De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Verwant archiefmateriaal

HOOFDSTUK 4 ANDERE ARCHIEVEN VAN VOC-INSTELLINGEN EN -DIENAREN

3. ARCHIEVEN IN INDIA
Na de overdracht van de resterende Nederlandse vestigingen in India aan Engeland in 1825, werd een deel van de archieven van deze vestigingen (Coromandel, Surat en Bengalen) naar Batavia overgebracht en vandaar in 1863 naar Nederland verscheept. In het Algemeen Rijksarchief vormen zij nu het bestand van de 'voormalige Nederlandse bezittingen in Voor-Indië' (zie paragraaf 4). Het merendeel van de in India achtergebleven Nederlandse archieven werd door het Engelse bestuur overgenomen. Veel, zo niet het meeste, blijkt inmiddels verdwenen te zijn[1]. Enkele restanten werden ten slotte geconcentreerd in de archiefbewaarplaats in Madras, terwijl ook elders in India zich nog wel enige bestanden bevinden. Het archief van de Nederlandse vestiging in Cochin in Malabar bleef buiten deze operaties en is sinds 1795 zonder onderbreking in handen van het Engelse gouvernement in Madras gebleven.
Verreweg de meeste Nederlandse archieven in India bevinden zich nu dus in het staatsarchief van Tamil Nadu in Madras. Het grootste deel daarvan wordt gevormd door het archief van de Nederlandse vestiging in Cochin. Dit is het enige archief van een Nederlandse vestiging in India dat redelijk intact is bewaard gebleven.
Van de Nederlandse archieven in Madras bestaat een 'Press list', een chronologische magazijnlijst, met opmerkingen betreffende sommige belangrijk geachte stukken[2]. Deze lijst is slechts een primitief werkinstrument. Bovendien is de oorspronkelijke structuur van het archief door de chronologische ordening verloren gegaan. Wel kan men zich door vergelijking met inventarissen van andere bestanden een redelijk beeld vormen van de oorspronkelijke structuur. De stukken uit de zeventiende eeuw zijn grotendeels verdwenen. Het resterende archief bestaat voornamelijk uit brieven van en naar Batavia en de Republiek, resoluties, bijlagen, briefwisselingen met andere Nederlandse vestigingen, en dagregisters van missies. De dagregisters van de vestiging zelf zijn slechts zeer fragmentarisch aanwezig. Boekhouding en rekeningen zijn zeer incompleet aanwezig voor de latere jaren. Ook zijn er veel stukken van de Raad van Justitie en stukken betreffende de lokale Nederlandse nederzetting zoals protocollen van civiele akten en bescheiden afkomstig van de lokale weeskamer.
Van de archieven van Bengalen en Surat zijn in Madras slechts kleine delen aanwezig die in 1932 uit Bombay en Calcutta naar Madras werden overgebracht. Het gaat hierbij vooral om protocollen van civiele akten. Vóór de overdracht in 1932 waren de archieven beschreven door J. van Kan. Het is onduidelijk of de bestanden in Calcutta die door hem zijn beschreven dezelfde zijn als de in 1932 van Calcutta naar Madras overgebrachte bescheiden[3]. Het door Van Kan beschreven bestand is een gemengde collectie van weeskamerarchieven, protocollen van civiele akten, enkele kerkelijke registers en brokstukken van bestuurs- en rechterlijke archieven. De lijst van de in 1932 overgebrachte bestanden lijkt niet met de lijst van Van Kan overeen te stemmen.
Voor prosopografische studies betreffende het VOC-personeel zijn de stukken van Bengalen en Surat niet zonder belang, maar voor een studie van de Compagniesadministratie kan men beter de in Nederland aanwezige bescheiden raadplegen. Wel zijn in Madras wat stukken aanwezig betreffende de lokale Nederlandse nederzettingen in Bengalen, Surat en Coromandel, zoals kerkelijke registers, en rechterlijke en notariële stukken.
In het archief van de burgerlijke stand in Madras bevinden zich voorts enkele Nederlandse kerkelijke registers van Pulicat aan de kust van Coromandel[4].