Inleiding.
De Compagnie, die begin 1598 te Amsterdam tot stand kwam door de
vereeninging van de participanten in de eerste voyage, de uitreeding der
Compagnie van Verre, met die eener nieuw opgerichte maatschap, vinden wij
herhaaldellijk aangeduid als: De Oude Oost-Indische Compagnie (binnen
Amsterdam)
De naam wijst uit, dat de Compagnie geacht werd eene
voortzetting te zijn van de Compagnie van Verre; als andere benamingen
ontmoeten wij dan ook die van: Eerste Oost-Indische Compagnie, en van : Oude
Compagnie van Verre. In dezelfde lijn lag het gebruik van het merk der
Compagnie van Verre door Bewindhebberen der Oude Compagnie; voorbeelden daarvan
zijn bewaard op de archiefstukken Inventaris nos. 133 en 170.
De Oude Oost-Indische Compagnie telde 18 Bewindhebbers; hunne
namen worden medegedeeld door De Jonge.
Opkomst I p. 102. De bedragen, waarvoor elk
bewindhebber met zijne mededeelhebbers participeerde in uitreedingen der
Compagnie, staan opgegeven in de Resolutieregisters en in het stuk, vermeld
Inventaris n°. 32. De namen van het 16-tal hunner, datop de
bestuursvergaderingen compareerde, zijn te vinden in het deel Inventaris n°
30.
De bestuursbevoegdheid van Bewindhebbers is besproken door mr.
J. E. Heeres in diens artikel over de Oost-Indische Compagnieopgenomen in de
Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, Deel I, en
door mr. S. van Brakel in diens proefschrift
De Hollandsche Handelscompagnieën der Zeventiende
Eeuw, naar welke publicaties hier mag worden verwezen. In verband met
het bewaarde kladresolutieregister (Inventaris n°. 27) is het evenwel van
belang, nog eens te wijzen op de gewoonte der delegatie van bepaalde
bestuursbevoegdheden met betrekking tot de uitreeding aan gecommitteerden uit
de Bewindhebbers. Reeds in het jaar 1598 blijkt deze delegatie te hebben
bestaan. Eene nieuwe aanwijzing van gecommitteerde heeft dan plaats in de
generale bewindhebbersvergadering van 23 augustus 1599, bevestigd in die van 1
januari 1600, toen de commissieplaatsen als volgt over de 16 besturende
Bewindhebbers werden verdeeld:
Tot het College (d.i. het college voor de aanneming van volk;
deze gecommitteerde vinden wij meestal aangeduid als "deCollegianten") :
Reynier Pauw, Vincent van Bronckhorst, Jan Poppe, Elbert Symonsz. Jonckheyn,
Arent ten Grotenhuys.
Tot de scheepstoerusting: Pieter Dircxz. Hasselaar, Hendick
Buyck, Symon Jansz. Fortuyn, Syvert Pietersz. Sem.
Tot de vivres: Gerryt Bicker, Jacob Thomasz. van den Dael, Geurt
Dircxz., Jan Hermansz.
Tot de koopmanschappen: Jan Jansz. Carel, Dirck van Os, Cornelis
van Campen.
Wanneer de Bewindhebbers gezamelijk vergaderden, heetten deze
bijeenkomsten in het resolutieregister: Generale (of Solemneele) Vergadering.
Op eene dergelijke vergadering van 9 oktober 1599 werd bepaald, dat Reynier
Pauw continuelijk zou fungereeren als president en Vincent van Bronckhorst als
vice-president.
In de Bewindhebbersvergadering van 4 september 1599 werd
besloten tot de aanstelling van een bekwaam persoon, die de boeken van de
Compagnie zou houden op de Italiaansche manier ten huize van Maarten Spil (in
wiens woning- gelijk uit eene resolutie van 9 maart 1600 blijkt- Bewindhebbers
plachten te vergaderen). In de bijeenkomst van 11 september 1599 besloten
Bewindhebbers, dat het College zou aanemen Barent Lampe als boekhouder en
schrijver van de Compagnie voor den tijd van één jaar; zoals de archiefstukken
en het contract van october 1601 (Inventaris n°. 28) uitwijzen, is Lampe
sinsdien in dienst der Compagnie werkzaam gebleven.
In dezelfde bijeenlomst van 11 september 1599 benoemden
Bewindhebbers een uit hun midden: Cornelis van Campen tot "cassier en
collegiant".
