Vrijdag den 12: Jann: 1767.

Alle present.

Aan de persoone van Magtelda Crevelt, dewelke door den opperCoopman en p:l Secunde deeses gouvernements, d' Heer Jan Willem Cloppenburg, volgens geobtineerde permissie van haar Wel Edele Hoog Agtb: de Heeren Majores in't Patria, wanneer zijn E: in a:o 1762: met het Schip Leijmuijden, uijt het vaderland is vertrocken, ten dienste van desselfs oudste Dogter, meede is genoomen, toegestaan zijnde, onder betaling van 't gewoone Transport en Costgeld, om in de Cajuijt gelogeert en getracteerd te werden, met het ter Rheede leggend Retourschip Enchuijsen, naar 't Patria te rug te keeren; is daar en teegen, aan den p:r ged:ten Boodem van Batavia hier gekoomenen Burger, Johannes Matthias Wieneke, gepermitteerd, ter Saake zijner Indispositie, tot nadere Scheeps geleegendheijd, alhier over te blijven.


Aldus Geresolveerd ende Gearresteerd, In't Casteel de goede Hoop, Ten Dage en Jaare voorsz.
R: Tulbagh
J:W: Cloppenburg
Meinertzhagen
D:d D'Aillij
P: Hacker
O M Bergh R:t en Secret:s
A: v: Schoor.
Dingsdag den 13: Jann: 1767. 'S voormiddags

alle present.

Met het ter rheede leggend retourschip Velzen, alhier aangebragt, mitsg:s heeden in Raade geresumeerd weesende, het seer geagt aanschrijvens van haar wel Edele groot Agtb: de Heeren der hooge Indiase Regeering tot Batavia, de dato 6: Novb: des voorl: Jaars; is beslooten, daarop in allen Eerbied te rescribeeren.

Dat mits den gewenschten uijtslag van het graan gewasch hier te lande, de gepetitioneerde 500: Lasten Tarwe behoorlijk Sullende werden voldaan, men daar en tegen, in opvolginge van haar Wel Edele groot, Agtb: geEerde beveelen, voortaan geene verstreckingen van Caabs gezouten vleesch, aan de uijtkomende Scheepen meer zal laten geschieden, ten ware dies overheeden daar om, Speciaal mogten komen versoek te doen, als wanneer voor't gewigt en verdere behandeling van dat vleesch, behoorlijk zorge zal werden gedragen, gelijk men meede niet zal afzijn, om de alhier in Cassa gestelde gelderen, van den Schipper Volkert groeneweg van Oudshoorn, ten bedrage van ƒ812:16, zoo wel als de ƒ1805:- waar voor door denselven de geordonneerde Cautie is gesteld geworden, gem: Indiase hoofdplaatse ten goede te brengen, mitsg:s om voortaan geen provisioneele Schippers, op de uijtkomende Scheepen meer, te plaatsen, maar het Commando op alsulke vacant rakende bodems op te dragen, aan opperstuurlieden, welke hetselve met gerustheijd zal kunnen werden aanbetrouwd.

Ondertusschen dat in nakominge van haar wel Edele groot Agtb: verdere geagte ordres, aan de overheeden der hier aan te landene vaderlandse Scheepen, bij Schrijftelijke ordonnantie zal werden gelast, om de fusten die met zout water aangevuld, zoo wel als de geene waar in het versch water onbruijkbaar geworden is, niet in het ruijm leedig te laten lopen, maar op het dek te haalen, en daar uijt te storten; 't geen bij Continuatie invoegen voorsz: gedagte Scheepsoverheeden zullende werden aanbevoolen, zal men voorts niet in gebreeken blijven, om bij verschijning, 't zij alhier ter rheede, dan wel in een der baaijen deeser uijthoek, van Schip of Scheepen, die na p:mo deeser maand van Batavia of van elders, naar Neederland zijn afgevaardigd, de gehoudene Resolutiën van den breede of Scheepsraad van de overheeden dusdaniger Bodems af te vorderen, en ter decisie, aan de hoog gebiedende Heeren Meesteren in't Patria, te Suppediteeren.

De door Welgem: Heeren der hooge Indiase Regeering op dit gouvernement getrockene Wissels, ten bedrage van Rijxd:s 8951 1/24: Conform de meede ontfangene Notitie, na aftrek van 4: pC:to Rabat, aan de resp: houders dier wissels, zullende betaald, mitsg:s ten opzigte der Chineesen Poa Seengko, en lie Tjokko, migts:s den herwaarts gerelegeerden Prins Minte /:desselfs vader Jacob Pompan op de herwaarts reijse overleeden zijnde:/ meede agtervolgens het geordonneerde gehandeld werden, sal men wijders haar Wel Edele groot Agtb: op het Eerbiedigste bedanken, zoo voor het aanleggen met goederen en provisiën ten behoeve deeses gouvernements, van de Scheepen Sonnesteijn en Vreedelust, als wegens de in eerstgem: kiel afgescheepte 24: p:s heele aams Schoven, en een kas met Schrijfgereedschappen, die in het Schip Nieuw Rhoon, voor deese plaats in 't Vaderland afgeladen, dog hier niet te vinden Zijn geweest.

