De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Inhoud en structuur van het archief

HOOFDSTUK 3.AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE VOC-ARCHIEVEN

6.DEPARTEMENTSARCHIEVEN

II. Opperboekhouder

Geldleningen
Een tweede categorie stukken in de archieven van de opperboekhouders betreffen door de Compagnie geleend geld, verkregen uit de uitgifte van obligaties en 'anticipatiepenningen'. De obligaties hadden een lange looptijd. Bij het uitschrijven van de lening kregen de aandeelhouders voorrang. De obligaties werden aanvankelijk door twee, vanaf 1670 door vier bewindhebbers getekend.
Naast structurele geldtekorten had de VOC vaak te kampen met liquiditeitsproblemen na aankomst van de schepen uit Indië, voordat de veilingen hadden plaatsgevonden. De tegoeden van de gerepatrieerde VOC-dienaren en de door de schepen meegebrachte wissels moesten dan worden uitbetaald. In het voorjaar moest bovendien geld aan de participanten worden uitgedeeld. De Compagnie was genoodzaakt geld te lenen om deze betalingen te kunnen voldoen. Zij deed dit 'bij anticipatie', vooruitlopend op de opbrengsten van de verkoop van de handelswaar. De lening gold soms maar voor enkele weken en ten hoogste voor zes maanden.
Het archief van de kamer Amsterdam bevat nog een journaal en een grootboek van de renten op obligaties en een memoriaal van opgenomen anticipatiepenningen uit de achttiende eeuw (inv. nrs. 7128-7130). Van de kamer Zeeland zijn een journaal en grootboek van anticipatiepenningen uit 1680 aanwezig (inv. nr. 13832). Verder zijn, voornamelijk in de bescheiden van de kamers Amsterdam en Zeeland, nog wat losse stukken bewaard gebleven, zoals lijsten van obligatiehouders en van houders van anticipatiepenningen (inv. nrs. 7131-7133), rekeningen van de betaling van de 100e en 200e penning (inv. nrs. 7139-7140, 13831 en 13835 en 14304) en kwitanties (inv. nr. 14303). Deze stukken dateren van zeer uiteenlopende jaren gedurende het hele tijdperk van de Compagnie.