Donderdag den 11 Februarij 1740, 's voormiddags.

Alle present.

Onse Heeren en Meesteren bij derselver geeerd aanschrijvens van den 4 September des voorl. jaars, [1] dat met het op den 7 deeser maand Februarij gearriveerde schip Loverendaal ontfangen is, den Heer capn. Johannes Thobias Rhenius goedgunstiglijk hebbende gelieven te permitteeren om ingevolge van desselfs gedaan versoek zijnen overigen leevenstijd buijten den dienst alhier te moogen doorbrengen, is Zijn E. derhalven staende vergadering voor alle de door hem geduurende den tijd van 34 jaaren aan d' E. Comp. beweesene diensten bedankt en dus daaruijt ontslaagen, inmiddels dat weederom op het voordraagen van den Heer Gouverneur om den dienst als capiteijn met alles wat daaraan dependeert bij provisie waar te neemen is aangestelt den luijtenant Rudolf Sigfried Alleman, [2] mitsgrs. ook op approbatie van welgemelte Haar Wel Edele Hoog Agtb. tot vaandrig met ƒ40 per mt. den sergeant Wijnand Willem Muijs, [3] ten aansien door deese gevallene verandering dit guarnisoen noodwendig nog een bequaam officier heeft koomen te benoodigen.

Waarna wijders met aandagt geresumeert zijnde den voorseijden brief onser hoogstgedagte Heeren en Meesteren, is naar serieuse overweeging van saaken best gedagt en beslooten dat daarop met onderdanigh[e]ijd sal werden gerescribeert:

Dat men bij voorkoomende geleegentheeden van die natuur als waarvan geweest is de saak van het bewuste Deensschip de Gravinne van Laurwig, daaromtrent met de vereijschte omsigtighejd sal handelen, ten eijnde dus aan de ordre en intentie Hunner Wel Edele Hoog Agtb. na beste vermoogen te kunnen voldoen, en betreffende de 39 valsche ducatons en een leeuwendaalder gevonden onder het geld dat successivelijk van hier na Batavia gesonden is, dat de waerde van dien bereijts voor lange door den doenmaaligen cassier aan d' E. Comp. is voldaan soo draa men kennisse van dit geval en ordre hiertoe ter deeser plaatse van de Heeren van de Hooge Indiaasse Regeering bij missivens van den 31 October 1737 en 25 Januarij 1738 [4] heeft ingekreegen.

En belangende den tabacq dat deselve nu eenigen tijd herwaarts uijt 's Comps. pakhuijsen niet meer gedebiteerd of uijt het vaderland geeijscht is, is door den Heer Gouverneur aen den Heer independent fiscaal, Mr. Daniel van den Henghel, staende vergadering serieuselijk gerecommandeert geworden ingevolge van desselfs pligt naauwkeurige sorge te dragen dat ër geen tabacq werde aan de wal gebragt, het welk Zijn E. beloofd hebbende te sullen doen, is in verwagting van dien en dat den particulieren handel in tabacq soo veel mogelijk zij sal worden geweert, goedgevonden dat met de aanweesende retourscheepen 50000 lb. van dat kruijd bij den af te gaanen eijsch uijt het vaderland sullen worden gepetitioneert, in vertrouwen dat deselve haar vertier soo doende wel sullen kunnen vinden.

Sullende voorts weegens het getal der ankers dat hier thans gevonden word een behoorlijk rapport in geschrifte door den equipagiemeester, Jacobus Möller, [5] moeten werden opgesteld en overgegeeven, behelsende hoeveel derselver men ter deeser plaatse tot gebruijk van 's Comps. scheepen noodwendig van doen heeft, en gevolgelijk hoeveel van de overige ankers die hier te veel souden mogen zijn, na Batavia sullen kunnen worden afgescheept, op dat men onse Heeren en Meesteren van het een en ander na behooren sal kunnen berigt doen toekoomen.

