Beschrijving van de archiefbestanddelen
1 | Verklaring van Bewindhebberen, dat zij twee stukken
geschut ter leen hebben ontvangen van de stad Edam.
|
2 | Copie-rekwest van Bewindhebberen aan Graaf Maurits van
Nassau om geschut ter leen te ontvangen, gericht aan de Staten van Holland en
door deze geapostilleerd. Notariëel gewaarmerkt.
N.B. gedrukt: De Jonge
Opkomst I, p. 201-204.
|
3 | Afschriften van de artikelen en ordonnantiën te
onderhouden op de vier schepen, door Graaf Maurits van Nassau, stadhouder van
Holland en Zeeland en admiraal van de Zee, vastgesteld 1595 januari 16 en
bevestigd door Bewindhebberen.
N.B. Beide afschriften zijn geschreven door dezelfde hand, die
ook de afschriften, vermeld Inventaris n°. 23, vervaardigde; vermoedelijk
hebben zij dus voor de behandeling derzelfde zaak moeten dienen.
|
4 | Instructie voor den scheepsraad, vastgesteld door
Bewindhebberen.
N.B. Gedrukt: De Jonge.
Opkomst I, p. 212-215.
|
5-12 | Stukken van den scheepsraad betreffende de geschillen
tijdens de reis.
|
13 | Afschrift der brieven, door Cornelis Nasen, Jan Jansz.
Carel en Willem Lodewijxz. te Bantam geschreven aan den scheepsraad,
vervaardigd door Jan Jansz. Carel.
|
14 | Brief van Willem Lodewijxz., Wouter Wilkens en Jan
Janzs. Swart te Bantam (aan den scheepsraad).
|
15 | Reisverhaal, gesteld door Corneils Jansz. Turck, tolk
op de Mauritius.
N.B. Dat de schrijver zich aan boord van de Mauritius bevond,
blijkt o.a. uit het aangeteekende op 4 augustus en 3 september 1595. De
mededeelingen van 17 september 1595 en volgende dagen wijzen uit, dat de tolk
Cornelis Turck het verhaal gesteld heeft.
|
16 | Reisverhaal, gesteld door Cornelis Jansz. Turck, tolk
op de Mauritius.
N.B. In het gelijk handschrift als het vorig nummer, voor
welks redactie het gebruikt is.
|
17 | Reisverhaal, gehouden op de Hollandia door Jacob
Jansz. Cackerlack, stuurman.
N.B. Blijkens eene mededeeling in het journaal op 10 januari
1596 was de houder er van maat van Vechter Willemsz.; deze was sedert october
1595 stuurman op de Hollandia. De houder is dus geweest Jacob Jansz.
Cackerlack, aanvankelijk onderstuurman op de Hollandia, die het journaal
eigenhandig heeft geschreven, gelijk blijkt na vergelijking van het handschrift
met dat van zijne handteekening. Jacob Jansz. - zooals hij zich teekent - wordt
met den toenaam Cackerlack o.a. vermeld in de resolutie van der scheepsraad van
26 october 1595 en in de aanteekeningen betreffende de reis (Inv. n°. 25).
Aan het journaal zijn toegevoegd teekeningen van
landopdoeningen; een tweetal dezer landverkenningen zijn gereproduceerd bij:
Rouffaer en IJzerman.
De Eerste Schipvaart II, p. 180, 186.
Betreffende ontleeningen van landverkenningen aan Cackerlack's
journaal ten behoeve van de uitgaven:
D'eerste Boeck. Historie van Indien door G. M. W. A. L.
(Willem Lodewijcksz.) (uitgave Cornelis Claesz. te Amsterdam 1598) en Appendix
????? van de Reyse der Hollantsche schepen op Java. (uitgave Barent Langenes te
Middelburg 1598) kan men raadplegen: Rouffaer en IJzerman.
De Eerste schipvaert, Deelen I en II (waarin
genoemde uitgaven opnieuw gedrukt zijn); vergelijk daarbij de aanteekening van
dr. R. D. M. Verbeek in diens opstel:
De Vulkanische Erupties in Oost-Java in het laatst de 16de
eeuw (Verhandelingen van het Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap voor
Nederland en Koloniën, Geologische Serie, deel VII, 1925, p. 157, noot
1).
|
18 | Reisverhaal, gesteld door Franck van der Does,
adelborst op de Hollandia.
N.B. Aan het hoofd van dit "Cort Verhael van de Navgatie ofte
Schypvaert...." staat gescgreven: "Francks van de Does". Op 26 maart 1595 komt
de mededeeling voor: "Ben ick Van der Does....aengenomen sijnde als
adelborst.....op het schip den Hollantschen Leeuw....".
Het reisverhaal is door Franck van de Does eigenhandig
geschreven; zulks blijkt na vergelijking van het handschrift met dat van den
brief van
22 september 1602, door Van der Does tijdens zijn
verblijf op Ternate eigenhandig geschreven en onderteeekend. (Zie hierachter
Inventaris n°. 72.)