Voor de scheepstochten (als ondernemingen der Compagnie) vinden
wij meestal den naam "voyage"gebruikt. De schipvaart van 1598 onder Jacob
Cornelisz. van Neck werd aangeduid als: de tweede voyage. Onder de acht
schepen, die aan deze voyage deelnamen, bevonden zich twee van de uitreeding
der Compagnie van Verre: de Mauritius en Hollandia; de zes andere schepen waren
vernoemd naar de stad Amsterdam en naar de gewesten der Republiek: Zeeland,
Gelderland, Utrecht, Friesland en Overijsel.
[1]
De schepen de derde voyage, die van 1599 onder Steven van der
Haghen, kregen de namen: Zon, Maan, Morgenster.
Voor de vierde voyage werden twee vloten uitgereed. De eerster
dezer, einde 1599 onder Jacob Wilckens uitgezeild, bestond uit vier schepen,
teruggekeerd van de tweede voyage, namelijk: de Mauritius, Hollandia, Friesland
en Overijsel. De andere vloot, in 1600 onder Jacob van Neck naar Indië
uitgereed, telde zes schepen. Volgens besluit van Bewindhebbers van 17 januari
1600 waren deze genoemd naar de zes groote steden van Holland; het
admiraalschip werd ook wel als Nieuw-Amsterdam aangeduid ter onderscheiding van
het gelijknamige schip der tweede voyage, dat toen nog niet in patria was
teruggekeerd.
In den herfst van 1600 kwamen Bewindhebberen gereed met eene
dubbele uitreeding. Een vloot van 5 schepen onder Wolphert Hermansz. zou
uitzeilen naar de Molukken (Banda en Ternate); zij was gevormd door drie
schepen, teruggekeerd van de tweede voyage: Gelderland, Zeeland en Utrecht,
waaraan waren toegevoegd de jachten de Wachter en het Duifje. Een andere vloot,
groot 4 schepen, onder Jacob van Heemskerck, was bestemd voor Atjeh; deze
bestond uit het schip Amsterdam der tweede Voyage (ook wel met den naam
Oud-Amsterdam aangeduid) benevens drie schepen vernoemd naar Hollandsche steden
in het Noorder-kwartier: Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen.
[2] In het kladresolutieregister staan achter eene notuleering
van 9 december 1600 ingeschreven de opgave dergenen, die zitting zouden hebben
in de Breede, Privé en Scheeps-Raden der beide vloten, en de verdeeling der
commiezen over de schepen.
Nog in dezelfde Wintermaand 1600 kwam te Amsterdam onder
aandrang der stedelijke regeering de maatschap tot stand, in welke Oude
Oost-Indische Compagnie en Nieuwe Brabantsche Compagnie zich vereenigden. Ter
aanduiding dezer Compagnie kwamen benamingen in gebruik als "Eerste Vereenigde
Compagnie op (van) Oost-Indië tot Amsterdam", of "Eerste Geüniëerde
Oost-Indische Compagnie tot Amsterdam".
De Compagnie telde 23 Bewindhebbers, wier namen staan opgegeven
in de boete-lijsten (Inventaris n°. 30); zij waren dezelfden, die in 1602
Bewindhebbers van de Kamer Amsterdam der Vereenigde Nederlandsche Geoctroyëerde
Oost-Indische Compagnie zou worden.
[3]
De Moluksche vloot van vijf schepen onder Wolphert Hermansz.,
die - zoals Bewindhebberen in hun brief van 20 november 1600 verklaren - geheel
uitgerust was uit het retour van de tweede voyage, bleef eene afzonderlijke
onderneming der Oude Oost-Indische Compagnie. Met de Atjehsche vloot van vier
schepen onder Jacob Heemskerk werden na de oprichting der Vereenigde Compagnie
te Amsterdam vier door de Nieuwe Brabantsche Compagnie uitgeruste schepen
gecombineerd. In het klad-resolutieregister staan onder dateering van
30 december 1600 opgegeven de bedragen, door de 18
Bewindhebbers der Oude Compagnie met hunne mede-participanten ingebracht in "de
acht gecombineerde schepen, gedestineerd naer Achin". Aan de opgave is
toegevoegd eene aanteekening van het bedrag, in deze acht schepen ingebracht
door de andere partij, luidende "De Nieuwe Bewinthebberen te samen f 420 000"
(vierhondert twintig duizend gulden).
