Zie nog voor bijzonderheden over de grootte der schepen, het
aantal koppen en de herkomst der leiders: het journaal, gehouden op de Zeeland
door stuurman Grummaert (Inventaris n°. 54).
Deze vernoeming is dus geschied vóór het tot stand komen van
de Vereenigde Compagnie te Amsterdam. Daarmede vervalt de grond voor het door
De Jonge,
Opkomst I, p. 108, uitgesproken vermoeden, dat
de namen zouden zijn gegeven ter eere van het geld, door kooplieden van het
Noorderkwartier (speciaal West-Friesland) in de Vereenigde Compagnie
gestoken.
Door eene verkeerde lezing dezer plaats deelt Van Brakel,
Hollandsche Handelscompagnieën, p. 3, noot 1,
mede dat de bewindhebbers der Nieuwe Brabantsche Compagnie in de vloot onder
Wolphert Hermansz. f 42.000 (twee en veertig duizend gulden) riskeerden.
In zijn brief aan Bewindhebbers van 13 Juli 1602 maakt
Heemskerck melding van brieven, gevonden in een Portugeesch fregat, door het
vice-admiraalschip Alkmaar aangehaald te Jortan kort voor 25 Juni.
Montalegre's brief met vertaling en de kaart zijn
gepubliceerd door P.A. Leupe in de
Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van
Nederlandsch-Indië, Derde Reeks, Deel II (1876).
Zie behalve den brief van Jacob Heemskerck aan
Bewindhebberen d.d. 13 Juli 1602 eveneens de resolutie van den Breeden
Scheepsraad, gehouden op de Gelderland onder den admiraal Wolphert Hermansz. 22
April 1602.
Het past hier melding te maken van de
Informacie van diverse landen ende Eylanden gelegen
naer Oostindien om aldaer bequaemelijck te handelen ende wat coopmanschap daer
valt, welk stuk in afschrift bewaard is gebleeven in het archief van de
Kamer Zeeland der V.O.I. Compagnie. In een Register van Artikelbrieven en
instructiën met bijbehoorende stukken 1602-1604 staat de Informacie
ingeschreven bij de papieren, medegegeven aan de vloot, einde 1603 onder
admiraal Steven van der Haghen uitgezeild. In een ander aldaar geregistreerd
stuk wordt onder de medegegeven papieren genoemd Stalpaert's memorie. De
Informacie, die vele gegevens bevat van iemand, die lang op Banda vertoefde, is
dus hoogstwaarschijnlijk geredigeerd door
Augustijn Stalpart van der Wiele.
Het stuk is gepubliceerd bij: Rouffaer en Juynboll.
De Batikkunst in Nederl.-Indië en hare
Geschiedenis, Bijlage III; fragmentarisch is het uitgegeven bij De
Jonge,
Opkomst III, p. 149, 163.
Hetgeen medegedeeld wordt door De Jonge,
Opkomst II, p. 465, is niet geheel juist. Zie
betreffende de schepen op 19 November 1600 en 14 Januari 1601: het reisjournaal
gehouden op De Morgenster en den brief van Cornelis Eemskerck,
November-December 1600 (behoorend tot de stukken betreffende de vierde
voyage).
¹) Hetgeen medegedeeld wordt door De Jonge.
OpkomstII, p. 465, is niet geheel juist. Zie
betreffende de schepen op 19 november 1600 en 14 januari 1601: het reisjournaal
gehouden op De Morgenster en den brief van Cornelis van Heemskerck
november-december 1600 (behoorende tot de stukken betreffende de vierde
voyage).
De vice-admiraal onderteekende zich in de stukken der
eerste en der tweede voyage, welke hij medemaakte: Cornelis van Eemskerck (in
latijnsche letter). In November 1599 wijzigt hij zijn naamteekening in Cornelis
Heemskerck (in latijnsche letter), in December 1599 schrijft hij zich eveneens
aldus in nederduitschen letter. In November 1600 luidt zijne onderteekening:
Cornelis van Heemskerck (in nederduitsche letter); in December 1600 en
September 1601 blijkt hij tot zijne oorspronkelijke naamteekening Cornelis van
Eemskerck (in latijnsche letter) te zijn teruggekeerd. In aanteekeningen
gepubliceerd door J.W. IJzerman in
Tijdschrift Koninkl. Nederlandsch Aardrijkskundig
Genootschap, Tweede Serie, deel XXIX (1921), hheeft deze opgehelderd de
verwarring van Cornelis Hendricxz. Heemskerck (broeder van Jacob Heemskerck)
met Cornelis van Eemskerck.
Het
Reisjournaal van Joris van Spilbergen maakt op
29 November 1603 melding van een ontmoeting bij St.Helena met een boot de Jager
onder den koopman Willem Verhaghen; blijkbaar is het jacht de Wachter
bedoeld.
Zie over de Witte Leeuw en Alkmaar, o.a.: R. Fruin,
Een onuitgegeven werk van Hugo de Groot (Verspreide
Geschriften III), benevens de stukken in archief Staten-Generaal,
Loketkas Processen n°. 21.
De brief, in Spaanschen text geschreven, is in fac-simile
uitgegeven bij: J.E. Banck,
Atchin's Verheffing en Val (1873), alwaar ook
eene vertaling gegeven wordt. Deze vertaling is overgenomen uit: J.J.F. Wap,
Het Gezantschap van den Sultan van Achin 1602 aan Prins
Maurits (1862). De op den brief aangebrachte tjap van den koning van
Atchin is in fac-simile gepubliceerd bij G.P. Rouffaer,
De Hindostansche Oorsprong van het "Negenvoudig"
Sultanszegel van Atjeh (Bijdragen Taal-, Land- en Volkenkunde van
Nederl.-Indië, deel 59 (1906)).
Het Algemeen Rijksarchief bezit bovendien een afzonderlijk
fac-simile van den brief, in 1873 aan die instelling aangeboden door de firma
Smulders en opgenomen in de verzameling Koloniale Aanwinsten onder n°. 138
B.
Dit stuk is als Aanwinst 1888, n°. 13b, verworven door
schenking van mr. C.P. Pahud de Mortanges. In de lijst van aanwinsten,
opgenomen in het gedrukte
Jaarverslag van het Rijksarchief te
's-Gravenhage, is foutief Hendrick Anthonisz. als kapitein vermeld.
Zie betreffende Gerrit Bicker en de uitreeding naar Rio de
la Plata: J.W. IJzerman,
Journaal van de Reis naar Zuid-Amerika 1598-1601 door
Hendrik Ottsen (Werken uitgegeven door de Linschoten Vereeniging XVI).
Betreffende de overbrenging uit Middelburg komt eene
aanteekening voor, die bijgevoegd is in het exemplaar van den Inventaris van
het Koloniaal archief te Amsterdam door P.L. de Munnick, dat in 1829 aan den
Minister van Koloniën is toegezonden en behoort bij diens verbaal van 24
December 1829, n°. 104.