De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 1.DE ORGANISATIE VAN DE VOC

7. BATAVIA ALS ADMINISTRATIEF CENTRUM
Alle VOC-kantoren in Indië (dus ook de vestiging aan Kaap de Goede Hoop) waren ondergeschikt aan de Hoge Regering in Batavia. Batavia was voorts de belangrijkste en in de zeventiende eeuw gedurende enige tijd de enige haven van aankomst en vertrek van de schepen van en naar Europa. De communicatie tussen bewindhebbers in de Republiek en de diverse vestigingen liep dus in hoofdzaak via de Hoge Regering en de onder haar gestelde administratie.
Er was een aantal uitzonderingen op deze regel. Het VOC-kantoor in Gamron in Perzië en soms ook de kantoren in India correspondeerden via de landweg over de Levant met de bewindhebbers in patria. Daarnaast was er na de stichting van een nederzetting aan Kaap de Goede Hoop steeds een briefwisseling tussen de bestuurders aldaar en de bewindhebbers in de Republiek. Tenslotte vond er, wanneer andere havens dan Batavia door de VOC in de Europees-Aziatische vaart werden opgenomen, tevens een rechtstreekse uitwisseling van brieven en rapporten tussen bewindhebbers en de betreffende factorijen plaats.[1]
De Hoge Regering zag in de vaart op Europa buiten Batavia om een aantasting van haar positie. Zij meende voorts dat Batavia zijn rol als rendez-vous hierdoor minder goed kon vervullen. Het gaf de autoriteiten in Batavia dan ook voldoening toen de bewindhebbers de rechtstreekse vaart op Coromandel, Surat en Gamron, die al vóór de vestiging voor Batavia was begonnen, in 1636 stopzetten. In 1665 echter moesten gouverneur-generaal en raden erin berusten dat Ceylon als tweede haven naast Batavia in de scheepvaart op patria ging fungeren. De Heren Zeventien hadden in deze vaart toegestemd om aan de snel groeiende behoefte aan peper voor de Europese markt te kunnen voldoen - via Ceylon werd peper van Malabar aangevoerd. Bovendien had deze route het voordeel dat de kaneel van Ceylon sneller en zonder overladen en dus in betere kwaliteit in Europa werd aangevoerd.
Nadat Ceylon een rechtstreekse verbinding met patria had gekregen ontstond al spoedig een heftige concurrentiestrijd tussen de gouverneur van het eiland, Rijklof van Goens, en de Hoge Regering. Van Goens meende dat Ceylon, of meer precies de stad Galle, vanwaar de VOC-schepen naar patria vertrokken, beter dan Batavia als rendez-vous voor de Indiase kantoren van de Compagnie kon dienen. Het gevolg van zijn inspanningen was dat de retourvloot uit Ceylon soms rijker was beladen dan de schepen uit Batavia. Daarop besloten de bewindhebbers deze 'directe vaart' uit te breiden tot Coromandel en Bengalen. Dat bleek echter geen succes, misschien mede omdat Batavia het beleid niet steunde en mogelijk zelfs saboteerde. In ieder geval wist de Hoge Regering stukje bij beetje het verloren terrein terug te winnen en rond 1700 had naast Batavia alleen Galle nog een directe verbinding met patria.
De verschuivingen in de handel in de achttiende eeuw brachten opnieuw veranderingen in het scheepvaartverkeer. Gedurende de eerste drie decennia vertrokken vanuit Mokka aan de Rode Zee geregeld schepen die via Galle naar patria voeren, de zogenoemde 'koffieschepen'. Van groter belang was dat, na een vinnige woordenstrijd tussen de Heren Zeventien en de Hoge Regering, in 1728 een directe verbinding tussen de Republiek en Kanton ontstond. Tot 1733 zonden de kamers Amsterdam en Zeeland in totaal dertien schepen naar Kanton, die Kanton echter niet aanliepen. Daarna werd de organisatie van deze vaart weer aan Batavia overgelaten, met dien verstande dat van de twee of drie schepen die nu jaarlijks uit Batavia naar China voeren slechts één weer naar de hoofdplaats terugkeerde; de overige schepen zeilden met hun lading thee en porselein via Straat Sunda naar patria. In 1756 tenslotte werd mèt de oprichting van de Chinase commissie ook de vaart op China weer vanuit de Republiek bestuurd; de rechtstreekse retourvaart bleef bestaan.