[4] De vloot van acht schepen, onder Jacob Heemskerck in april
1601 uitgezeild, bestond behalve uit de vier reeds genoemde schepen (
Oud-Amsterdam, Alkmaar Hoorn en Enkhuizen) uit: de Zwarte Leeuw, Witte Leeuw,
Groene Leeuw en Roode Leeuw.
De reglementaire voorschriften, geldend voor eene voyage, waren
vervat in den door Prins Maurits gegeven artikulbrief en de door Bewindhebbers
vastgestelde instructie(ën). De artikulbrief, voor de tweede voyage onder Jacob
van Neek, door Maurits gearresteerd
7 maart 1598, is bewaard gebleven in een afschrift,
dat gebruikt is voor de redactie van den artikulbrief voor de twee schepen,
varend naar Rio de la Plata onder Laurens Bicker.
[5] Bij de stukken betreffende de voyage van 8 schepen, door de
Vereenigde Compagnie in 1601uitgereed, wordt voorts aangetroffen de
artikulbrief voor deze schipvaart, door Prins Maurits in februari 1601
vastgesteld ) zie Inventaris n°. 142).
Van de opeenvolgende instructiën is die voor den Admiraal en
Breeden Raad der tweede voyage bewaard bij de daarop betrekking hebbende
stukken. Behalve het College van den Breeden Raaf kent de instructie nog een
Privé Raad op het Admiraalschip en verder op de verschillende schepen Rechters
voor de Civiele justitie (elders Scheepsraad genoemd). Bij de volgende
uitreeding besloten Bewindhebberen op 25 februari 1599, dat men de order en
regeering van de derde voyage zou dresseeren naar de order en de gearresteerde
artikulbrieven en instructiën van de tweede voyage.
Toen de uitreeding onder Jacob Wilckens van de vierde voyage
gereed was, werden instructiën gearresteerd voor den Breeden Raad, den Privé
Raad op het admiraalschip, en de Scheepsraden op elk der vier schepen.
Verglijken wij met de instructie van 21 november 1599 voor den Breeden Raad
dezer schepen (Inventaris n°. 99) die, vastgesteld op 11 juni 1600 voor de zes
schepen onder Jacob van Neck, dan vinden wij verschillen, waarvan wij hier
vermelden, dat het resolutieregister van den Breeden Raad in de instructie van
1599 genoemd wordt: het secreet register, en in die van 1600: het boek der
resolutiën.
Bij de vloten, onder Wolphert Hermansz. en onder Jacob
Heemskerck in 1601 uitgezeild, fungeerden eveneens een Breede Raad, een Privé
Raad op de admiraalschepen en een Scheepsraad op elk der Schepen. Opgaven van
de kwaliteiten der personen, die in deze Raden benoemd werden, zijn te vinden
in het klad-resolutieregister van Bewindhebberen. De instructie voor den
Breeden Raad op Heemskerck's vloot is in het archief in concept bewaard
(Inventaris n°. 140); bovendien berusten daarin de instructiën voor den Privé
Raad op het Admiraalschip Gelderland van Wolpher Hermansz. en op Heemskerck's
Amsterdam (Inventaris nos. 130, 145) benevens instructiën voor de Scheepsraden
op de schepen van diens vloot (Inventaris nos. 141, 146, 147).
Geschiedenis van het archief
Aangaande eene vermelding in Compagnie's papieren van enkele,
in haar archief opgenomen, thans nog aanwezige bescheiden kan het volgende
worden medegedeeld.
Bij de uitreeding voor de tweede voyage hadden kooplieden,
schippers, onder-kooplieden, stuurlieden en onder-stuurlieden zich moeten
verbinden, "dat wy alle journalen, caerten, schriften, affteyckeningen van
landen, steden, stromen, reden, havenen, capen ofte hoecken, hemelsteyckenen,
coursen ende alle dependentiën van dese zeevaert, op dese voyage gemaect,
geannoteert, geschreven ofte vercregen, getrouwelijck sullen overleveren in
handen van den Admiraal ofte Bewindhebberen......sonder daeraff enige copie
ofte cladden te mogen achterhouden ofte andere mede te deelen, .....oock alles
so ons dese voyage belangende alreede ontdeckt is ofte tgene door de
ervarentheyt tot onser kennisse soude mogen comen secreet sullen houden, sonder
daeraff yemandt tot nadele van dese Compagnie eenige kennisse te geven."
