De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

2. BATAAFS-FRANSE TIJD (1796-1813)

Oprichting van een centraal archiefdepot in Parijs
Niet alleen de Zeeuwse archieven, maar ook die in Amsterdam hadden onder de Fransen te lijden. Het was de wens van Napoleon een centraal depot te stichten voor alle archieven van de door hem bezette landen. Dit zogenoemde ijzeren paleis zou in Parijs op het Champ de Mars worden gebouwd.
In juni 1811 arriveerde in Parijs de eerste en, wat later zou blijken, enige lading koloniale archiefstukken uit Amsterdam[1]. Het ging de Fransen vooral om stukken die nuttig konden zijn voor de lopende dienst. In de 21 kisten die voor verzending naar Parijs werden klaargemaakt, zaten dan ook nauwelijks stukken van de VOC. Alleen de 'Beschryvinge van de Oostindische Compagnie' van Pieter van Dam, een aantal verdragen met Aziatische vorsten en memories van overgave maakten deel uit van het transport. Deze stukken zijn echter nooit verstuurd. In Parijs kwamen namelijk slechts dertien kisten en een ijzeren doos aan[2] De commissaris van het departement van koophandel en koloniën, H. Vollenhoven, verklaarde dit in 1815. Volgens hem werden in totaal zo'n veertig banden naar Parijs verstuurd, waartoe niet de genoemde VOC-werken behoorden.[3]
In 1812 werd een tweede operatie gepland. Hierbij betrof het heel wat meer stukken. Het Franse rijksarchief zond één van zijn ambtenaren naar Nederland, Tourlet genaamd, die de opdracht kreeg de meest interessante stukken uit de Nederlandse archieven te selecteren en naar Parijs te zenden. Voor de koloniale archieven werd hij te woord gestaan door Vollenhoven, die toen 'chef der divisie tot de liquidatie der zaken van de
koloniën' was. Op 2 juni 1812 nam Tourlet afscheid van Vollenhoven, na een verklaring te hebben getekend welke archiefstukken van het oude ministerie van marine en koloniën naar Parijs moesten worden overgebracht. In totaal ging het om 3955 delen betreffende de Oost. Deze stukken zijn niet verder gekomen dan het archiefmagazijn op de Turfgracht bij de Joodse synagoge in Amsterdam. Het transport naar Parijs vond nooit plaats[4].
In 1813 herwon Nederland zijn onafhankelijkheid. Koning Willem I besloot kolonel M.J. de Man, de voormalige onderdirecteur van het depot-generaal van oorlog, te belasten met het terugbrengen van de Nederlandse archieven uit Parijs. De Man zorgde er voor dat in de winter van 1815/1816 twee kisten met archiefstukken afkomstig van het departement van koophandel en koloniën naar Nederland werden teruggebracht. Zoals gezegd bevatten deze kisten waarschijnlijk nauwelijks of geen VOC-stukken, afgezien van enige kaarten[5].