Dingsdag den 17 October 1741, 's voormiddags.

Alle present, uijtgenomen de Heeren Rijk Tulbagh, Mr. Daniel van den Henghel en Pieter Rheede van Outshoorn.

Seekere missive van land-drost en burgercrijgsraad van de buijten districten, gedateert den 3 deser loopende maand October, [1] op heeden in vergaaderinge geleesen en geresumeert sijnde, is verstaan dat de daarbij versogte ses vaten met buscruijt en twaalfhondert stux snaphaan steenen na jaarlijx gebruijk om te dienen tot het exerceeren der coloniers onder Stellenbosch en Drakensteijn sorteerende, in de wapenhandel mitsgrs. het doen van den aanstaande wapenschouwing aan Stellenbosch, aan haarl. sullen werden verstrekt, synde wijders om de in gedagte schrijvens aangehaalde reedenen den luijtenant der Drakenst[e]ijnse dragonderscompagnie, Daniel van der Lith, [2] van die dienst ontslaagen en vervolgens tot luijtenant in desselfs plaats aangestelt de cornet onder deselfde compagnie, Pieter Booijens, welke plaatse wederom is vervult geworden met den wagtmeester, Arnoldus Maasdorp.

En nademaal den Heer Gouverneur van voorneemen is bij aldien dit door tusschen koomende saakelijkheeden niet word verhindert, bovengem. wapenschouwing in persoon te gaan bijwoonen, sullen oversulx gelijk hetselve andersints volgens gewoonte soude hebben moeten geschieden, dit jaar geen gecommitteerdens tot dies inspectie behoeven gesonden te worden, van 't welke aan gesegde land-drost en burgercrijgsraad tot narigt ook bij missive kennis sal worden gegeven. [3]

Terwijl laa[t]stelijk nog gearresteert is dat billietten sullen worden aangeplakt tot waarschouwing dat den Heer independent ficaal Pieter Rheede van Outshoorn nevens gecommitteerdens uijt den Raad van Justitie deses Gouvernements op den 13, 14 en 15 der aanstaande maand November sullen vaceeren om te doen eijken allerhanden gewigten, ellen en maten, en dat ook land-drost en heemraaden op dien selven tijt ten voorsz eijnde tot Stellenbosch ten huijse van gem. land-drost sullen sitten, op dat alle ende een ijgelijk deser ingeseetenen soo van de Caab als Stellenbosch hun op den bepaalden tijt ter plaatse waaronder sij sorteeren tot het laaten eyken van haare ellen, maten en gewigten sullen kunnen laten vinden.


Aldus geresolveert ende gearresteert in 't Casteel de Goede Hoop, ten dage en jaare voorsz.
HK. SWELLENGREBEL.
R. S. ALLEMANN.
NS. HEIJNING.
CL. BRAND.
MNS. BERGH.
CORNS. EELDERS.
JS. DE GRANDPREEZ. Rt. en secrets.

 


Notes.

[1] C.447 Inkomende Brieven: landdros en burgerkrygsraad, Stellenbosch - Goew. en Raad, Kaap, 3.10.1741, pp. 589-591.

[2] Daniel van der Lith van Harlingen was die seun van Anthonie van der Lith en Anthonetta Dorothea Schagen. Hy het in 1706 as adelbors by die Kompanjie in diens getree, maar in 1724 het hy sy ontslag geneem en 'n vryburger geword. Op 26.8.1736 is hy met Johanna de Jongh getroud. Van der Lith was die eienaar van die plase Koelenhof by Stellenbosch, Brandvlei by Goudini en Wagenboom aan die Wagenboomsrivier.

[3] C.526 Uitgaande Brieven: Goew. en Raad - landdros en burgerkrygsraad, Stellenbosch, 17.10.1741, pp. 358-359.