Inventaris van de archieven van de Compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603
Compagnieën op Oost-Indië

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van het archiefbeheer
In het jaar 1856 werden de Koloniale archieven, bewaard te Amsterdam, naar het Rijksarchief te 's-Gravenhage overgebracht. Op deze instelling kwamen toen te berusten de bescheiden der Vereenigde Nederlandsche Geoctroyeerde O.I. Compagnie [1], voor zooverre deze destijds te Amsterdam aanwezig waren geweest, namelijk de archieven van de Heeren XVII enz. en van de Bewindhebberen der Kamer Amsterdam, benevens het archief der kamer Zeeland (dat in 1851 naar Amsterdam was verplaatst geworden). Toen jhr.mr. J.J.J. de Jonge voor de uitgave van zijn De Opkomst van het Nederlandsch Gezag in Oost-Indië 1595-1610 de papieren der Compagnie ging onderzoeken, trof deze Rijksarchiefambtenaar - gelijk bij Deel II, p. 285, mededeelt - daarbij een vijftal portefeuilles met handschriften aan, welke op de inventarissen bekend stonden onder den naam: oudste resolutiën van Gouverneur-Generaal en Raden. Deze bundels - vervolgt hij dan - bevatten echter voor het grootste gedeelte scheepsjournalen, brieven en papieren, betrekking hebbende tot de eerste scheepstogten der Nederlanders naar Oost-Indië. Nadat die stukken op het Rijksarchief behoorlijk waren uitgezocht en gerangschikt, werden zij in boekdelen vereenigd.
De door De Jonge medegedeelde foutieve omschrijving der portefeuilles is te vinden in den Inventaris, in 1809 en 1810 opgemaakt van de charters bij het Ministerie van Marine en Coloniën, berustend op het pakhuis genaamd Batavia (Rapenburgerstraat, Amsterdam) ; aldaar wordt op p. 17 melding gemaakt van resolutiën van Gouveneur-Generaal en Raden van het jaar 1595 af; bijgevoegd is eene aanteekening, dat de resolutie van 1595-1612 zeer slecht zijn geconditioneerd, meest verouderd en vergaan.
Deze omschrijving is vervolgens overgenomen in den Inventaris, in 1829 door P. L. de Munnik vervaardigd van het Oostindisch archief destijds berustend in het Westindisch Magazijn te Amsterdam; op p. 63 van den Inventaris staan vermeld Resolutiën van Gouverneur-Generaal en Raden van Oost-Indië, met gelijkluidende bijvoeging als in den Inventaris van 1809. Behalve van deze, blijkens de mededeeling. van De Jonge, deels tot de archieven der zoogenaamde Voorcompagnieën behoorende bescheiden, vinden wij in De Munnik's Inventaris op p. 1 bovendien melding gemaakt van een deel Resolutiën der Oude O.I. Compagnie November 1598-1600 en van een in 1599 aanvangend deel Resolutiën van de Vergadering van XVII. Het resolutieregister van 1598-1600 valt gemakkelijk te herkennen als het nummer 27 van den hierna volgenden Inventaris, terwijl met het als resoltutieregister der XVII aangeduide deel vermoedelijk het nummer 28 is bedoeld. Als nummer 30 is verder te herkennen een deel, waarvan het foutieve opschrift (Resolutiën van d'Oude Compagnie 1603 Juni, Augustus en September) door De Munnik is overgenomen.
De stukken uit de portefeulles zijn dan op het Rijksarchief, zooals De Jonge Mededeelt, in boekdelen vereenigd. Deze banden zijn door hem geciteerd als: Boeken der brieven en journalen van de.....voyage; de Rijksarchiefambtenaar Leupe in diens Inventaris der Verzameling Kaarten berustend in het Rijsarchief Eerste gedeelte vermeldt de banden als: M.S. Oude Reizen. [2]
In het jaar 1896 zijn de stukken opnieuw onder handen genomen door den adjunct-archivaris aan het Algemeen Rijksarchief mr. J. E. Heeres, toen deze zijn Inventaris van de bescheiden, behoorend tot de archieven der Voorcompagnieën, bewerkte. Van deze archieven vervaardigde mr. Heeres eene beschrijving, waarover mededeelingen worden gedaan in het Jaarverslag van het Algemeen Rijksarchief over 1896 . Bij deze beschrijving en ordening werden de stukken weder uit de boekbanden genomen. De inventarisatie door mr. Heeres is later nog een weinig gewijzigd door zijn opvolger dr. H. Th. Colenbrander (zie Jaarverslag over 1898). De inventaris van de archieven der Voorcompagnieën in het daarvan door dr. Colenbrander vervaardigde handschrift, heeft op het Algemeen Rijksarchief jaren lang goede diensten bewezen.