Vervolgens wierd door den Heere gouverneur geproduceerd, Seeker Schriftuur, door den op 't aanweesend' uijtkomend Schip Ruijteveld bescheijdenen onderCoopman M:r Johannes Adrianus Jacobus van Middelhoven, bij zijn aan Land komste aan zijn Edele overhandigt, luijdende als volgd.

Aan de Hoog Edele Heeren gouverneur, en Raden van Cabo de goede Hoop.

Vertoond met verschuldigden Eerbied, en ontsag, Johannes Adrianus Jacobus van Middelhoven, thans fungeerende in qualiteijt als onderCoopman op het Schip Ruijteveld, gecommandeert wordende door den Manhaften Heer Carsten Vink in dienst der Edele Agtbare Heeren Bewindhebberen van de geoctroijeerde Oost Indische Compagnie, ter Camer Zeeland, dat na dat den Supp:lt zig getermineert had, om met zijne famielie, bestaande in een vrouw en vier kinderen, zijn Vaderland te quijteeren, en zig mits dien van daar te delogeeren, naar het ver afgeleegen Oosten, ter bereijking, ware het mogelijk, van een Sortabel fortuijn, zoo voor zig Selven, als ten nutte zijner opgenoemde huijsgenoten, hij zig heeft verpligt gevonden, om tot Secours van Sijne voornoemde vrouw en kinderen, te moeten meede voeren, een Domesticq, Speciaal wijl de eerstgenoemde Seedert veele Jaren heeft gelaboreert, aan verscheijde accidenteele Lichaams qualen, welke absoluit /:bevoorens Sij haar op zoo eene gedugte Reijs quam te begeeven:/ vorderde, dat zij bij alle voorvallende gelegendheden van dusdanig eene adsistentie gemunieerd was, dat den Suppliant van de noodsakelijkheijd in deesen volkomen overtuijgd zijnde, zig dan ook ten gepasseerden Jaare bij Requeste heeft geaddresseer; aan de Edele Agtbare Heeren Bewindhebberen van de generale Oost Indische Compagnie der verEenigde Neederlanden, uijtmakende de vergaderinge van Seeventhienen, met dat gedienstig versoek, dat hun Edele Agtb: hem Suppliant het meede neemen, van een Domesticq, onder de voldoeninge van het gunt daar toe was Staande, gratieuselijk geliefde te Consenteeren.

Dat hoogst gedagte Heeren Bewindhebberen den Suppliant op dien bepaalden voet, met een gunstig appoinctement verEerd hebbende, hij na 't obtineeren van 't Selve, alle moeijte heeft geadhibeert, om zig van een goed en bequaam voorwerp te voorsien; dat den Suppliant na hier toe lang genoeg recherge gedaan te hebben, eindelinge aan de hand gekomen is, de persoone van Elisabeth Maria Arlaud, geboortig van Constantinopolen, en dies tijds kost en School houderesse binnen Middelburg in Zeeland, dat den Suppliant aan de gemelde Elisabeth Maria Arlaud, het meede gaan naar Oost Indiën geproponeerd hebbende, en van haar, na verloop van Seekeren gefixeerden tijd, binnen dewelke sij hier over, haare gedagten had gereguleert, geaccepteerd zijnde geworden, met haar heeft gemaakt, het volgende Notariaal Contract, het welk aldus is luijdende.

