De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

1.TIJDENS HET COMPANIESBEWIND (1602-1795)

Kamers Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen
Over de archiefzorg in de kamers Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen is veel minder bekend. Gemiddeld hadden de kleine kamers niet meer dan twintig ambtenaren in dienst[1]. Het beheer van het archief was in sommige gevallen de taak van een van deze ambtenaren, bijvoorbeeld de boekhouder, maar het kwam ook voor dat de bewindhebbers zelf zich hiermee bemoeiden. Dit was het geval in Enkhuizen. In 1800 schreef de substituut-secretaris van de voormalige kamer Enkhuizen, de heer Rant, aan de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen onder andere dat '... bewindhebbers in der tijd, het werk der boeken en charters, alleen, en zonder jemand anders daar in te employeeren hadden beheert ...'. Naar zijn zeggen verkeerde de archiefkamer in Enkhuizen hierdoor in de grootste wanorde en ontbraken lijsten van de VOC-archivalia[2]. Op de voormalige kamers Delft en Hoorn waren dergelijke lijsten van de oude Compagniesarchieven wel aanwezig[3]. Met name het register van de kamer Delft, vervaardigd door de klerk David Vallensis, is zeer uitgebreid en laat zien hoe omvangrijk het archief ten tijde van de Compagnie moet zijn geweest. Het archief werd in Delft op drie plaatsen bewaard: op de charterkamer, op het kantoor van de opperboekhouder en op het soldijkantoor[4]. Van het archief van de kamer Rotterdam weten we helaas niets meer dan dat het Oostindisch Huis aan de Boompjes een charterkamer bezat[5]. Hoewel ongedocumenteerd, is het aannemelijk dat ook in Den Haag, in het logement waar het Haags Besogne bijeenkwam, archiefstukken berustten.