De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

2. BATAAFS-FRANSE TIJD (1796-1813)

Tegenwerking uit Zeeland
Een verhaal apart vormen de lotgevallen van het archief van de kamer Zeeland. Ook het kantoor Middelburg werd in 1800 gevraagd om registers op te sturen van de daar berustende VOC-archivalia en in 1804 om de soldijboeken over te dragen. Het kantoor voldeed aan geen van beide verzoeken. Wel werd in 1804 een aantal door de Aziatische Raad gevraagde registers, charters en 'papieren tot de negotiatien' overgeleverd[1]. In deze en daaropvolgende jaren verzette het kantoor Middelburg zich hevig tegen het inkrimpen van zijn bevoegdheden ten gunste van Amsterdam. Het wilde kost wat kost zijn aandeel in de Oostindische handel behouden en trachtte zijn autonome positie uit de tijd van de Compagnie te handhaven. Ook Middelburg moest uiteindelijk buigen voor de wens de handelsactiviteiten in Amsterdam te concentreren. Zo werden in 1808 de oude kantoren van de VOC in Middelburg in één etablissement verenigd, met aan het hoofd commissaris-directeur N.C. Lambrechtsen. Van hem was het voorstel afkomstig de zogenaamd nutteloze papieren van de voormalige Oostindische en Westindische Compagnieën te verkopen. Hij zag zich hiertoe genoodzaakt doordat de charters en papieren van het Westindisch naar het Oostindisch Huis verplaatst moesten worden, waardoor een ernstig gebrek aan ruimte zou ontstaan. Lambrechtsen kreeg van het ministerie toestemming voor het plan, maar het is niet zeker of het ooit tot een verkoop is gekomen[2].
Ondanks herhaald aandringen van de zijde van Amsterdam, bleef Middelburg volharden in zijn weigering het oude VOC-archief over te dragen. Pas in 1851 zwichtte Middelburg uiteindelijk. In deze touwtrekkerij speelde de ambtenaar P. Pous een bepalende rol. In 1797 was hij door het Oostindisch Comité aangesteld als substituut-secretaris. Ruim een halve eeuw bleven de papieren van de Compagnie onder zijn hoede. Hij waakte erover alsof het zijn eigen kinderen waren. Een voorbeeld van Pous' toewijding is zijn actie, in 1809, om het archief uit handen van de Engelsen te houden.
Het verhaal begint in 1809 met de bezetting door de Engelsen van het eiland Walcheren, waarbij beslag werd gelegd op het Oostindisch Huis en de zich daar bevindende papieren. De commissaris-directeur Lambrechtsen werd door twee Engelse prijscommissarissen benaderd met de vraag '... of ik genegen zou zijn van hen te koopen alle de boeken, charters en papieren die zig op het Oostindisch Huis bevinden, in de onderstelling dat het Engelse gouvernement dezelve nutteloos oordeelde voor dienst van de Engelse Oostindische Compagnie en zulks alzoo zij voor hadden een ander gebruik te maken van het huis, dan dusver was ...'[3]. Het ministerie van marine en koloniën gelastte hem de Engelsen te antwoorden dat er van hun zijde geen belangstelling bestond. Aangezien er van bijna alle Middelburgse archiefstukken in Amsterdam duplikaten aanwezig waren, was er geen enkele reden om de vijand te verrijken, zo luidde de redenering van het ministerie[4]. Het stelde Lambrechtsen voor dat wanneer het archief eenmaal als scheurpapier door de Engelsen was verkocht, hieruit alsnog de belangrijkste stukken te selecteren en deze terug te kopen. Zover is het echter nooit gekomen. Pous wist, volgens eigen zeggen, de Engelse prijsmeester, generaal Sontny, die bij Pous' zwager logeerde, te overreden de boeken en papieren uit het VOC-archief op de charterkamer achter te laten. Alleen de stukken betreffende Ceylon werden door de Engelsen meegenomen[5]. Het grootste deel van het archief bleef voor Middelburg behouden, ofschoon de Engelsen de grote charterkamer als een puinhoop achterlieten. Volgens Lambrechtsen was de charterkamer '... voor de komst der Engelschen een pronkstuk van netheid en ordre; een monument van der voorouderen vlijt en van de uitgestrektheid van den handel en bezittingen der voormalige Oostindische Compagnie'[6]. Waarschijnlijk ging door toedoen van de Engelsen een groot deel van het zeventiende-eeuwse archief verloren[7].
De Engelsen vertrokken in december van het jaar 1809; in mei 1810 kwamen de Fransen. Pous leidde in hoogst eigen persoon keizer Napoleon rond op het eiland Walcheren, waarbij hij ook het Oostindisch Huis liet zien: '... hij kwam toen ook op de charterkamer in welk groot en schoon locaal hij dadelijk zin had niet om de daar aanwezige boeken, maar om er een ziekenzaal van te maken ...'. Pous raadde het hem af omdat de charterkamer op de derde verdieping was gelegen en bovendien in de winter zo koud was. Het gevaar leek geweken totdat in januari 1814 zesduizend Franse militairen zich op Walcheren terugtrokken en zij uit geldgebrek het archief als scheurpapier wilde verkopen. Volgens Pous is er inderdaad veel door de Fransen vernietigd en verkocht[8].