De drie schepen der derde voyage: De Zon (admiraalschip van
Steven van der Haghen), De Maan (vice-admiraalschip van Cornelis Heynsz. alias
Proncker) en het jacht De Morgenster staken begin april 1599 in zee. Zij kwamen
13 maart 1600 op de reede voor Bantam, vanwaar zij 28 maart vertrokken naar de
Molukken. Het admiraalschip De Zon bereikte 2 mei 1600 Amboina, terwijl De Maan
en De Morgenster op 9 mei aan Banda (Lonthor) arriveerden. Op de Banda-eilanden
trof men Adriaen van Veen en Augustijn Stalpart van der Wiele. aldaar
achtergebleven voor de koopmanschap der tweede voyage. De Maan en De Morgenster
voegden zich bij De Zon op 18 september 1600; gezamelijk verlieten de drie
schepen Amboina den 6en october. Op dit eiland had men op Hitoe eene sterkte
gebouwd, waarin als gezaghebber gesteld werd Jan Dircxz. Sonnenbergh (als
onderstuurman en zieketrooster indertijd in dienst getreden). De drie schepen
arriveerden 19 november 1600 voor Bantam. Zij gingen vandaar 14 januari 1601
naar patria zeil, gezamelijk met twee schepen der vierde voyage onder admiraal
Jacob Wilckens en twee der Nieuwe Brabantsche Compagnie onder Pieter Both, met
welke op 21 januari in Straat Sunda bepalingen over het varen in compagnieschap
werden vastgesteld.
[1] Begin september 1601 kwam men in Holland aan.
Sonnenbergh en de zijnen verlieten Ambon in het begin van den
zomer 1601 op de Hollandia, het schip van den vice-admiraal Cornelis van
Heemskerck der vierde voyage.
¹) Hetgeen medegedeeld wordt door De Jonge.
OpkomstII, p. 465, is niet geheel juist. Zie
betreffende de schepen op 19 november 1600 en 14 januari 1601: het reisjournaal
gehouden op De Morgenster en den brief van Cornelis van Heemskerck
november-december 1600 (behoorende tot de stukken betreffende de vierde
voyage).
78 | Brieven aan Steven van der Haghen, geschreven door:
Adriaen van Veen in Banda
;
Cornelisz. Heynsz. alias Proncker,
; Cornelis Heynsz. alias
Proncker en Michiel Poppe in Banda
; Gerryt Banninck te Loehoe
; Luis Montez te Cambelo
; Claes Evertsz.
; Frans Jacobsz.
1600 mei 11, 22, september 15. 1 pak |
1600 augustus 12, 19, 26, 29, september 2, 5, 8, 9,
10, 13, 16. 1 pak |
1600 augustus 19, 25, 28, september 6, 9,
12 1 pak |
|
87 | Reisjournaal gehouden op De Morgenster.1599 april 6 - 1601 september 4. 1 deel |
N.B. Dat dit journaal gehouden is op het jacht De
Morgenster, blijkt o.a. uit de aanteekeningen van 24 juni, 1 november 1599, 9
januari, 4, 8 maart 1600. Van zich zelf in den eersten persoon maakt de
schrijver melding o.a. op 22, 26 november, 11, 13, 16, 18 december 1599, 15
maart 1600, 6 juni, 12 augustus 1601. Volgens deze aanteekeningen behoorde de
schrijver waarschijnlijk tot de groep van de commiezen voor de koopmanschap,
daar hij tegelijk met commiezen (kooplieden) opdrachten krijgt. Uit het
aangeteekende op 11 december 1599 blijkt , dat hij niet de schipper was van het
jacht, op 24 en 27 februari 1600 , dat hij niet de stuurman was. Wie als
commiezen voor de koopmanschap of in dergelijke betrekking op de Morgenster
gesteld waren, staat aangegeven in het resolutieregister van Bewindhebberen op
folio 44; aldaar worden genoemd: Guert Backer (op 16 maart 1599 aangenomen
zonder vermelding van hoedanigheid), Frans Jacobsz. Afkomstig van Edam (op 25
januari 1599 aan genomen als onderkoopman en onderstuurman) en Dirck Florisz.
Dat het journaal niet geschreven is door Frans Jacobsz. noch door Dirck
Florisz. wijst het handschrift hunner brieven uit, die bewaard zijn gebleven
bij de bescheiden van de scheepstocht (zie inv. nos.78 en 80). Dat Dirck
Florisz, het journaal niet gehouden heeft, blijkt bovendien uit de aanteekning
op 15 maart 1600, waar de houder zichzelf en Dirck Florisz. vermeldt;
desgelijks spreekt hij op 12 augustus 1601 over Frans, met wien blijhkbaar
Frans Jacobsz. bedoeld is. Als mogelijk houder van het journaal komt dus het
meest in aanmerking Guert Bakker. Er is evenwel eene aanteekeningin het
journaal, die niet geheel met deze conclusie strookt: op 3 mei 1600 deelt de
schrijver mede, dat naar het schip van den vice-admiraal ontboden zijn: Jan
Cornelisz. Melcknap (schipper van De Morgenster), Guerdt Bakker en Frans
Jacobsz.; op deze plaats zou de journaalhouder zich zelf dus niet in den
eersten persoon hebben vermeld. Toch sluit zoodanige vermelding het auteurschap
van Guert Backer niet uit. Bij gebrek aan bescheiden met Guert Bakker's
handteekening is de kwestie niet met zekerheid uit te maken; degelijke
bescheiden worden ook niet aangetroffen bij de stukken der uitreeding van de 14
schepen onder Van Warwijck-De Weert van 1602, waarop Backer als koopman op De
Maan (schipper Jan Cornelisz. Melcknap), noch bij die van de scheepstocht onder
Paulus van Caerden van 1606, waarop hij als opperkoopman medeging.
Gedeelten van het journaal, gehouden op De Morgenster, zijn
in gewijzigde spelling gedrukt bij: De Jonge,
OpkomstII, p. 459-465.
|