De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Inhoud en structuur van het archief

HOOFDSTUK 3.AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE VOC-ARCHIEVEN

3. INGEKOMEN STUKKEN UIT INDIE

I. Kamer Amsterdam
In de beginperiode van haar activiteiten in Azië bezat de Compagnie nog geen vaste vestigingen. De in die jaren uit Azië afkomstige bescheiden vormen een tamelijk toevallige verzameling van door terugkerende schepen meegenomen stukken. Dit zijn de zogenoemde 'stukken betreffende de vroegste scheepstochten', tot omstreeks 1614 (inv. nrs. 437-655). Voor de jaren 1607-1613 bestaan er daarnaast aan het begin van de hieronder genoemde serie overgekomen brieven en papieren drie bundels stukken afkomstig van de eerste vaste vestigingen (inv. nrs. 1053-1055). Vanaf 1614 bestaat er een vaste reeks van jaarlijkse verzamelingen van rapporten met bijlagen.
De structuur van de sinds 1614 uit de vestigingen overgestuurde bescheiden is tamelijk gecompliceerd. Er schijnen vijf belangrijke categorieën geweest te zijn, maar twee daarvan zijn bijna geheel verloren gegaan. Dit zijn de dagregisters van de verschillende vestigingen en de registers van de boekhouders in Indië. Dit verlies kan gedeeltelijk worden gecompenseerd uit andere bestanden: het archief van de boekhouder-generaal dat in 18F63 uit Batavia naar Nederland werd overgebracht, en de gedeeltelijk gepubliceerde dagregisters van Batavia in het Indonesische staatsarchief[1]. De overige drie blokken zijn de series kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden in Batavia, de serie kopie-uitgaande stukken van gouverneur-generaal en raden, en de zogenoemde serie overgekomen brieven en papieren uit de vestigingen, die weer in verschillende onderdelen kan worden gesplitst.