Na Galle en Kanton werd Hooghly, het hoofdkantoor van de VOC in Bengalen, in de achttiende eeuw de derde haven met een rechtstreekse verbinding op patria. Vanaf 1734 voeren jaarlijks twee, en sedert 1742 vier schepen vanuit Bengalen naar Holland. Bovendien werd sinds 1750 één schip per jaar door de kamer Amsterdam naar Hooghly gezonden. In 1770 werd ook Coromandel in dit rechtstreekse scheepvaartverkeer opgenomen.
Toch betekende de rechtstreekse scheepvaartverbinding en de daarmee gepaard gaande correspondentie tussen patria en Indische kantoren niet dat er een principiële inbreuk werd gemaakt op de positie van Batavia als hoofdkantoor van de VOC in Indië. Administratief en boekhoudkundig bleef Batavia het centrum. Bovendien bleef de Hoge Regering in Batavia de correspondentie met alle aan haar ondergeschikte VOC-kantoren in kopie naar de bewindhebbers in patria zenden, dus ook de briefwisseling met Ceylon, Kanton of Bengalen.
De Hoge Regering werd in haar werk bijgestaan door de generale secretarie. De secretaris van de Hoge Regering, die aan de secretarie leiding gaf, woonde de vergaderingen van de Raad van Indië bij en maakte de resoluties op.[2] De secretaris zelf of de tweede man op de secretarie, een dienaar in de rang van koopman, stelde het dagregister van Batavia samen. De vele klerken op de secretarie verzorgden het omvangrijke schrijfwerk dat de correspondentie met de kantoren in Indië en de kamers in patria met zich meebracht.
De directeur-generaal was verantwoordelijk voor de handel en scheepvaart van het gehele Indische bedrijf. Uiteraard diende hij belangrijke zaken zoals het opstellen van de 'eis' voor goederen en gelden uit patria in de raad te bespreken. In Batavia vielen de pakhuizen voor de handelsgoederen en de provisie, het soldijkantoor en de kas onder zijn toezicht. Hij werd bijgestaan door twee 'opperkooplieden van het Kasteel'. Sedert 1664 waren de taken van deze functionarissen zo verdeeld dat de eerste of oudste van hen uit de Indische kantoren binnenkomende goederen administreerde, de jongste hield de uitgaande goederen bij. In de loop der tijd nam hun werk in omvang toe en werd het personeel van het negotiekantoor waar de opperkooplieden aan het hoofd stonden, uitgebreid met een reeks van kooplieden, onderkooplieden en boekhouders.
Ook de boekhouder-generaal stond onder de directeur-generaal. De boekhouder-generaal stelde uit de van de kantoren afkomstige handelsboeken het 'generaal journaal' en het 'generaal grootboek' samen, dat in kopie naar de kamers Amsterdam en Zeeland werd gezonden. Bovendien administreerde de boekhouder-generaal de uit patria ontvangen scheepsladingen en de naar patria gezonden retourgoederen. Van het kantoor van de boekhouder-generaal zullen de 'bevindingen op de eisen' afkomstig zijn, die sedert het laatste kwart van de zeventiende eeuw naar patria werden gezonden. In Batavia werd bij het lossen van de schepen namelijk nagegaan in hoeverre het ontvangene correspondeerde met de oorspronkelijke eisen of bestellingen van de Hoge Regering en met het besluit van de Heren Zeventien daarover. Vervolgens werd de oorspronkelijke eis met het overzicht van het teveel of te weinig ontvangene naar patria teruggezonden, zodat de bewindhebbers konden zien waar zij of de kamers te kort waren geschoten.[3]
