N.B. De acht schepen der tweede voyage: Mauritius
(admiraalschip van Jacob Cornelisz. Van Neck), Amsterdam (vice-admiraalschip
van Wybrant van Warwijck), Holland (ook Hollandsche Leeuw genaamd), Zeeland,
Gelderland, Utrecht, Vriesland en het jacht Overijsel staken 1 mei 1598 in zee.
Van deze schepen bereikten de Mauritius, Holland en Overijsel, die in
amaldeelwaren blijven varen, nadat zij in augustus 1598 van de anderen waren
afgeraakt, het eerst Bantam, te weten in november 1598. Op den laatsten dag van
het jaar kwamen aldaar ook de vijf andere schepen aan. In januari 1599 werden
de Amsterdam, Zeeland, Gelderland en Utrecht doorgezonden naar de Molukken,
onder Wybrant van Warwijck als admiraal op de Amsterdam en Jacob van Heemskerck
als vice-admiraal op de Gelderland. Tegelijk keerden de Mauritius, Holland,
Vriesland en Overijsel met rijke lading naar het moederland terug, waar zij in
juli 1599 arriveerden.
De vier schepen onder admiraal Van Warwijck kwamen begin maart
voor Amboina. Heemskerck met de Gelderland en Zeeland werd doorgezonden naar
Banda, waar deze schepen 15 maart 1599 arriveerden. Van Warwijck met de
Amsterdam en Utercht bleef voor Banda tot 8 mei 1599, toen hij naar Ternate
vetrok.
Begin juli verlieten de Gelderland en Zeeland de Banda
eilanden. Hier liet men Adriaen van Veen met enkele gezellen achter. Van Veen
hield verblijf op Lonthor, terwijl Augustijn Stalpart van der Wiele op
Banda-Neira werkte. Midden Augustus 1599 stak Heemskerck met de Gelderland en
Zeeland van de rede van Bantam in zee voor de terugreis naar het vaderland, dat
midden mei 1600 bereikt werd.
De Amsterdam en de Utrecht bleven tot 19 augustus 1599 voor
Ternate. Aldaar werd achtergelaten Franck van der Does met enkele gezellen.
Eerst einde januari 1600 verliet Van Warwijck de reede van Bantam om de reis
naar het moederland te ondernemen; de laatste twee schepen der tweede voyage
kwamen aldaar eind augustus aan.
Op de Banda-eilanden bleven Van Veen en Stalpart van der Wiele
tot juni 1602, toen zij vandaar werden meegenomen door schepen der voyage onder
Wolphert Hermansz.
[1]
Franck van der Does was nog op Ternate in den herfts van 1602;
in het jaar daarna wordt vermeld zijne loslating uit de gevangenschap van den
Vorst van Tuban op Java.
[2]