Het scheen evenwel thans gewenscht dezen Ms. inventaris te vervangen door eene gedrukte beschrijving. Om de redenen, vermeld in het Jaarverslag van het Algemeen Rijksarchief over 1926 , werd eene nieuwe beschrijving en ordening bewerkt, waarbij onder meer rekening moest gehouden worden met de eischen der Handleiding; aangaande deze nieuwe inventarisatie mogen hier enkele toelichtingen worden gegeven.
De op het Algemeen Rijksarchief aanwezige losse papieren der Voorcompagnieën, van welke de bescheiden aan de Bewindhebbers van de Kamers der V.O.I. Compagnie zijn overgegaan, bepalen zich tot stukken van de Compagnieën te Amsterdam. Bij de determineering, welke stukken geacht konden worden te behooren tot de archieven dezer Compagnieën, deed zich een kwestie voor in de aanwezigheid van bescheiden, ontvangen of opgemaakt na Maart 1602; van het tijdstip toch af, waarop tengevolge van de oprichting der V.O.I. Compagnie de functies van de Bewindhebbers der afzonderlijke maatschappijen aan de Bewindhebbers van de Kamers der V.O.I. Compagnie zijn overgegaan, hebben deze ook de zaken betreffende het bedrijf der Voorcompagnieën behandeld. Ik heb nu aangenomen, dat de losse stukken Maart 1602 aangaande het bedrijf der Voorcompagnieën na geacht mochten worden toe te behooren aan deze Compagnieën; als papieren, deze Compagnieën toekomend, zouden zij dan deel van hare archieven uitmaken. Naar dit criterium heb ik toen de scheidingslijn tusschen de papieren der V.O.I. Compagnie en die der Voorcompagnieën getrokken. Ook mr. Heeres en dr. Colenbrander blijken eene dergelijke opvatting te hebben gehad. Bovendien bestonden tegen deze scheiding geen bezwaren van praktischen aard, daar slechts weinig losse papieren uit het tijdperk na Maart 1602 betreffende de voyages der Amsterdamsche Compagnie zijn bewaard gebleven.
Behalve de bescheiden der Voorcompagnieën, aanwezig bij het archief der V.O.I. Compagnie, heb ik verder tot de archieven der Voorcompagnieën gebracht diverse stukken, in den loop des tijds voor het Algemeen Rijksarchief uit particulier bezit verworven, die geacht konden worden het karakter van archiefstuk te bezitten: ik noem bijvoorbeeld reisjournalen der tweede voyage (van 1598 onder Jacob van Neck), bij welker uitreeding de leiders zich hadden verbonden hunne reisaanteekeningen bij Bewindhebbers in te leveren. De enkele uit particulier bezit verworven papieren, afkomstig van Voorcompagnieën, van welke geen bescheiden bij het archief der V.O.I. Compagnie zijn bewaard gebleven, heb ik evenwel niet in deze inventarisatie betrokken.
Van de archiefstukken der Amsterdamsche Compagnieën zijn de papieren der Oude O.I. Compagnie en die der Eerste Vereenigde O.I. Compagnie bij elkander beschreven, daar de administraties in een bleken te loopen. De stukken zijn zooveel mogelijk gegroepeerd volgens de voyage, door welke zij indertijd zijn ontstaan. Binnen het kader eener voyage heeft dan verder de verschillende herkomst der papieren eener uitreeding de onderverdeling aangegeven, zoodat na elkander aan de beurt komen: papieren, ontvangen van de schepen op reis; van de achtereenvolgens teruggekeerde schepen; en uit de in Indië gestichte loges (deze term in ruimen zin genomen). Daarbij heb ik het criterium der voyage als onderneming den doorslag laten geven, zoodat bijvoorbeeld stukken, geschreven in een loge der tweede voyage, door schepen eener latere uitreeding overgebracht, ingedeeld zijn bij den tweeden scheepstocht.
Voor de aanteekeningen betreffende de diverse voyages, in den Inventaris bijgevoegd, heb ik de documenten zelve geraadpleegd, daarbij voorgelicht door het werk van De Jonge. De Opkomst van het Nederlandsch Gezag in Oost-Indië 1595-1610 . Deelen I en II en door het, dit werk somwijlen aanvullende, opstel van P. A. Tiele De Europeërs in den Maleischen Archipel, Zesde gedeelte 1598-1605 ( Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Vierde Volgreeks. Zesde Deel. 1882).