De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

2. BATAAFS-FRANSE TIJD (1796-1813)

Intensieve bemoeienis met de VOC-archieven
In 1795 kreeg de VOC een nieuwe directie. De bezittingen van de Compagnie gingen met haar schulden èn haar archieven aan de staat over. Op last van de Staten-Generaal werden alle papieren van de VOC die zich in Amsterdam bevonden op 30 januari 1796 overgegeven aan het Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen, kortweg het Oostindisch Comité genaamd.
Het Oostindisch Comité nam het beheer van de VOC-archieven serieus op. Door toedoen van B.F. van Liebeherr, een van de leden van het Comité, werden al vrij snel de 'secrete' papieren uit het voormalige VOC-logement in Den Haag naar Amsterdam overgebracht[1]. Op voorstel van de bekende patriot S.I. Wiselius werd in 1796 een onderzoek ingesteld naar de boeken en papieren van de VOC en werd een chartermeester benoemd[2]. Diens instructie vertelde hem niet alleen het archief te beheren, maar ook een geschiedkundig werk over de Compagnie te schrijven. Met deze opdracht werd een voormalig boekhouder van de factorij in Noord-Java, Jan La Pro, belast. Dat men in die dagen vooral geïnteresseerd was in de politieke en militaire geschiedenis van de VOC en niet zozeer in haar economische geschiedenis blijkt uit de stukken die La Pro voor zijn studie van belang achtte en in het Oostindisch Binnenhuis liet plaatsen: de verbalen van het Haags Besogne, de resoluties van de Heren Zeventien, van de kamer Amsterdam en van de gouverneur-generaal en raden, de uitgaande brieven van Heren Zeventien naar Indië enzovoort. Duplicaten hiervan werden naar het Buitenhuis op Oostenburg in Amsterdam overgebracht, waarheen ook de series die financiële en economische zaken betroffen, verhuisden. Deze stukken werden omschreven als '... eene partij overtollige en veelal nutteloze boeken en papieren van de vorige eeuw ...'[3].