De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 1.DE ORGANISATIE VAN DE VOC

8. HET EINDE VAN DE VOC
De VOC kende een lange doodsstrijd. Ten gevolge van het uitbreken van de oorlog met Engeland in december 1780 raakte de Compagnie in dermate grote financiële problemen dat de kamers in Holland surséance van betaling moesten aanvragen. Alleen de financiële situatie van de kamer Zeeland gaf daartoe nog geen aanleiding: deze kamer was wel grote bedragen aan de kamer Amsterdam schuldig, maar had weinig geld van derden opgenomen. Het aan de Hollandse kamers verleende moratorium beroofde de VOC in één slag van haar krediet. De Compagnie kon niet op eigen kracht verder. Slechts dank zij de overheid, die garantie gaf op aflossing en rentebetaling op financiële verplichtingen die de VOC zou aangaan, konden de bewindhebbers het bedrijf gaande houden.
Deze afhankelijkheid van de overheid gaf niet alleen aanleiding tot versterking van de directie met het Vijfde Departement, maar ook - in 1790 - tot instelling van een Hollands-Zeeuwse Staatscommissie. Deze commissie van politiek toezicht of 'politique insien' bestond uit vier Hollandse en twee Zeeuwse leden, die door de Staten van hun provincie werden benoemd. Na de komst van de Fransen en de val van de oude Republiek werden de vier Hollandse leden van de commissie door patriotse regenten vervangen, later in het jaar werden nog eens zes patriotten in de commissie benoemd. De bewindhebbers, onder curatele gesteld, konden hun dagen tellen. Uit deze commissie kwam namelijk het voorstel de oude directie te vervangen door een Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen. De Staten-Generaal namen dit plan over en 1 maart 1796 legden de bewindhebbers hun functie neer.
Tegelijkertijd echter werd het octrooi van de VOC verlengd, aanvankelijk tot ultimo 1798, vervolgens tot 31 december 1800. De VOC bleef dus bestaan. Wel werden de activiteiten van de kamers tot een minimum teruggebracht. Personeel werd ontslagen, etablissementen werden ontmanteld. In 1803 werden de kamers Delft, Hoorn en Enkhuizen opgeheven, Rotterdam en Middelburg hielden nog slechts verkoopkantoren over. Inmiddels was door het niet meer verlengen van het octrooi de wettelijke basis aan de onderneming ontvallen. Het Comité en zijn opvolger, de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen (sedert 15 mei 1800), nam bij gebrek aan een nieuwe regeling, de oude orde nog wel als richtsnoer aan.
In Indië hadden de vele wijzigingen in het Compagniesbewind nog minder effect. In 1793 was met de uitzending van twee commissarissen-generaal, S.C. Nederburgh en F. Frijkenius, nog een laatste poging gedaan de neergang te stuiten. In 1795, na het uitbreken van de oorlog, vielen de meeste kantoren van de VOC in Engelse handen. Java bleef echter in Nederlandse handen en ook op de kantoren in Kanton en Deshima (in Japan) bleef de Nederlandse vlag wapperen. De oorlog had wel grote gevolgen voor de handel en scheepvaart tussen Europa en Java; deze kon niet op de oude voet worden voortgezet. Institutionele veranderingen in Batavia en op Java vonden pas later plaats, toen H.W. Daendels als gouverneur-generaal het bestuur grondig reorganiseerde. De grote breuk met het verleden vond echter pas in 1811 plaats, toen Java in Engelse handen overging.