De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

2. BATAAFS-FRANSE TIJD (1796-1813)

Centralisatie van bestuur en archieven
Het Oostindisch Comité werd in 1800 opgevolgd door de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen, of Aziatische Raad. Het streven van de Raad was zijn bestuur zoveel mogelijk in Amsterdam te concentreren. De kamers buiten Amsterdam werden sindsdien buitencomptoiren (-kantoren) genoemd. In 1802 werden de buitenkantoren Hoorn, Enkhuizen en Delft opgeheven; alleen de lopende zaken - meest soldijaanspraken - werden hier nog afgehandeld. De kantoren Rotterdam en Middelburg bleven bestaan.
Ten aanzien van de archieven van de voormalige VOC was het beleid van de Aziatische Raad erop gericht zoveel mogelijk papieren naar de 'generale charterkamer' in het Oostindisch Binnenhuis in Amsterdam te laten overbrengen. Dit gold voor papieren die zich nog op de buitenkantoren of elders in Amsterdam bevonden. De secretarissen of opperboekhouders van de buitenkantoren werd verzocht om binnen drie maanden registers van bij hen berustende VOC-archivalia aan de chartermeester van de Aziatische Raad op te sturen[1]. Geen van de buitenkantoren kwam tegen deze maatregel in verzet. Wel tekenden sommige bezwaar aan tegen de korte termijn. In de loop der tijd leverden de kantoren Enkhuizen, Delft en Rotterdam lijsten van hun VOC-archief in[2]. Alleen de inventaris uit Delft is bewaard gebleven,[3].
Nergens blijkt dat bij die gelegenheid archiefstukken zijn overgedragen. Dat gebeurde pas in 1804, toen de Aziatische Raad de buitenkantoren aanschreef om vóór 1 november van dat jaar hun soldijboeken naar Amsterdam op te sturen, waar een centraal soldijkantoor gevestigd zou worden[4]. De eerste die hieraan gehoor gaf was J.C. de Blocquery, oud-opperboekhouder van de VOC en belast met het waarnemen van de nog lopende zaken bij de opgeheven kantoren Hoorn en Enkhuizen. Behalve 101 kisten met soldijboeken zond hij ook zogenoemde liquidatieboeken en actie- en afgifteboeken naar Amsterdam[5]. Het kantoor Delft zond ruim een jaar later, tegen het einde van 1805, monsterrollen en 'soldijkohieren' naar Amsterdam[6].
Een deel van het Delftse archief was reeds in 1803 naar Rotterdam gezonden. De rest volgde enige jaren later, toen in 1807 het Oostindisch Binnenhuis in Delft werd afgestaan aan het geneeskundig bestuur over de Armee. Dit betekende dat er een oplossing moest worden gezocht voor de aanmerkelijke hoeveelheid boeken en papieren ter plaatse. Het ministerie van koophandel en koloniën gelastte hierop de opperboekhouder Smits van het kantoor in Rotterdam om de charters en papieren die in het Oostindisch Binnenhuis in Delft berustten naar Rotterdam over te brengen. Smits stelde zelf als alternatief voor ingeval de nieuwe eigenaren in Delft geen gebruik wilden maken van de charterkamer, deze eenvoudigweg te sluiten om zo de transportkosten te besparen. De Aziatische Raad nam dit idee niet van hem over[7].
In de reeds genoemde Delftse inventaris van de hand van de klerk Vallenis staat precies aangetekend welke stukken op 3 maart 1807 in Rotterdam arriveerden. Dit blijkt het grootste deel van het archief van de kamer Delft te zijn. In Rotterdam werden de stukken op drie plaatsen geborgen: in de zogenoemde Delftse kamer, in de grote charterkamer en op de foeliezolder.
Het voormalige kantoor Hoorn bleef tot 1809 in zijn oude gebouw gehuisvest. In dat jaar moest men plaats maken voor de raad en rentmeester-generaal van de domeinen in Noord-Holland. Bij deze gelegenheid droeg De Blocquery een deel van de boeken en papieren van de oude kamer Hoorn aan de Aziatische Raad over, namelijk die van het commerciekantoor[8].
In Amsterdam werden de stukken uit Hoorn en Enkhuizen in het pakhuis Batavia (op Rapenburg) geplaatst. De overige VOC-stukken berustten in die tijd in de charterkamer van het Oostindisch Binnenhuis, in het Oostindisch Buitenhuis en in het magazijn de Oude Werf[9]. Enige systematiek valt in de toenmalige verdeling van de VOC-archieven niet te ontdekken. Zo lagen de net-resoluties van de vergaderingen van de Heren Zeventien in de charterkamer, terwijl de minuut-resoluties in het magazijn de Oude Werf en de kopie-resoluties in het pakhuis Batavia lagen.