De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

3. TEN TIJDE VAN HET MINISTERIE VAN KOLONIEN (1813-1856)

Ontstaan van de historische belangstelling voor de VOC-archieven
Het grote publiek was in die dagen volstrekt onkundig van de inhoud en waarschijnlijk zelfs van het bestaan van de VOC-archieven. Dit lag voor de hand aangezien op het departement nog steeds het oude stelsel van geheimhouding werd gehanteerd, waarbij de archieven slechts dienden tot eigen voorlichting. Bezoekers werden nauwelijks tot de depots toegelaten. Dit stond in tegenstelling tot de praktijk in het rijksarchief, waar overheidsarchieven sinds 1829 beperkt openbaar waren. In die dagen was de historische belangstelling voor de VOC-archieven echter niet erg groot.
Dit veranderde in de jaren veertig van de negentiende eeuw, toen uit Indië de wetenschappelijke belangstelling voor Nederlands-Indische betrekkingen overwaaide. Men begon de historische waarde van de VOC-archieven te ontdekken en vroeg het departement om onderzoek op de archiefzolders te mogen verrichten. De grote opruimingen in de Compagniesarchieven en de wijze waarop de stukken werden beheerd,werden in die jaren bekend en wekten verontwaardiging[1]. De Amerikaanse historicus J. Romeyn Brodhead, die in 1841 het Westindisch Slachthuis bezocht, schreef hierover: 'In applying in Amsterdam at West India House, I was to my infinite surprise and mortification informed by Mr. de Munnick, the keeper, that all the books, documents and papers of every kind belonging to the Old East and West India Comp. of a date prior to 1700 had been sold at public auction in 1821 by order of the Government of the Netherlands'[2].
Ook de bekende antiquaar Frederik Muller, een regelmatig bezoeker van het Westindisch Slachthuis, maakte zich boos over de wijze waarop de VOC-archieven werden beheerd. Tijdens één van zijn bezoeken kwam hij het eerste aandeelhoudersregister van de VOC op een ongebruikelijke plaats tegen: 'Dit boek werd daar bij wijze van grendel gebruikt om het gedurig opengaan der deur te beletten!'[3]. In 1853 verscheen een overzicht van het archiefwezen in Nederland van de hand van J.J.F. Noordziek. Het beeld dat hij schetst van de toestand van de VOC-archieven is weinig rooskleurig. De zolders van het Westindisch Slachthuis lieten 'wat licht, zindelijkheid, droogte en afsluiting betreft, veel te wenschen over'. De beste ruimtes van het gebouw waren afgestaan aan de Nederlandse Handelmaatschappij tot berging van balen met koloniale waren. De archiefstukken lagen over vier zolders verspreid, waarvan de beste zolder het archief van de kamer Zeeland herbergde[4].
Dat Noordziek in staat was een overzicht te geven van de inhoud van de koloniale archieven had hij geheel te danken aan één man, de jurist L.C.D. van Dijk. Hij was de eerste Nederlandse academicus die voor zijn proefschrift een onderwerp uit de Nederlandse koloniale geschiedenis koos en hiervoor origineel bronnenonderzoek verrichtte[5]. Bij zijn onderzoek ontmoette hij van de zijde van het departement grote tegenstand. Van Dijk liet zich hieraan echter niets gelegen liggen. Volkomen gefascineerd door het materiaal dat hij op de archiefzolders in Amsterdam ontdekte, bood hij het departement zelfs kosteloos zijn diensten aan tot bewerking van de bronnen. In 1852 werd hij door de minister van koloniën benoemd tot wetenschappelijk archivaris, speciaal belast met de bewerking en ordening van het uit Middelburg overgebrachte archief van de kamer Zeeland. Onderzoekingen van administratieve aard bleven de taak van de agent van het departement van koloniën, De Munnick.[6] Overigens betekende deze nieuwe constructie niet dat bezoekers van het Westindisch Slachthuis nu op een bevredigende wijze werden geholpen. Volgens Frederik Muller was het toezicht wel verbeterd, maar was men nu in een ander uiterste vervallen: 'Twee ambtenaren van hooge geboorte zijn achtereenvolgens aangesteld, die vele bezoekers op de meest beleedigende wijze wantrouwden en alle onderzoek bemoelijkten.'[7]