Overigens geeft het werk van de boekhouder-generaal aan, dat er in Indië, in tegenstelling tot in patria, wel een gecentraliseerde boekhouding was. Het systeem dat werd gevolgd, sloot niet aan op de boekhouding van de kamers.[4] De grondgedachte van het systeem was een zeer logische: het bedrijf in Indië was als 'factor' voor al het van de kamers ontvangene verantwoording schuldig aan het bedrijf in de Republiek. Dat bedrijf in de Republiek werd als eenheid beschouwd, in de rekening-courant werd gesproken van de 'Generale Oostindische Compagnie'. Op deze rekening-courant werd derhalve alles wat aan goederen en gelden uit patria werd ontvangen aan creditzijde gesteld, en wat aan retourgoederen naar patria was verscheept verscheen aan de debetzijde. De onkosten in Indië waren verdeeld over vijf posten: die van de generale onkosten, van de soldijen, onkosten van schepen, fortificatiën en 'schenkagie' (geschenken). Bij de inkomsten werd onderscheid gemaakt tussen inkomsten en handel en die uit belastingen en dergelijke (respectievelijk de 'generale winsten' en 'generale inkomsten'). In de achttiende eeuw werden enkele posten van kosten en inkomsten in de boeken toegevoegd, doch het systeem werd niet gewijzigd. Ook de generale missiven bevatten financiële gegevens over het Indische bedrijf. Het formeren van de generale journalen kon soms lang duren en daarom zochten de boekhouders de resultaten van de diverse kantoren snel bijeen en formeerden zij staten van inkomsten en uitgaven per kantoor die dan als onderdeel van de generale missive met de retourvloot van december of februari konden worden meegegeven. De 'echte' financiële boeken arriveerden soms pas een jaar later.
De visitateur-generaal, eveneens ondergeschikt aan de directeur-generaal, was belast met de controle op de boeken en financiële administratie in Indië. Aan hem was ook de controle over de 'consumptie-rekeningen' opgedragen, waarin schippers na aankomst uit patria verantwoording moesten afleggen van de onderweg verstrekte proviand.
De centrale rol van Batavia in het Indisch bedrijf blijkt niet alleen uit de financiële, maar ook uit de personele administratie. Het soldijkantoor hield het personeelsbestand van het gehele Indische personeel bij en ontving daartoe jaarlijks de benodigde informatie uit de kantoren. Sedert 1689 werd ieder jaar een volledige rol van het Compagniespersoneel in Indië in tweevoud naar patria gezonden.
In Batavia zetelde ook het hoogste rechtscollege in Indië, de Raad van Justitie. Het was regel dat de president een lid van de Raad van Indië was. Overigens werden de zeven leden van deze Raad van Justitie door de Heren Zeventien aangewezen, iets dat conflicten met de Hoge Regering echter niet altijd kon voorkomen. De fiscaals - er waren er twee in Batavia - waren belast met de opsporing van misdrijven en fungeerden als aanklager.
Om ook in het scheepvaartverkeer een centrale rol te kunnen vervullen bezat Batavia de nodige etablissementen als werven, pakhuizen, een ambachtskwartier en dergelijke. Nieuwe schepen werden in Batavia niet gebouwd, maar wel moest er veel onderhoud en herstelwerk aan de schepen worden verricht, waarvoor op het voor de kust van Batavia gelegen eilandje Onrust de nodige faciliteiten bezat. De equipagemeester hield toezicht op deze werkzaamheden en op de schepen op de rede. Hij was aanwezig bij aankomst en vertrek van de schepen; bij vertrek liep hij samen met één van de fiscaals de monsterrol van het betreffende schip na en controleerde hij de lading.
Uiteraard kende Batavia ook bestuurslichamen voor de stad zelf. Deze bestuursinstellingen leken gekopieerd van de steden in de Republiek: er was een college van schepenen, van weesmeesters, en van heemraden; de openbare orde werd door een baljuw en diens knechten of 'kaffers' gehandhaafd. In al deze besturen had de Hoge Regering een grote invloed; de presidenten van deze colleges waren meestal leden van de Raad van Indië. Van een van de VOC onafhankelijke en vrije burgerij was nauweljks sprake en voor zover er 'vrijburgers' waren, was hun stem in het bestuur van weinig invloed. (Zie bijlage 8 voor een organisatieschema van de VOC in Indië.)