Zie bijvoorbeeld de cijfers over de scheepvaart van de Nederlandse Oostindische compagnieën in J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, ed., Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th Centuries. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie 165-167 (3 delen; Den Haag 1979 en 1987), met name deel II en III.
Zie voor deze cijfers: Ibidem, deel I (voor scheepvaart, handel en personeel) en J.P. de Korte, De jaarlijkse financiële verantwoording in de Verenigde Oostindische Compagnie. Werken uitgegeven door de vereeniging Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief 17 (Leiden 1984) (voor handel en financiën).
Over de voorcompagnieën: R. Bijlsma, 'De archieven van de compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603', Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven 49 (1926) I, 173-224; Hans de Haan, Moedernegotie en grote vaart. Een studie over de expansie van het Hollandse handelskapitaal in de 16e en 17e eeuw (Amsterdam 1977) 79-99; F.S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC (Zutphen 1992) 13-29.
Het originele octrooi bevindt zich in de VOC-archieven (inv. nr. 1). Het octrooi van 1602 en de bij de verlengingen gewijzigde teksten zijn op verscheidene plaatsen afgedrukt, onder andere in C. Cau, Groot Placcaetboek I (Den Haag 1658) 530 e.v. en Pieter van Dam, Beschryvinge van de Oostindische Compagnie. F.W. Stapel en C.W.Th. van Boetzelaer ed. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie 63, 68, 74, 76, 83, 87, 96 (7 delen; 's-Gravenhage 1927-1954) eerste boek, deel I, 43.
J.G. van Dillen, Het oudste aandeelhoudersregister van de Kamer Amsterdam der Oost-Indische Compagnie. Werken uitgegeven door de vereeniging Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief 14 ('s-Gravenhage 1958) 20-45, behandelt uitvoerig de problemen die gedurende de eerste tien jaar rezen en de frustratie bij de kapitaalverschaffers.
N. Steensgaard, 'The Dutch East India Company as an Institutional Innovation' in: M. Aymard ed., Dutch Capitalism and World Capitalism (Cambridge en Parijs 1982) 235-257, met name 239-244.
Over de benoeming, salariëring enz. van de bewindhebbers: Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 156-229. Zie voorts Femme Gaastra, Bewind en beleid bij de VOC. De financiële en commerciële politiek van de bewindhebbers, 1672-1702 (Zutphen 1989) 25-33.
Sedert 1648 hoefden bewindhebbers van de kamers Delft en Rotterdam ook nog slechts voor f 3000 in hun kamer te participeren. De functies die door de hoofdparticipanten konden worden waargenomen, zijn helder uiteengezet door F.W. Stapel in diens uitgave van Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 295 noot 5.
Over de achtergronden van de aanstelling van Willem IV tot opperbewindhebber, zie Isaac de Pinto, 'Anecdotes historiques touchant le Stadhoudérat des Indes dans l'illustre maison d'Orange en 1748 et 1749'. A.J. Veenendaal jr. ed. in: Nederlandse historische bronnen uitgegeven door het Nederlands Historisch Genootschap III (Amsterdam 1983) 125-145.
Het meest fundamentele werk betreffende de bestuursstructuur is dat van Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, dat onder andere de Heren Zeventien behandelt. Zie voorts Gaastra, Geschiedenis van de VOC, 140-146; Idem, Bewind en beleid, 47-62. De verdeling van de werkzaamheden over de vergaderingen van de Heren Zeventien is te vinden in de resoluties over de afschaffing van de zomervergadering; zie VOC, inv. nr. 115, resoluties Heren Zeventien, 25 juli 1721 en 6 maart 1722, en inv. nr. 123, resoluties Heren Zeventien, 18 november 1750 en 18 maart 1751.
Gaastra, Bewind en beleid, 268-272, geeft de namen van de Amsterdamse en Zeeuwse afgevaardigden naar de vergadering van de Heren Zeventien van 1672-1701.
Over de organisatie en het personeel bij de kamers: F.S. Gaastra, 'Arbeid op Oostenburg. Het personeel van de kamer Amsterdam van de Verenigde Oostindische Compagnie' in: J.B. Kist e.a. ed., Van VOC tot werkspoor. Het Amsterdamse industrieterrein Oostenburg (Amsterdam 1986); P.C. Jansen, 'Personeel en produktie van de Kamer Amsterdam van de VOC omstreeks 1750/Personnel and Production of the Chamber Amsterdam of the VOC around 1750' in: J.H.G. Gawronski ed., Jaarrapport van de stichting VOC-schip 'Amsterdam' 1986/Annual Report of the VOC-ship 'Amsterdam' Foundation 1986 (Amsterdam 1987) 58-64; E. van der Doe en A. Wiggers, 'De Kamer Zeeland van de VOC als werkgeefster: enige opmerkingen over haar personeel aan de wal in de tweede helft van de 18e eeuw', Zeeuws Tijdschrift 37, 3 (1987) 107-113; H.L.
Houtzager e.a. ed., Delft en de Oostindische Compagnie (Amsterdam 1987); R. Daalder en F. Scholte ed., Rotterdam en de VOC. Bulletin Historisch Museum Rotterdam 2 (Rotterdam 1988).
De plaatsing in een commissie wordt bijna altijd in de resoluties van de kamer genoemd. Voor de praktijk van voor circa 1650, zie Noor Oosterhof, 'De politieke en bestuurlijke struktuur van de Verenigde Oostindische Compagnie' in: F.M. Wieringa ed., De Verenigde Oostindische Compagnie in Amsterdam; verslag van een werkgroep (Amsterdam 1982) 155-188.
P.J.A.N. Rietbergen, De eerste landvoogd Pieter Both (1568-1615), gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1609-1615). Werken van de Linschoten-Vereeniging 86 en 87 (2 delen; Zutphen 1987) I, 15-56, geeft de achtergronden van de instelling van het gouverneur-generaalschap. Van Dam, Beschryvinge derde boek, geeft uitvoerig de organisatie in Azië weer.
Deze indeling was al in vroeger tijd gemaakt, zo blijkt uit M.E. van Opstall ed., 'Laurens Reael in de Staten-Generaal. Verslag van Laurens Reael over de toestand in Oost-Indië, uitgebracht in de Staten-Generaal op 30 maart 1620' in: Nederlandse historische bronnen uitgegeven door het Nederlands Historisch Genootschap I ('s-Gravenhage 1979) 175-213.