Ook sal het geordonneerde Hunner Wel Edele Hoog Agtb., namentlijk dat bij het afsterven van een Gouverneur alhier, den secunde persoon, soo daartoe geen wettige reedenen van verhinderingen mogten zijn, altijd bij provisie de voorrang sal hebben om het gouvernement deeser plaatse op sig te neemen tot dat den nadere ordre van wel opgem. Haar Wel Edele Hoog Agtb. dien aangaende sullen weesen ingekoomen, in het toekoomende bij soo een geval schuldpligtig werden opgevolgt; gelijk in 't vervolg meede bij het ontbieden van masthouten ten behoeve deeses comptoirs op de eijsschen neevens het getal der restanten van dien sal werden bekent gesteld de palmen en lengte van de geene die hier nog in voorraad souden moogen weesen.

Terwijl daarenbooven hoogst gedagte onse Heeren en Meesteren ten versoeke van den E. soldijboekhouder, Cornelis Eelders, op het oodmoedigste sullen werden bedankt voor de goedh[e]ijd aan hem omtrent zijne verheffing tot de qualiteijt van coopman dus genereuselijk beweesen.

Sijnde voorts aan den boekhouder en secretaris van justitie, Daniel Godfried Carnspek, [6] thans hierom versoekende [7] en als sig zulx door desselfs goed gedrag en het vlijtig waarneemen van desselfs aanbetrouwde ampt waardig koomende te maaken, toegestaan een eerbiedig request aan dikwils gemelde Heeren Majores te presenteeren om na het voorbeeld zijner predecesseurs met de qualiteijt en gagie van ondercoopman te moogen werden begunstigt, waarop Haar Wel Edele Hoog Agtb. sullen werden versogt een gunstige reflexie te willen neemen, en soo meede op het versoekschrift het welk nu geaccordeert word aan den boekhouder en secretaris der weescamer, Joachim Nicolaus van Dessin, [8] nader te presenteeren om almeede tot ondercoopman te moogen werden bevordert. [9]

Laatstelijk is geleesen seeker versoekschrift door den adsistent Joan Boijens [10] in de volgende bewoordinge overgegeeven: [11]

Aan den Wel Edelen Gestr. Heere Hendrik Swellengrebel, Gouverneur van Cabo de Goede Hoop en den ressorte van dien etca. etca., beneevens den E. Agtb. Politicquen Raadt.

Wel Edele Gestr. Heer en E. Agtb. Heeren,

Geeft met verschuldigt respect te kennen Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. seer needrigen dienaar, den adsistent Joan Boijens, hoe den suppt. bij zijn vertrek uijt het vaderland aan desselfs huijsvrouw, Johanna Groen, heeft vermaakt drie maanden gagie jaarlijx, 't geen door deselve ook is genooten, dan ten aansien gem. zijne huijsvrouw in den jaare 1736 binnen Rotterdam [12] is koomen te overleijden en aldaar in de groote[kerk] begraaven is, soo neemt den suppt. de vrijh[e]ijd sig in alle eerbied te wenden tot Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. met gantsch de[e]moedig versoek dat deselve van die goedh[e]ijd gelieven te zijn voorsz maendcedul te laten rooijeeren, of bij aldien zulx alhier niet kan geschieden, dat alsdan door Uwe Wel Edele Gestr. en E. Agtb. ten dien eijnde favorabel aan de Heeren Seeventhienen mag werden geschreeven.

(Onderstond) 't Welk doende &a. &a.

Over welkers inhouden gedelibereert weesende, beslooten is dat men het daerbij gedane versoek tot vernietiging van desselfs maandcedul met de aenweesende retourscheepen aen Haar Wel Edele Groot Agtb. de Heeren Bewindhebberen ter Camer Delft [13] behoorelijk sal voordragen.


Aldus geresolveerd ende gearresteerd in 't Casteel de Goede Hoop, ten daage en jaare voorsz.
HK. SWELLENGREBEL.
R. TULBAGH.
D. V. D. HENGHEL.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
[14]
MNS. BERGH.
CORNS. EELDERS.
JS. DE GRANDPREEZ. Rt. en secrets.

 


Notes.