"Op den 21. April 1766- Compareerde voor mij Gerardus Beljaert, openbaar Notaris bij den Edelen Hove van Holland, Zeeland en Westvriesland geadmiteerd, resideerende binnen Middelburg in Zeeland, present de nagenoemde getuijgen, Johannes Adrianus Jacobus van Middelhoven, en desselfs vrouw Juff:r Susanna Adriana Oversdijk, beijde binnen deese Stad woonagtig, dog staande te vertrecken naar Oost Indiën, den Heer Eersten Comparant voor ondercoopman in dienst der Edele Heeren Bewindhebberen van de Oost Indische Compagnie, ter Camer Zeeland, ter eenre, en Juff:r Elisabeth Maria Arlaud, meerderjarige Jonge Dogter, hier woonagtig, ter andere zijnde, welke Comparanten verclaren, met den anderen verdragen, en over een gekomen te zijn, om gesamentlijk op een Bodem van hier te vertrecken, na Oost Indiën, onder een Speciaal voor uijt beding, dat de twee eerstgenoemde Comparanten op zig Sullen neemen, om de Juff:r derde Comparante onder hunne directie en opzigt te houden, werwaarts zijn hun in het Oosten in tijden en wijlen zouden mogen bevinden, ten waare zij juff:r derde Comparante mogte verkiesen om tot Batavia zullende /:met gods hulpe:/ weesen de eerste en provisioneele plaats hunner Residentie, zig ter needer te stellen ofte wel op zodanige andere, als zij zal oordeelen haar best te Convenieeren, alsoo de twee eerstgem: Comparanten aan de Juffrouw derde Comparante altoos de faculteijt geeven en overlaten, om te gaan en te keeren, daar en zoo haar te raden werden sal, sonder dat zij in eenigerlij maniere aan de twee eerstgenoemde Comparanten, ofte hunnen dienst, zal verbonden zijn, die haar Edele egter zoo lang zij zig bij haar hebben, van al het noodige, na mate van hun vermogen, zullen voorsien, en alimenteeren, voor welke Subsistentie zij Juff:r derde Comparante in remuneratie aan de twee eerstgemelde Comparanten niets zal verschuldig zijn, dan aan hunne kinderen te geeven, een fatzoenelijke educatie, zoo lang zij zig bij inwooninge onder haar sal bevinden, dog Sal zij Juffrouw derde Comparante daar en tegen ten haren Laste moeten neemende voldoeninge van het gerequireerde transport en Costgeld bij deese Oost Indische Camer betaald moetende worden, welke ongelden de twee eerstgem: Comparanten niet te min, uijt eene onbedwongen genereusiteijt, in Cas haar Edele die gelden van haar Selfs niet mogte hebben en van een ander alhier in't vaderland verpligt was te negotieeren, als eijgene Schuld op zig Sullen neemen, en daar voor aan den geenen van wien ze die bekomen zal hebben passeeren een acte obligatoir, om die penn: bij de eerste Scheeps occasie, aan den houder dier acte vrij van alle onkosten in S Comp:s Cas af te leggen en te restitueeren.

Tot Securiteijt, nakominge en prestatie van het geene voorschreeven is, verbinden de resp: Comparanten hunne persoonen en goederen als na regten, die Stellende ten bedwang van alle regten en regteren zoo hier als elders, gepasseert binnen Middelburg voornoemd, present Pieter Teerling, en Willem de Grusen als getuijgen, des avonds laat zijnde agt uuren, accordeert met zijn origineel die behoorlijk is geteekend en genombert quod attestor Gerardus Beljaert Not:s pub: Een Contract Hoog Edele Heeren! het geen den Suppliant vertrouwd, dat aan u Hoog Edele zal voorkoomen, indiervoegen geschikt en gesteld te zijn, dat het allesints de preuve van een liber en Edelmoedig Engagement bij hoogst deselve zal mogen weg dragen, dat voorts na de Solemniteijt van dit voorschreeve Contract, den Suppliant ter genoegdoening aan den inhoude van 't selve, zig heeft gesteld als borge en principale Schuldenaar voor de bij haar genegotieerde kost en Transport gelden ter Somma van drie hondert en Seeventig guldens."

