Inventaris van de archieven van de Compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603
Compagnieën op Oost-Indië

Beschrijving van de archiefbestanddelen

I.   Compagnieën te Amsterdam.

B.   De Oude Oost-Indische Compagnie (1598) / de Eerste Vereenigde Compagnie op Oost-Indië te Amsterdam (1600).

4.   Stukken betreffende de vierde voyage (uitreeding door de Oude Oost-Indische Compagnie in 1599 en 1600).
N.B. De tien schepen der vierde voyage werden in twee gedeelten uitgereed; vier er van: Mauritius (admiraalschip van Jacob Wilckens), Hollandia (vice-admiraalschip van Cornelis van Eemskerck [1] , Friesland en het jacht Overijsel staken op 21 december 1599 in zee. Den 28sten juni 1600 volgden de zes schepen Amsterdam (admiraalschip van Jacob Cornelisz. van Neck), Dordrecht (vice-admiraalschip van Cornelis van Foreest), Haarlem, Delft, Leiden en het jacht Gouda.
De schepen van Wilckens kwamen 1 september 1600, na een kort oponthoud voor Atjeh op de reede voor Bantam aan. Het admiraalschip Mauritius en de Friesland werden daar geladen; beide schepen gingen 14 januari 1601 naar patria zeil, gezamenijk met de drie schepen der derde voyage onder admiraal Steven van der Haghen en twee schepen de Nieuwe Brabantsche Compagnie onder Pieter Both. In Bantam werd achtergelaten Claes Symonsz. Meebael.
Volgens besluit van 26 november 1600 zouden de Hollandia en het jacht Overijsel, onder het gezag van Cornelis van Eemskerck als admiraal, naar de Molukken doorgaan. Van Bantam vertrokken deze schepen 6 december 1600 met bestemming naar Amboina, alwaar zij 2 januari 1601 arriveerden. Op Ambon trof men Jan Dircxz. Sonnenberg, kapitein in het kasteel Van Verre, van de derde voyage aldaar gebleven.
In juni 1601 verlieten de Hollandia en Overijsel Amboina, de bezetting van het kasteel medenemend. Na een bezoek aan Bali te hebben gebracht arriveerden deze schepen einde juli voor Bantam. Op 9 september 1601 werd de terugreis naar het moederland aanvaard. Te Bantam bleef Jan Lambertsz. Vloots met enkele gezellen achter.
Van de zes schepen, in juni 1600 uitgezeild, arriveerden het admiraalschip Amsterdam, de Delft en de Gouda einde maart 1600 voor Bantam. De Delft werd onmiddellijk geladen en keerde spoedig daarop naar patria terug.
De admiraal Jacob Cornelisz. van Neck zeilde met de Amsterdam en het jacht Gouda op 2 april door naar Ternate, alwaar de schepen begin juni 1601 aankwamen. Zij vonden daar Frank van der Does, van de tweede voyage op het eiland gebleven. De Amsterdam en Gouda verlieten Ternate op 31 juli 1601, met achterlating van Jan Pietersz. Snyer en Cristiaen Adriaensz. den Dorst. Op 7 november 1601 bereikte de twee schepen Patani. Zij vertrokken vandaar 23 augustus 1602; voor den handel bleven Daniël van der Lecq en Pieter Walichsz. achter. Midden november 1602 kwamen de Amsterdam en Gouda voor Bantam; in het begin van de volgende maand verlieten zij Indië en arriveerden juli 1603 in het moederland.
De drie schepen Dordrecht, Haarlem en Leiden, die in october 1600 nabij het eiland Annobon waren achtergebleven, kwamen op 9 augustus 1601 voor Bantam. De Dordrecht, het vice-admiraalschip van Cornelis van Foreest, bleef aldaar om lading in te nemen en keerde vervolgens naar het vaderland terug, gezamelijk met twee schepen der Nieuwe Brabantsche Compagnie, de Zwarte Arendt en de Witte Arendt. De Haarlem en Leiden zeilden nog in augustus 1601 door met opdracht naar China; zij stonden onder het gezag van Gaspar Groensbergen, koopman op de Haarlem, dien wij sedert dien als admiraal vinden aangeduid. Na een langdurigen tocht langs de kusten van Achter-Indië en Indo-China kwamen de beide schepen einde december 1602 voor Patani. Vandaar vertrokken zij begin september 1603 naar Bantam; de Haarlem bleek evenwel niet meer zeewaardig en moest terugkeeren. In Patani kreeg Groensbergen gelegenheid de koopmanschappen uit de Haarlem te doen overladen op het schip Zierikseeonder vice-admiraal Cornelis Pietersz. (van de Rekening der 14 schepen, uitgereed door de Generale Vereenigde O. I. Compagnie), dat december 1603 naar Bantam vertrok` [2]. De Haarlem werd in januari 1604 achter de Hollansche loge te Patani verbrand.
Het schip Leiden was op 15 november 1603 voor Bantam gekomen; vandaar zeilde het 27 januari naar patria. Toen de Leiden als negende en laatste schip der vierde voyage einde augustus 1604 in het vaderland arriveerde, was het laatste schip van de uitreeding de Geüniëerde Compagnie, de Witte Leeuw onder admiraal Jacob van Heemskerck, daar reeds uit O.-Indië teruggekeerd.