De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Archiefvorming

HOOFDSTUK 2. ONTSTAAN EN BEHEER VAN DE VOC-ARCHIEVEN

4. HET ARCHIEF VAN DE VOC EN HET RIJKSARCHIEF

Overdrachten
Erg lang duurde deze situatie niet. Ondanks verzet van de minister van koloniën Ch.F. Pahud werden in 1856 de VOC-archieven aan het rijksarchief in 's-Gravenhage overgedragen. De tijd was er rijp voor. In de voorafgaande jaren was door de openbare behandeling van Indische aangelegenheden in de Tweede Kamer het publiek geattendeerd op het bestaan van de oude koloniale archieven en begon men zich hiervoor te interesseren. In deze bewustmaking speelde de Bataviase predikant W.R. van Hoëvell, oprichter van het historisch getinte Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, een belangrijke rol. Samen met de pas benoemde rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink pleitte hij voor toegankelijkheid van de VOC-archieven. Het was hun stellige overtuiging dat de openbaarheid het best gewaarborgd zou zijn in de nieuwe behuizing van het rijksarchief aan het Plein in Den Haag. Bakhuizen achtte de toegankelijkheid van de op het ministerie berustende koloniale stukken namelijk volstrekt onvoldoende. Voor hem was de overdracht van de Compagniesarchieven aan het rijksarchief een soort testcase voor de openbaarheid van archieven. Zijn nieuw te ontwerpen archiefwet zou ook de overname van de nog onder de departementen berustende archieven moeten regelen[1]. Overigens kwam de eerste archiefwet pas in 1918 tot stand, lange tijd na het rijksarchivariaat van Bakhuizen van den Brink.
Van de overdracht van de VOC-papieren aan het rijksarchief, in 1856, werden enige stukken uitgezonderd. Een aantal zogenoemde dubbelen werd aan het gemeentearchief in Amsterdam in bruikleen gegeven, onder andere de resoluties van de Heren Zeventien afkomstig van de kamer Zeeland[2]. Verder bleven op verzoek van De Munnick de soldijboeken bij het departement van koloniën in Amsterdam berusten, aangezien hij deze nog regelmatig nodig had voor het afhandelen van aanspraken van nakomelingen van VOC-dienaren. Bakhuizen van den Brink stemde hier van ganser harte mee in. Volgens hem dienden archiefstukken alleen bewaard te worden indien zij voor de wetenschap interessant waren. Hij stelde zelfs voor soldijboeken en soortgelijke stukken, die voor geschiedwetenschap en staatsbelang in zijn ogen volstrekt nutteloos waren, op termijn te vernietigen[3]. De minister van binnenlandse zaken, onder wie het rijksarchief ressorteerde, bepaalde echter anders. Op diens bevel werden in 1884 de nog overgebleven soldijboeken - in de tussenliggende jaren was nog het een en ander vernietigd[4] - overgedragen aan het rijksarchief. In totaal ging het om zo'n 4037 banden, waaronder 3000 scheepssoldijboeken.[5]
Van de archieven van de kleine kamers was niet veel bewaard gebleven. In het oud archief van de gemeente Rotterdam en het oud archief van de gemeente Hoorn bleek zich nog wel een aantal archiefstukken van respectievelijk de kamers Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te bevinden. Deze stukken werden in 1901 aan het rijksarchief afgestaan[6].