Dat den Suppliant na dit alles verrigt, en zig tot de reijs finalijk geprepareert te hebben, zig 'S daags voor de bij Heeren Bewindhebberen geordonneerde monsterring of afdepecheering van het gemelde Schip, zijnde geweest den 17 Julij 1766 met zijn familie en de voornoemde Elisabeth maria Arlaud, heeft doen Embarqueeren, dat den Suppliant middelerwijl zijn verblijf ter rheede van Rammekens leggende voor de Stad Middelburg, het geene geweest is, seedert den gemelden 17. Julij tot den 2. Augustus daar aan, dat van hun vertrek van daar en selve al korte dagen na zijne inscheeping, tot Sijne overgroote Surprise in de gemelde Elisabeth Maria Arlaud heeft bespreurd, zulk eene libertijnse manier van Leeven, dat den Suppliant zig genoopt vond, om haar hier over eens en andermaal in het vriendelijke te onderhouden, met Recommandatie, van sig wat geretireerder te willen gedragen, dog met dat onverwagte gevolg dat in Steede van zig aan deese vermaning na behooren te reverendeeren, zij in weerwil van dit alles, heeft kunnen goed vinden, daar inne te Continueeren en voort te vaaren; Selfs na dat den Suppliant, dit vrij Scherp ten aanhooren van alle de officieren en verdere vrienden aan haar herhaald had; dat den Suppliant onvermindert dit alles, zig nog Steeds gevleijd heeft, met die hoop, dat zij Elisabeth Maria Arlaud, bij het aanvangen en voortsetten van de reijs, welk niet dan voor den 22. augustus jongst gepasseerd, is ingevallen, door dien 't voorsz: schip den 3. dier maand, na dat den 2de van 't vlacke af, van voor Rammekens het anker geligt had, door Contrarie wind weder tot voor Vlissingen heeft moeten te rug keeren, haar libidineus gedrag, ten besten voor haar selven, en tot meerder genoegen voor den Suppliant, onder wiens opzigt en Directie zij haar bevond, zoude ingerigt hebben, dan 't vertrek vant voorsz: Schip daar gekomen, en geluckig in zee gevallen zijnde, heeft den Suppliant van die zoo wenschende hoop moeten despereeren, door dien hij de voornoemde Elisabeth Maria Arlaud met geen menschmogelijkheijd konde diverteeren, van deese hare meer en meer gedeterioreerde Conduite, zulx hij bij het aandoen en inloop van de Baaij van Baltheson in de Eijlanden van Hitland met het voorsz. Schip op den 31. augustus voorengem: ter verkrijging en afhaling van versch water, voor het volk, wijl er bij den Scheepsraad beslooten was, om benoorden om te zeijlen, door gebrek van bequame gelegendheijd, om de ordinaire route te konnen passeeren, is verschuldigt geweest, om in deesen en ter Sijner decharge klagtig te moeten vallen, aan en bij het Caracter van haar Hoog Mogende de Heeren Staten generaal der verEenigde Neederlanden, den Heer Thomas Gordon, als gestelden Commissaris of Consul over die Baaij en alle verdere Noorder gedeeltens van groot Brittanje, van wien den Suppliant dan ook, na dat hij Consul zig van alles naauwkeurig had doen informeeren, op zijne ootmoedige beede bekomen heeft, de hier na geinsereerde Attestatie behelzende als volgt.

"Ik Thomas Gordon, gesteld als Commissaris of Consul, wegens de Hoog Mogende Heeren Staten generaal der vereenigde Neederlanden, over alle de Noorder gedeeltens van groot Brittanje, verclaarde en attesteere bij deesen, dat op den 31. Augustus 1766, ter rheede van Baltheson, geleegen in de Eijlanden van Hitland is gearriveert en geankert het Oost Indische Compagnie schip wegens de Camer Zeeland, genaamt Ruijteveld, gecommandeerd wordende door den manhaften Schipper Carsten Vink, en gedestineerd naar Batavia.

Dat ik ondergeschreeve zoo ras verstendigt was van de aankomst van het voorschreeve Schip, niet alleen hebbe getragt te ondersoeken, wat hetselve benoodigt had ter verversching van de Sieken en verdere manschap daar op dienende, maar hoedanig het gesteld was, met relatie tot de goede harmonie tusschen de gesamentlijke officieren op het gedagte Schip militerende, dat na hier omtrent mij zoo exact mogelijk geinquireert te hebben, niet onduijster hebbe bespeurd, dat 'er eenig ongenoegen subsisteerde tusschen den ondercoopman Johannes Adrianus Jacobus van Middelhoven, den Opperstuurman Jan Verheken en den Derdewaak Louis Holleman, zonder dat hier onder eenig ander officier begreepen was; dat den ondergeschreeve daar op alle de verdere officieren gehoord hebbende, heeft verstaan, dat de onlusten waaren gecauseert, door de persoone van Elisabeth Maria Arlaud, ter oorsake zij met den voornoemde opperstuurman en den derdewaak was houdende zulk een familiair verkeer, dat zij tijdig en ontijdig in hunne hutten spesiaal in die van den opperstuurman logeerende, haar den dienst en hulpe die zij verschuldigt was te bewijzen aan de vrouw van den onderCoopman, quam te onttrecken, hoe Sterk zij ook aan haar bij Contract, mij ondergeschreeve behoorlijk ter Lectuure geproduceert was verbonden, dat den ondergeschreeve zig verpligt agtende, om na deese ingenomene informatie de vreede zoo veel mogelijk Zijn konde te bevorderen, de beijde parthijen dan ook heeft bevreedigt, en de voornoemde Juffer aangesegt, dat zij haar voorsigtiger en met meerder oplettendheijd moest gedragen, door dien zij van den Coopman en vrouw in alle ordentelijkheijd, zoo als alle de officieren aan mij onderschreeve verclaard hebben, behandeld wierd; hier meede deese mijne attestatie, welke ik aan den voorschreeve Coopman op zijn versoek, niet heb willen nog mogen weijgeren, Sluijtende verklare ik dat al het voorenstaande is de suijvere en opregte waarheijd, bereijd zijnde 't Selve ten allen tijde nader des gerequireert, met Eede te sterken, Actum aan Boord van't voorsz: Schip, geankert in de baai van Baltheson in Hitland den 7: September 1766. /:was geteekend Thomas Gordon."

