De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Inhoud en structuur van het archief

HOOFDSTUK 3.AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE VOC-ARCHIEVEN

6.DEPARTEMENTSARCHIEVEN

II. Opperboekhouder
De VOC had geen centrale boekhouding. Tot het einde toe is de boekhouding onoverzichtelijk en versnipperd gebleven, ingericht alsof het een serie gelegenheidsondernemingen zonder onderling verband betrof in plaats van één handelscorporatie. Wel maakten de kamers ieder jaar hun balans op, aan de hand van de grootboeken en journalen. De balansen lijken in onze ogen tamelijk gebrekkig, mede doordat de rekeningen van de activiteiten in Europa en Azië geheel gescheiden werden gehouden. De zes resulterende balansen werden door een commissie uit de Heren Zeventien samengevoegd tot een 'generale staat'.
Iedere kamer van de Compagnie had een eigen opperboekhouder. In de kamers Amsterdam en Zeeland werd hij geassisteerd door enige klerken. De boekhouders hielden de journalen en grootboeken, en de inschrijfregisters en transporten van de aandelen bij. Naast de boekhouders had iedere kamer haar kassiers, die het beheer hadden over het in kas zijnde contante geld. Alle uitgaven moesten worden genoteerd in een specieboek of kasboek.