In het kladresolutieregister vinden wij nu onder dateering van
20 augustus (1599) eene opgave van bescheiden, ingeleverd door
scheepsofficieren van de teruggekeerde schepen Mauritius, Holland, Friesland en
Overijsel, welke bescheiden aan Petrus Plancius werden doorgegeven. De opgave
vermeldt in de eerste plaats de journalen van Willem Jansz. stuurman, Symon
Jansz. Hoen, Wouter Wilckens, Jan Jansz. Mol van Haarlem, Jacob Pietersz.
schipper, Pieter Jansz. Borre stuurman, Symon Lambertsz. (Mau), Pieter
Gijsbrechtsz.; vervolgens verschillende kaarten met wassende graden en gemeene
paskaarten. Later werden daaraan nog toegevoegd het journaal van Govert Jansz.;
een aftekeening van Straat Soenda op perkament; bultekaarten door Adriaen Veen;
boeken, toebehoord hebbend aan den overleden stuurman Cornelisz. Jansz. Ceulen;
voorts quadranten, astrolabiën, compassen en globen.
Van de genoemde, aan Plancius overhandigde, journalen zijn
enkele in het archief der Compagnie bewaard gebleven, gelijk blijkt uit de
hierachter volgende beschrijving der stukken betreffende de tweede voyage
(Inventaris nos. 43, 44, 46).
In den inventaris heb ik niet kunnen opnemen verschillende
stukken aangaande de uitreeding der Eerste Vereenigde Compagnie op Oost-Indië
te Amsterdam, de voyage onder Jacob Heemskerck, welke deel uitmaken van het
archief der Staten-Generaal, maar overigens met de in dezen inventaris
beschreven stukken op ééne lijn staan. Het zijn origineele bescheiden, door
Bewindhebbers der Vereenigde O.I. Compagnie en door Jacob Heemskerck, ter
voldoening aan de resolutie aan de resolutie der Staten-Generaal van 25 maart
1605, overgelegd aan dit college in het geschil over het buitgeld van de door
Heemskerck veroverde Portugeesche kraak St. Catharina. De papieren bevinden
zich in de loketkast der Staten-Generaal, Afdeeling Processen, n°.21; zij mogen
hier worden vermeld, aangezien zij eene aanvulling vormen van de stukken,
behoorende tot het archief der Eerste Vereenigde Compagnie te Amsterdam. In
dezen inventaris beschreven.
Bij de proces-bescheiden van de Bewindhebbers der V.O.I.
Compaagnie bevinden zich de volgende, onder de bijgevoegde inventaris-letters
overgelegde origineele stukken:
- E. Instructie voor den Admiraal Heemskerck en Breeden
Raad.
(1601.)
- K. Inventarissen van goederen, bevonden in de kisten
van admiraal Jacob Heemskerck en vice-admiraal Jan Pauwelsz., gevisiteerd door
Bewindhebbers der V.O.I. Compagnie in tegenwoordigheid van gecommitteerden uit
het College der Admiraliteit te Amsterdam.
(1604.)
- L. Factuur van de goederen uit het schip Alkmaar, door
vice-admiraal Jan Pauwelsz. overgegeven aan adriaan Schaeck te Grissee.
1602 juli 27. Met bijgevoegde
schuldberekening.
1603 juni 17.
- M. Copie-facturen van de goederen uit de schepen Witte
Leeuw en Alkmaar, gelaten aan Daniel van der Lecq te Patani, en van lood en
sandelhout, denzelven in commissie toegewogen.
1602 november 14.
- N. Brief van Paolo van Soldt te Bantam aan
Bewindhebbers. Met daarin de opgenomen copie-brief van
1603 juni 5.
1604 januari 25.
- Q. Brief van admiraal Jacob Heemskerck op de Witte
Leeuw voor Bantam aan Bewindhebbers.
1603 augustus 27.
[6]
Onder de papieren, door Jacob Heemskerck overgelegd, bevinden
zich de volgende origineele stukken, op den inventaris en zijne deductie
gemerkt.
- Brief van Nicolau de Montalegre te Gissee aan Andre
Furtado de Mendoça, opperkapitein en generaal van de Zuiderzee en conquesten.
1602 juni 20(met vertaling in het Nederlandsch
door Jacob Heemskerck); met bijlage: Kaart van de Banda-eilanden door Emmanuele
God. di Eredia.
1601.
[7]