Uijt deese attestatie flatteerd den Suppliant zig, dat U Hoog Edelheedens alleints gepersuadeert Sullen weesen, van de billijkheijd der bij hem geinstitueerde klagten bij en aan den voorschreeve Consul en hoe volledig al het voorenstaande hier door niet werd geverifieert, dog den Suppliant had Zeer gaarne gewenscht, en mogen lijden, dat na de opgenoemde en gemaakte Amicitie, hem geen verdere Reedenen gegeeven waren om zig de novo klagende, na elders te moeten addresseeren, alsoo hij van gantscher herten al het voorleedene met het uijtterste vermaak en genoegen des waerelds had getragt te Stellen, in 't Boek van een eeuwige vergetelheijd, maar geprovoceert zijnde door de persecutie van zoo een verfoeijelijken handel, waar uijt reets voortgevloeijd zijn, Cabaaldereijen, en Sulx verregaande Collusiën, dat het penetrantste fenijn daar van is overgeswaaijd tot in de zeer ligt en niet selden beroert zijnde gedagten en herten van de mindere gediciplineerde, welke hunnen Schipper en bevelhebber, indien niet groot en manmoedig genoeg geweest was, ter weeringe van alle insolentiën tragten te Subordineeren, Ja Selve te intimideren, door de aanneeminge van een brusque en wetstellend gelaat, het door andere niet onduijster bespeurd zijnde geinstigeert, zaken van een te verre gaande uijtzigt, die den Suppliant heeft vermeijnd niet te moeten veel min te mogen masqueeren, of in't duijstere Stellen, maar ter prevenieering van alle wanordres en dikwerf daar uijt voortvloeijende massacre, gelijk 't treurensweerdig Exempel van 'S Compagnies Bodem met name Nijenburg ons nog maar zo kort geleeden geleraert en bevestigd heeft, U Hoog Edelhedens te moeten ontvouwen, op open leggen, dat Hoog Edele Heeren er agt het den Suppl:t onder gods aanbiddelijke goedheijd, voor een meer dan gedenkwaardig voorregt van aan deese plaats zoo geluckig en buijten alle gevreesde rampen geankert en gearriveerd te zijn, waar door hem de gunstige gelegendheijd verschaft werd, om zijne toevlugt te konnen en te mogen neemen, tot de Hoog aanzienelijke en dierbare persoonen van U Hoog Edelhedens als desselfs wettige en Competente regteren in deesen, met die needrige en betamelijke supplicatie, dat het U Hoog Edelhedens opzettelijk beliefte zijn mooge om na hun aangeboorene en bekende oplettendheijd, zig op de waarheijd deeser positive, te informeeren, en na bevinding den Suppliant zoodanig een Regt te administreeren, als met derselver alom beroemde wijsheijd Sal over een Stemmen, 't zij door den Suppliant, in cas hij Schuldig bevonden wierd, ietswes onbetamelijk geperpetreert te hebben te imponeeren zodanig een straf als Hoogst deselve na merite Sullen vinden te behooren; dan indien den Supp:lt bij U Hoog Edelhedens buijten alle wettige accusatie mogt werden erkend en gehouden, versoekt hij onderdanigst, eene fatzoenelijke ontheffingen de Charge van de meergem: persoone van Elisabeth Maria Arlaud,met eene regtelijke mortificatie van voorenstaande Contract, tusschen hem Suppliant en haar gemaakt en aangegaan, mitsg:s dat U Hoog Edelheedens bevoorens 't vertrek van het voorschreeve Schip na Batavia, omtrent het tweede poinct Concerneerende het perturberen van de zoo zeer noodsakelijke en verlangende Scheepsrust, alsulke heijlsame maatregulen en ordres, zullen gelieven te neemen, als tot de duursame Concervatie van deselve zal konnen Strecken.

/:onderstond:/

'Twelk imploreert /:was geteekend:/ J:A:J: van Middelhoven.

