De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 1.DE ORGANISATIE VAN DE VOC

6. DE ORGANISATIE VAN DE VOC IN INDIË
Zo duidelijk en uitvoerig als het octrooi van 1602 de organisatie van de VOC in de Republiek vastlegde, zo vaag was het over de bestuursstructuur in Indië. Het octrooi gaf de Compagnie overzee vergaande rechten: de VOC mocht in Indië forten bouwen, soldaten in dienst hebben, verdragen sluiten met Aziatische vorsten en rechters aanstellen. Deze rechten waren echter niet verder uitgewerkt; kennelijk voorzag men in 1602 nog niet welke vlucht de uitbreiding van het gezag van de VOC overzee zou nemen.
De eerste vloten die de VOC na 1602 uitzond, waren veel zwaarder bewapend dan de schepen van de voorcompagnieën. De bewapening was niet zozeer gericht op het veroveren van grondgebied in Azië, als wel om de Portugezen zoveel mogelijk schade te berokkenen. De Compagnie bleef aanvankelijk de praktijk van vóór 1602 volgen: de admiraal van de uitgaande vloot kreeg het hoogste gezag in Indië en aan hem waren alle Compagniesdienaren ondergeschikt, ongeacht of zij zich in zijn nabijheid op de schepen bevonden of op een of andere handelsfactorij. Na enkele jaren bleek echter dat deze handelwijze grote nadelen met zich bracht en dat het Portugese voorbeeld - een centraal gezag op één vaste plaats - navolging verdiende.
In 1609 besloten de bewindhebbers het centraal gezag in Indië op te dragen aan een gouverneur-generaal, die moest worden bijgestaan door een Raad van Indië.[1] In 1619 werd na veel strijd op de plaats van de Javaanse havenstad Jakatra Batavia gesticht. Het werd de residentie van de Hoge Regering, zoals gouverneur-generaal en raden al spoedig werden genoemd, en werd administratief centrum en het rendez-vous voor het scheepvaartverkeer van de Compagnie.
De gouverneur-generaal was niet oppermachtig; hij was de eerste persoon in rade, maar mocht buiten de Raad om geen belangrijke beslissingen nemen. De directeur-generaal was de tweede persoon; hij had het oppertoezicht over de gehele handel van de Compagnie in Indië. Bij de verdeling van de overige posten in de Raad van Indië was aanvankelijk aan een zekere taakverdeling gedacht, waardoor veel dubbelfuncties ontstonden. Eén van de raden zou als visitateur-generaal controle op de boekhouding uitoefenen, één zou als president van de Raad van Justitie optreden, voorts zou één van de raden met militaire zaken worden belast, een ander zou zich met de scheepvaart bezighouden. In de praktijk bleek het echter moeilijk te zijn om een dergelijk schema te handhaven; door vertrek of overlijden ontstonden dikwijls vacatures. Tenslotte streefde men ernaar om naast de gouverneur-generaal zes raden in Batavia in functie te hebben, terwijl er daarnaast nog enkele buitengewone of extraordinaris raden waren, die slechts een adviserende stem hadden.
De correspondentie tussen de Hoge Regering en de vele factorijen van de VOC in Indië was onder de raden verdeeld. Conform deze verdeling van de 'beschrijvinge' van de kantoren was ook de generale missive opgebouwd, waarin de Hoge Regering aan de Heren Zeventien verslag deed van de stand van zaken van de Compagnie in Indië. Elk van de raden nam een bepaald gedeelte van deze missive voor zijn rekening, waarna uiteraard het geheel aan de voltallige Raad van Indië ter goedkeuring en ondertekening werd voorgelegd. De Hoge Regering stelde tevens de 'generale eis van Indië' op, waarin werd opgesomd hoeveel geldmiddelen, goederen, schepen en manschappen nodig werden geacht voor het bedrijf overzee. Die dienden in de vergaderingen van de Heren Zeventien als leidraad voor de besluitvorming dienaangaande. In de 'generale eis' waren de bestellingen van de diverse kantoren opgenomen; de Hoge Regering was bevoegd om de afzonderlijke eisen naar eigen inzicht te korten en te vergroten. Slechts Ceylon was het gedurende enige jaren in de tweede helft van de zeventiende eeuw toegestaan een eigen eis bij de Heren Zeventien in te dienen. Omgekeerd fungeerde de Hoge Regering in Batavia als doorgeefluik voor de eisen die door de bewindhebbers uit patria aan de kantoren werd gesteld.
Tussen de vele kantoren of factorijen van de VOC in Indië bestonden grote verschillen in omvang, economisch belang en in staatkundige positie. In hun 'generale instructie' voor de gouverneur-generaal en raden van 1650 onderscheidden de bewindhebbers drie categorieën waarin de handel op de verschillende kantoren verdeeld kon worden, een verdeling die tevens het verschil in staatkundige positie aangaf.[2]
  1. De handel die de Compagnie uit 'eigen conqueste' bezat, zoals op de Banda-eilanden en Formosa (Taiwan).
  2. De handel, gedreven uit kracht van gemaakte exclusieve contracten, zoals met de vorst van Ternate en in Amboina (Ambon en omliggend gebied).
  3. De handel, gedreven 'uit kracht van gemaakte accoorden' met Aziatische vorsten of naties, waarbij de VOC op min of meer gelijkwaardige basis met de Aziatische partner handel dreef.
Eerder, in 1620, had de uit Indië teruggekeerde gouverneur-generaal al zo'n driedeling gemaakt. Het onderscheid was wel enigszins kunstmatig. De 'exclusieve contracten' waren veelal met geweld afgedwongen, zodat bijvoorbeeld op de eilanden in de Molukken eerder van verovering dan van handel op contractbasis sprake was.
Het belang en de positie van de kantoren kwam ook tot uiting in de titulatuur en salariëring van de hoogste gezagsdragers. De grote vestigingen waar de VOC tevens territoriaal gezag uitoefende, stonden onder het gezag van een gouverneur. Omstreeks 1685 waren dat Ambon, Banda, de Molukken (Ternate), Coromandel, Ceylon en Malakka; een eeuw later kenden ook Kaap de Goede Hoop, Java's Noordoostkust en Makassar een gouverneur. Andere economisch belangrijke kantoren als Bengalen, Surat en Perzië bezaten een directeur (een titel die in de Compagniesterminologie op handel betrekking had). In Malabar en op Sumatra's Westkust (Padang) stond een commandeur aan het hoofd. Cheribon, Banjarmasin en Palembang bezaten residenten, in Japan en op Timor lag de leiding bij een 'opperhoofd'. Deze gezagsdragers stonden niet alleen; net als de gouverneur-generaal in Batavia waren zij eerste persoon in een raad; de belangrijke besluiten moesten door hen 'in rade' worden genomen. Ook in deze raden werd een zekere taakverdeling aan de leden toegedacht. De tweede persoon, de 'secunde', was veelal opperkoopman en droeg zorg voor de handel. Voorts zouden een militair gezagdrager, het hoofd van de boekhouding en de fiscaal (belast met opsporing van fraude en misdrijven) deel uitmaken van de raad. In de praktijk varieerde de samenstelling van het college nogal.