Het reisverhaal benevens eene reproductie der eerste pagina is
laatstelijk met belangrijke aanteekeningen gedrukt bij dr. G. P. Rouffaer en
dr. J. W. IJzerman.
De Eerste schipvaart derder Nederlanders naar oost-Indië
onder Cornelis de Houtman 1595-1597, Deel II.
De oudste Journalen der Reis (Werken uitgegeven
door de Linschoten-Vereeninging XXV) p. 239-378. De aldaar op pg. 241, noot 1,
uitgesproken mening, dat het reisjournaal geen autograaf van F. van der Does
zoude zijn, wordt weergelegd door het handschrift van het vermelde schrijven
van 22 september 1602; (vergelijk daarbij de niet juiste mededeeling over den
duur van het verblijf van F. van der Does op Ternate, gedaan op p. XXXIX van de
Inleiding tot genoemd werk).
Het reisverhaal is eveneens gedrukt bij: De Jonge.
Opkomst II, p. 287-372.
|
19 | Reisverhaal, gesteld door Jeronimus Maryen, adelborst
op de Hollandia.
N.B. Het handschrift van dit reisverhaal is gelijk aan dat van
de akte van protest, door acht adelborsten op 20 november 1595 onderteekend.
Van deze adelborsten schrijft Jeronimus Maryen zijn naamteekening in een
schrift, hetwelk gelijk is aan dat van de (in Latijnsche letter geschreven)
eigennamen in het reisverhaal; het schrift van zoowel protest als van
reisverhaal moet dus van de hand van Maryen zijn. Adelborst Jeronimus Maryen
was aan boord van de Hollandia ; zulks valt op te maken o.a. uit eene
aanteekening van 25 april 1597, meldend dat het schip van Jan Jansz. Molenaer
(Mauritius) en het jacht "van ons" afgedwaald zijn: De schrijver moet zich dus
op de Hollandia bevonden hebben.
|
20 | Reisverhaal, gesteld op de Hollandia.
N.B. Dat dit verhaal gesteld is op de Hollandia, blijkt o.a.
uit de aanteekeningen op 10 januari 1596 en 26 mei 1597. Aldaar oordeelen ook
Rouffaer en IJzerman.
De Eerste Schipvaart I, p. XXVII; De Jonge.
Opkomst II, p. 285, gaf als zijn meening te
kennen, dat het vermoedelijk gehouden is op de Mauritius. Aan het verhaal
ontbreekt het gedeelte tusschen 11 september 1596 en 22 februari 1597.
|
21 | Reisjournaal, gehouden op het Duifje door Cornelis
Jansz. Ceulen, stuurman.
N.B. Dit journaal, bij het bovenschrift gemerkt: Cornelis
Jansen Ceulen, is door dezen, stuurman op het jacht het Duifje, eigenhandig
geschreven, gelijk blijkt na vergelijking van het schrift met dat van Ceulen's
handteekening.
Een extract uit het reisjournaal, omvattend het tijdperk
12 januari - 7 februari 1597, is gedrukt bij dr.
R. D. M. Verbeek.
De Vulkanische Eruptie's in Oost-Java in het laatst der
16de eeuw (Verhandelingen van het Geologisch Mijnbouwkundig Genootschap voor
Nederland en Koloniën. Geologische Serie, deel VII 1925, p.
191-196).
|
22 | Verhaal van hetgeen Aernoudt Lintgens op het eiland
Bali wedervaren is. (Afschrift, vervaardigd door Lintgens.)
N.B. Het oorspronkelijk verhaal is blijkens Lintgens'
aanteekening door hem overgegeven aan Jan Jansz. Carel.
Gedrukt door P. A. Leupe.
Bali 1597. in:
Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van
Nederlandsch-Indië. Nieuwe Reeks, deel I (1856), p. 203-232.
|
23 | Afschriften van stukken van den scheepsraad
betreffende de geschillen tijdens de reis.
N.B. Zie voor de origineele stukken Inv. nos. 5-12.
|
24 | Punten ter interrogatie van Gerryt van Boninghen, na
vertoon door Bewindhebberen onderteekend door Cornelis van
Heemskerck.
|
25 | Aanteekeningen betreffende de reis, naar gegevens
afkomstig van de Hollandia, over 1595 april - -1597 augustus 9; met adnotatie
van de namen der schippers, stuurlieden en commiezen bij het vertrek der vier
schepen.
N.B. Uit de aanteekening van 26 mei 1597 blijkt, dat de
gegevens afkomstig zijn van de Hollandia.
|
26 | Aanteekeningen betreffende Indische produkten en
handelswaren.
N.B. Het tweede gedeelte dezer aanteekening is geschreven in
hetzelfde handschrift als het hiervoor onder n°. 25 beschreven stuk.
|