Welk Schriftuur geleesen weesende, geliefde welgem: Heere gouverneur vervolgens te Seggen, dat nademaal gem: onderCoopman van Middelhoven, daar bij tot Slot heeft komen ter needer te Stellen, "Dat uijt voorsz: handel reets waren voortgevloeijd alsulke Cabalen en verrregaande Collusien, dat het penetrantste fenijn daar van ook was overgeswaaijt tot de minder gedisciplineerde /:denoteerende daarmeede, het gemeene Scheepsvolk:/ die hunnen Schipper ingevalle denselven haare insolentiën niet had weeten tegen te gaan, hadden getragt te Subordineeren, door de aanneeming van een brusque en wetstellend gelaat, hunl: gelijk niet onduijster was bespeurd, door andere geinstigeerd."

en dit berigt zijn Edele ten uijttersten vreemd was voorgekomen, dewijl daar van buijten des niet het allerminste, 't zij door den Schipper Carsten Vink, ofte eenige der andere officieren was gerapporteerd, hij Heere gouverneur dierhalven gem: Schipper en onderCoopman hadde geordonneerd, heeden in Raade te Compareeren, ten eijnde diesweegens te werden gehoord; waarop deselve binnen geroepen, en gedagten Schipper Carsten Vink, als doen na het voorsz: door den ondercoopman opgegeevene oproerig gedrag des volks, ondervraagd zijnde, heeft denselven in't bijweesen van evengem: ondercoopman betuijgd, sulx volstrekt bezijden de waarheijd voortgebragt te zijn, nademaal het voorsz: Scheepsvolk zig altoos behoorlijk en wel gedragen, mitsg:s bij alle voorvallen, zoo wel aan hun als de verdere officieren, allesints de verschuldigde gehoorsaamheijd hadde betoond, sonder dat 'er met haarl: geduurende de gantsche reijse iets anders of meer was voorgevallen, als alleen, dat op den 30: Decemb: pass:o wanneer men giste, deesen uijthoek binnen 6: a 8: dagen te kunnen besteevenen, en dierhalven door hem Schipper geordonneerd wierd, het randsoen, dat bevoorens voor een maand te gelijk was verstrekt, als doen voor agt dagen uijt te reijken, het voorsz: gemeene volk zulx wel liefst anders, en op den voorigen voet hadden willen ontfangen, dog bij ervaaring dat hun hiermeede op geenerlij wijze eenige verkorting wierd toegebragt, zig weederom ten vollen hadden te vreede gehouden, invoegen aan hem Schipper soo min als aan de Stuurlieden en Deks officiere door 't meergem: gemeen Scheepsvolk nimmer eenige Reeden tot klagen was gegeeven:

al het welke meerm: Schipper verders verclaarde, in Staat te zijn, met het getuijgenis van den gantschen Scheepsraad nader te bevestigen: Ende ten aansien geciteerden onderCoopman van Middelhoven, zig in allen deele met het voorsz: verhaal des Schippers quam te Conformeeren, sonder iets anders ofte meerder t zijner verschooninge te kunnen inbrengen, als dat, nadien het gebeurde omtrent de uijtdeeling van 't randsoen, door hem anders geconsidereerd, en in desselfs voorm: Schriftuur ter needer gesteld was, hij dierhalven als nu moes bekennen, sulx alleen door zijne onkunde, zoo wel in de zeevaart, als de Scheepshuijshouding en de gewoonte des volks, te zijn voortgesprooten, heeft men deese zaak dierhalven hier bij moeten laten berusten; Sullende meergem: Schipper Carsten Vink egter, desselfs hiervoorengem: deClaratie bij een Schriftelijke verClaaring niet alleen door hem met de opper en onderstuurlieden en Deks officieren van 't dikwilsgen:de Schip Ruijteveld, maar wel insonderheijd door meerm: onderCoopman van Middelhoven onderteekend, nader moeten verefieeren: welke attestatie vervolgens in copia authenticq soo aan de wel Edele groot agtb: Heeren Bewindhebberen ter Camer Zeeland, als aan haar Hoog Edelens de Heeren der Hooge Indiasche Regeering tot Batavia zal werden gesuppediteerd.

