 met Christina Maasdorp (1719-30.8.1804) getroud.

[24] In die Haagse kopie verbeter na reekeningen.

[25] Kyk C. 524 Uitgaande Brieven, Raad van Politie: Goew. en Raad - kerkraad, Stellenbosch, 8.12.1739, pp. 580-581 en Goew. en Raad - kerkraad, Drakenstein, 8.12.1739, pp. 582-583.

[26] Die gekursiveerde woord is tussen die reëls bygeskryf.

[27] Hy was die seun van Pierre Meyer en Aletta de Savoye en is in 1745 ongetroud oorlede.

[28] Hendrik Valentyn Doman (1711-1743), 'n seun van Gabriel Doman en Anna de Groot is op 1.5.1735 met Geertruyd Valk getroud. Met sy dood het hy die plase Tygerberg en Hoge Bergvallei in die Tygerberg, en Leeuwenkuil by die Gouritzrivier besit.

[29] Pieter du Toit (1697-16.5.1768) was 'n seun van Francois du Toit en Susanne Seugnet. Hy was getroud met Elisabeth Rousseau (1696-15.2.1785).