[1] C.447 Inkomende Brieven: Here XVII - Goew. en Raad, Kaap, 4.9.1739, pp. 33-39.

[2] Rudolph Sigfried Alleman is in 1693 in Neuendorf, Duitsland, gebore. Hy het in 1720 as soldaat na die Kaap gekom en is agtereenvolgens bevorder tot korporaal (1725), sersant (1728) en vaandrig (1729) . Hy is op 15.1.1730 met Alberta Meyboom getroud. Sy is in 1754 oorlede en Alleman op 22.7.1762. 'n Engelse vertaling van Alleman se biografie, geskryf deur 'n tydgenoot, is deur die Van Riebeeck-Vereniging uitgegee. G. F. Mentzel: Life at the Cape in Mid-Eighteenth Century; D. W. Krüger and C. J. Beyers (eds.-in-chief): Dictionary of South African Biography III, pp. 18-19.)

[3] Wynand Willem Muys van Doesburg (1707-1754) is op 18.11.1742 met Sara Vessuup, die weduwee van Hendrik Boitet getroud. Die teenswoordige Muizenberg is na hom genoem.

[4] C.446 Inkomende Brieven: Goew.-gen. en Raad, Batavia - Goew. en Raad, Kaap, 31.10.1737 en 25.1.1738, pp. 1-50 en 271-279.

[5] Jacobus Moller was die seun van Hendrik Christoffel Moller en Margaretha Marquardt. Hy is in 1697 aan die Kaap gebore en het op tienjarige ouderdom by die Kompanjie in diens getree. In 1725 is hy as ekwipasiemeester aangestel en die volgende jaar het hy 'n lid van die Raad van Justisie geword en is hy met Debora de Koning (1709-1748) getroud. Toe Moller in 1747 of 1748 oorlede is, het hy agt huise in Tafelvallei en die plaas Boshof aan die Liesbeek besit.

[6] Daniel Godfried Karnspek van Rügenwalde was 'n seun van Christoph Lucas Karnspek en Judith Flesch. Hy het in 1721 as soldaat na die Kaap gekom, maar het in 1724 na die klerklike personeel oorgegaan. In 1739 is hy as sekretaris van die Raad van Justisie aangstel. Hy is op 9.5.1728 met Johanna Magdalena Bergh getroud. Karnspek is in Julie 1747 oorlede.

[7] C.239 Requesten en Nominatiën, ongedateer, pp. 202-203.

[8] Hy was die seun van Christian Adolf van Dessin en Margaretha Elisabeth van Hönemörder en is in 1704 in Rostock, Duitsland, gebore. Na sy skoolopleiding in Berlyn het hy in 1726 by die V.O.C. diens aanvaar en die volgende jaar is hy as soldaat na die Kaap gestuur. Hy het egter na die klerklike personeel oorgegaan en het in 1737 sekretaris van die weeskamer geword. Hy is op 10.12.1730 met Christina Ehlers (1703-1752) getroud. In 1757 het hy weens swak gesondheid uit die Kompanjiesdiens getree. Van Dessin is op 18.9.1761 aan die Kaap oorlede. (W. J. de Kock (ed-in-chief): Dictionary of South African Biography I, pp. 851-853.)

[9] C.239 Requesten en Nominatiën, ongedateer, pp. 204-205.

[10] Joan Booyens van Rotterdam het in 1739 as assistent uit Batavia na die Kaap gekom. Sy naam kom tot in 1742 in die monsterrolle voor onder diegene wat buite diens was.

[11] C.239 Requesten en Nominatiën, ongedateer, pp. 200-201.

[12] Belangrike hawestad in Suid-Holland aan die Maasrivier en 'n sytak, die Rotte.

[13] Stad aan die Schie in Suid-Holland.

[14] Christoffel Brand, 'n seun van Burchard Brand en Catharina Harts, is in 1700 aan die Kaap gebore. Hy het in 1724 'n lid van die Raad van Justisie en vier jaar later 'n lid van die Politieke Raad geword. Sy huwelik met Sara van Brakel (1704-1775) was kinderloos. Brand is in 1764 oorlede.