Nademaal door den het Fiscaals ampt pro interim waarneemenden onderCoopman Otto Luder Hemmij, in den voorl: Jaare in 'S E Comp:s Cassa alhier is geteld geworden de Somma van Vijfhondert Twee en Dertig Carolij guldens en 9: Stuijvers, omme in 't vaderland te werden betaald aan Steven Swart, Hendrik Hofham en Johan Adolph Haas, aan dewelke de alhier bekoomene assignaties ten dien eijnde dan ook zijn overgezonden, sonder dat voorsz: penn: egter door deselve hebben kunnen werden ontfangen, dewijl door de gedane abusive opgave, de naam van opgem: Johan Adolph Haas, niet zodanig, maar denselven in teegendeel onder de benaming van Johan Adolph de Haan, in geciteerde assignatie is gesteld geweest, gelijk Sulx door ged:te Hemmij bij een notarieele deClaratoir, thans nevens voorsz: assignatie door hem in Raade overgelegd, nader is geaffirmeerd; is dierhalven op desselfs Seer instantig gedaan versoek, goedgevonden, niet alleen het voorsz: abuijs ten Negotie Comptoire alhier behoorlijk te doen redresseeren, maar ook bovensdien aan haar Wel Edele Hoog Agtb: de Heeren Bewindhebberen ter vergaderinge van Seeventhienen Eerbiedig zal werden versogt, dat deselve het meerm: abuijs goedgunstiglijk passeerende, het voorsz: bedragen van geciteerde assignatiën ter Somma van ƒ532:9 als nu aan bovengem: Steven Swart, Hendrik Hofham; en Johan Adolph Haas, gelieven te laten voldoen.

Gelijk al verder op het dieswegens meede in Scriptis gedaan versoek, door Juffrouw Isabella Angenita Heijning, weed:e wijlen den E: Cap:tn ter zee en Equipagiem:r alhier Willem Vrugt, aan deselve is toegestaan, met een der Retourscheepen deeses Jaars, aan de Heeren Willem van Meeden præceptor der Latijnsche School, en Pieter Ligthart oud Schipper in dienst der E: Comp:n tot Amsterdam, in een kist lang 4 1/2 voeten, mitsg:s wijd en hoog 18: duijmen te mogen oversenden, sodanige kleederen, Linnengoed, goud- en Silverwerk, als wijlen der Supp:l bovengem: Man gedragen, en tot desselfs Lichaam gehoord hebbende bij verdeeling van hare twee stiefzoons Servaas en Steven Vrugt, zijn te beurd gevallen, mits visitatie Subject blijvende.

Vervolgens zijn geresumeerd geworden, de reecq: van de ondertenoemene vier in de buijten districten leggende kerken, luijdende als volgt.

Cassa Rekening der Armen Gelden, soo bevonden is op Ult:mo December 1766.
Debet
Uijtgegeeven aan alimentatien en diversse benodigtheden &:aƒ1716:03:
In Leen van haar Eerw: den kerkenraade van Cabod:o 9000:-:
Credit
Bij het Sluijten der voorige Jaars Reekening is er aan Contanten p:r restant onder cassa geblevenƒ853:-:
onder de godsdienst in't Jaar 1766 ontfangend:o 898:06:
Nog wegens Intressen, giften, kerken geregtigheeden &:ad:o1076:12:
Sommaƒ2828:02:
De uijtgaaf hier van afgetrockend:o 1716:03:
Soo blijft dit Jaar aan Contanten in Cassaƒ1111:15:
De uijtstaande Capitalen bedragend:o 3170:-:
De agterstallige Intressend:o 553:09:
De kerke ornamentend:o 1766:-:
Sommaƒ6601:08:
Afgetrocken van de nevenstaanded:o 9000:-:
Blijft aldus Diaconies Cassa Debetƒ2398:08:
Gereduceerd tot Hollands geld ƒ1918:16:

/:onderstond:/

Aldus Gedaan en nagesien in kerke Vergadering aan Stellenbosch den 7: Jann: 1767.

/:onderteekend:/

J: Appeldoorn, D:k de Vos, N:s Vlock, Joh:s Louw, J:R: van As, Johannes Groenewald, Jan de Villiers, J Pietersz.

'T Generale montant des Capitaals deeser Drakensteijnsche Diaconij Armen, bestaat in 't volgende.
Anno 1766: primo Jann: was't Capitaalƒ10765:15:
In dit Jaar bijgekoomen.
Aan aalmoessenƒ854:13:
d:o Intrestend:o 717:-:
d:o kerkhofsgeregtigheedend:o 244:08:
d:o huurbankend:o 99:-:
d:o Testamentaire giftend:o 25:-:
d:o 1940:05:
ƒ12706:04:
Gaat af.
Aan onkosten der armenƒ805:06:
d:o d:o der kerk en desselfs gebouwend:o 1009:-:
ƒ1814:06:
Blijft onder Ultimo Xber 1766ƒ10891:14:
bestaande in de volgende parthijen, als
Aan Cassa over restantƒ1591:14:
d:o Obligatiën en Scheepenkennissend:o 9300:-:
Sommaƒ10891:14:
ofte Hollands Courtƒ8713:10:

/:was geteekend:/ P: v:d: Spuij, T:A:s Theron, Pieter Loret, I: Blignaut, Wentsel Christ. Coetser, J: Le ries, J: Coetser, Daniel Du plesie, Petrus Marais.

