Inventaris van de archieven van de Compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603
Compagnieën op Oost-Indië

Beschrijving van de archiefbestanddelen

I.   Compagnieën te Amsterdam.

B.   De Oude Oost-Indische Compagnie (1598) / de Eerste Vereenigde Compagnie op Oost-Indië te Amsterdam (1600).

5.   Stukken betreffende de voyage van 5 schepen, uitgereed naar de Molukken door de Oude Oost-Indische in 1601.
N.B. De vijf schepen, die als laatste uitreeding der Oude Compagnie in april 1601 naar Indië zeilden, waren: Gelderland (admiraalschip van Wolphert Hermansz.), Zeeland (vice-admiraalschip van Hans Bouwer), Utrecht en de jachten de Wachter en het Duifje. Einde december kwam de vloot voor Bantam. Na strijd tegen een Portugeesche armada geleverd te hebben, zeilden de schepen in januari 1602 door naar de Molukken; het admiraalschip benevens de beide jachten met bestemming naar Ternate; de Zeeland en Utrecht naar Banda. Aanvankelijk werd op die eilanden de koopmanschap gedreven, doch reeds in maart verzeilde de admiraal met zijn smaldeel naar de overige schepen voor Banda. Begin mei werden de Utrecht en het jacht de Wachter naar Ternate gezonden.
Met de Gelderland, Zeeland en het Duifje vertrok Wolphert Hermansz. 24 juni 1602 naar Bantam, waar hij 1 augustus aankwam. Op 25 augustus vingen deze drie schepen de terugreis aan; het jacht arriveerde midden februari 1603 in patria; de Geldeland en Zeeland kwamen ongeveer 2 maanden later aldaar aan.
Op Banda had men voor den handel achtergelaten den opperkoopman Arent Wolphertsz. met een paar onderkooplieden (onder wie Hendrick van der Does) benevens een 30-tal gezellen; daarentegen waren de aldaar aanwezige, van de tweede voyage afkomstige Adriaen van Veen en Augustijn Stalpart van der Wiele met de hunnen door Wophert Hermansz. medegenomen.
In Bantam liet men achter den opperkoopman Claes Gaeff (die het werk overnam van den opperkoopman François Abelijn, aldaar in januari 1602 gebleven en sindsdien overleden) benevens den onderkoopman Jan Lodewijxz.; laatstgenoemde keerde nog hetzelfde jaar naar patria terug. [1]
De Utrecht met den opperkoppman Cornelis van der Geyn en de Wachter met den opperkoppman Willem Verhaghen, die naar Ternate waren gezeild, trokken zich vandaar in september1602 terug voor de Portugeesche vloot. [2] Einde november was men te Bantam over het lot de beide schepen nog in het onzekere. [3] Ten aanzien van het jacht de Wachter is het waarschijnlijk , dat het in maart 1603 van Bantam naar het vaderland is vertrokken; na eene overwintering bij Mauritius bereikte het Sint Helena, vanwaar het in november 1603 nog niet was afgezeild. [4]