Inventaris van de archieven van de Compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603
Compagnieën op Oost-Indië

Beschrijving van de archiefbestanddelen

I.   Compagnieën te Amsterdam.

B.   De Oude Oost-Indische Compagnie (1598) / de Eerste Vereenigde Compagnie op Oost-Indië te Amsterdam (1600).

2.   Stukken betreffende de tweede voyage (uitreeding door de Oude Oost-Indische Compagnie in 1598).
N.B. De acht schepen der tweede voyage: Mauritius (admiraalschip van Jacob Cornelisz. Van Neck), Amsterdam (vice-admiraalschip van Wybrant van Warwijck), Holland (ook Hollandsche Leeuw genaamd), Zeeland, Gelderland, Utrecht, Vriesland en het jacht Overijsel staken 1 mei 1598 in zee. Van deze schepen bereikten de Mauritius, Holland en Overijsel, die in amaldeelwaren blijven varen, nadat zij in augustus 1598 van de anderen waren afgeraakt, het eerst Bantam, te weten in november 1598. Op den laatsten dag van het jaar kwamen aldaar ook de vijf andere schepen aan. In januari 1599 werden de Amsterdam, Zeeland, Gelderland en Utrecht doorgezonden naar de Molukken, onder Wybrant van Warwijck als admiraal op de Amsterdam en Jacob van Heemskerck als vice-admiraal op de Gelderland. Tegelijk keerden de Mauritius, Holland, Vriesland en Overijsel met rijke lading naar het moederland terug, waar zij in juli 1599 arriveerden.
De vier schepen onder admiraal Van Warwijck kwamen begin maart voor Amboina. Heemskerck met de Gelderland en Zeeland werd doorgezonden naar Banda, waar deze schepen 15 maart 1599 arriveerden. Van Warwijck met de Amsterdam en Utercht bleef voor Banda tot 8 mei 1599, toen hij naar Ternate vetrok.
Begin juli verlieten de Gelderland en Zeeland de Banda eilanden. Hier liet men Adriaen van Veen met enkele gezellen achter. Van Veen hield verblijf op Lonthor, terwijl Augustijn Stalpart van der Wiele op Banda-Neira werkte. Midden Augustus 1599 stak Heemskerck met de Gelderland en Zeeland van de rede van Bantam in zee voor de terugreis naar het vaderland, dat midden mei 1600 bereikt werd.
De Amsterdam en de Utrecht bleven tot 19 augustus 1599 voor Ternate. Aldaar werd achtergelaten Franck van der Does met enkele gezellen. Eerst einde januari 1600 verliet Van Warwijck de reede van Bantam om de reis naar het moederland te ondernemen; de laatste twee schepen der tweede voyage kwamen aldaar eind augustus aan.
Op de Banda-eilanden bleven Van Veen en Stalpart van der Wiele tot juni 1602, toen zij vandaar werden meegenomen door schepen der voyage onder Wolphert Hermansz. [1]
Franck van der Does was nog op Ternate in den herfts van 1602; in het jaar daarna wordt vermeld zijne loslating uit de gevangenschap van den Vorst van Tuban op Java. [2]