Reekening, nopens den Staat der Armen Cassa in 't Land van Waveren, onder Ultimo December 1766.
1765
31 Decemb: was 't restant der in Cassa gebleevene Contantenƒ264:05:
In dit Jaar bijgekomen.
aan Contant, tot den opbouw van een nieuw Predikants wooning, ter leen ontfangend:o 12000:-:
d:o d:o van den ouderling Jacobus du Toit, meede opgenoomend:o 900:-:
d:o d:o van den Eerw: Heer Harders nog geleendd:o 315:-:
d:o d:o onder het doen van den godsdienst gecollecteerdd:o 1009:11:
d:o d:o overbetaalde kerkengeregtigheedend:o 24:-:
d:o d:o zijnde vrijwillige giften van Swellendam ingekoomend:o 77:14:
ƒ14590:14:
Daar van gaat af.
Over diversse uijtgaven wegens 't opbouwen van een nieuw Predikants Huijs het repareeren der kerk en andere onkosten meer, alles bij apart overgeleeverde Specificque Reekening blijkended:o 14374:07:
Blijvende dus onder dato deeser p:r Restantƒ216:07:
Daar en tegen is de kerk Debet, als volgt.
Aan de Diaconij van Cabo de goede Hoop volgens diversse Scheepenen kennissenƒ26000:-:
d:o Monsieur Jacobus du Toitals bovend:o 900:-:
d:o d' Eerw: Heer Hardersd:o 315:-:
ƒ27215:-:
Waar van detraheere, de bovengem: nu p:r restant blijvende Contantend:o 216:07:
Spp dat de kerk thans in 't geheel Debet blijftƒ26998:09:
Ofte aan Hollands Courr:t geldƒ21598:17:

/:onderstond:/

Aldus Gedaan en Nagesien, ter kerk vergadering in 't Land van Waveren, datum ut Supra.

/:was geteekend:/

R: Harders, VDM:, Jacobus du Toit, Jan Theron, Jacobus Theron, G:t H:k Meijer.

Reekening, nopens den staat der armen Cassa In 't Swart Land onder Ult:mo December 1766.
1765.
Ult:mo Decbr: was't Restant der in Cassa gebleevene Contantenƒ202:-:
In dit Jaar bijgekomen.
Aan aalmoesend:o 565:15:
item aan kerkgeregtigheden en vrijwillige giftend:o 507:12:
ƒ1275:11:
Daar van gaat af.
Diversse onkosten tot 't repareeren der kerk en kosters wooning, alles volgens overgeleeverde reecq:, uijtgaaf wegens enige andere benodigtheedend:o 831:06:
Dus blijft onder dato deeser p:r restantƒ444:05:
Daar en tegen is de Diaconij aan die van Cabo de goede hoop volgens diversse Scheepenen kennissen Debetƒ27000:-:
Waar van detraheere de bovengem: nu p:r restrant blijvende contantend:o 444:05:
Soo dat deese kerk nog Debet blijftƒ26555:11:
ofte aan Hollands Courtƒ21244:11:

/:onderstond:/

Aldus gedaan, en nagesien ter kerk vergadering in het Swart Land, datum als boven.

/:was geteekend:/

Gerardus Croeser vdm, Maerten Slabber, G: Slabber, Paul Retif, Johannis Verweij, A:s Gobreght, J:s van Aarde.

In welkers opzigte verstaan is, dat deselve volgens gebruijk, in Copia naar 't vaderland Sullen werden overgezonden.

Waar na nagesien weesende, de procuratiën, met de geannexeerde Zoldij Reecq:gen van alle zodanige persoonen, als op eene diesweegens geformeerde Lijst vermeld staan, tendeerende, om deselve Reecq: aan haare gemagtigdens in 't Vaderland te mogen oversenden, Soo is dien aangaande beslooten, deselve te Stellen in handen van den het Fiscaals ampt pro interim waarneemenden onderCoopman Otto Luder Hemmij, om daar meede volgens d' ordre der E Comp:n te werden gexamineerd.

Sijnde laatstelijk verstaan, omme seekeren Pieter Evertsz Hofman, die in a:o 1764: met het in de Baaij fals aangeweest zijnde Ceijlons Schip de liefde, voor krankbesoeker is uijt gekoomen, als in Europa geschavotteerd weesende, met een der Retourscheepen deses Jaars, voor de Cost Scheepsdienst doende, naar 't vaderland te rug te Senden.


Aldus Geresolveerd ende Gearresteerd In't Casteel de goede Hoop, ten dage en Jaare voorsz.
R: Tulbagh
J:W: Cloppenburg
Meinertzhagen
D:d D'Aillij
P: Hacker
O.M. Bergh R:t en Secret:s
A: v: Schoor.