De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Verwant archiefmateriaal

HOOFDSTUK 5. KAARTEN EN TEKENINGEN VAN DE VOC

1. Vervaardiging van kaarten en tekeningen

Leveranciers van zeekaarten
Vanaf de oprichting van de VOC in 1602 was er voor de vaart naar en de handel in Azië behoefte aan betrouwbare cartografische informatie. Al aan het einde van de zestiende eeuw beschikte men in de Republiek over zeevaartkundige inlichtingen uit Portugese bronnen. Deze werden openbaar gemaakt door de publikaties van enkele Nederlandse reizigers en wetenschappers als Dirck Gerritsz. Pomp, alias Dirck China, en Jan Huygen van Linschoten. Met name in het werk van Van Linschoten zijn kaarten en andere afbeeldingen, in combinatie met route- en kustbeschrijvingen, opgenomen. Voorts bewerkte Petrus Plancius de getekende zeekaarten van de Portugees Bartolomeo de Lasso, schreef enkele memories met zeilaanwijzingen en leidde stuurlieden op voor de grote vaart.
Bij de uitrusting - de equipage - van VOC-schepen in de Republiek werden stuurlieden en schippers voorzien van 'stuurmansgereedschappen', zoals kompassen, seinvlaggen, kwadranten en zeekaarten. In elke kamer van de Compagnie was een equipagemeester verantwoordelijk voor de uitrusting van de naar Indië vertrekkende schepen. Onder zijn leiding werden zeekaarten getekend of aangekocht. Net als de andere equipagegoederen werden de kaarten van een beperkt aantal leveranciers betrokken. In de havensteden van de Republiek hadden enkele kaartenmakers zich gespecialiseerd in het vervaardigen van perkamenten zeekaarten. Bij hen werden door particuliere reders en schippers, en vanaf 1602 ook door de VOC, zeekaarten besteld. In Amsterdam werd Augustijn Robaert een vooraanstaand leverancier van getekende zeekaarten, onder meer aan de VOC.[1]. Van de zeekaarten die in de eerste jaren op de VOC-schepen werden gebruikt, is weinig bewaard gebleven.
In 1617 kwam verandering in deze manier van betrekken van cartografische informatie. De Heren Zeventien benoemden Hessel Gerritsz. tot hun exclusieve kaartenmaker. Het was zijn taak om alle schepen van de VOC die uit de Republiek vertrokken - dus ook die van de kamers buiten Amsterdam - van zeekaarten te voorzien. Tot 1795 heeft de functie van kaartleverancier voor de VOC, beëdigd en voorzien van een instructie, bestaan. Achtereenvolgens waren als kaartenmakers actief:
1617 - 1632 Hessel Gerritsz.
1633 - 1705 Familie Blaeu (tevens examinator van de stuurlieden) C.A. Davids, Zeewezen en wetenschap. De wetenschap en de ontwikkeling van de navigatietechniek in Nederland tussen 1585 en 1815 (Amsterdam en Dieren 1985) 398.
1705 - 1743Isaac de Graaff
1743 - 1795 Familie Van Keulen Voor De Graaff en Van Keulen: M. Kok, Ontwikkelingen in de Nederlandse maritieme kartografie in de achttiende eeuw (1730-1815) (typoscript; Utrecht 1980) 48 en 51. De instructie van De Graaff in 1705 is vrijwel identiek aan die van Willem Jansz. Blaeu in 1633.
Het dienstverband van de kaartenmakers in de periode 1617-1795 had een tweeslachtig karakter. De kaartenmakers hadden een andere positie dan de meeste VOC-functionarissen. Zij werkten thuis en ontvingen geen salaris, maar werden stuksgewijs voor geleverde zeekaarten betaald[4]. De aangestelde kaartenmakers konden bovendien het tekenen van de zeekaarten uitbesteden bij andere, zelfstandig gevestigde kaarttekenaars[5]. De VOC was overigens niet de enige bron van inkomsten voor de kaartenmakers. Met uitzondering wellicht van De Graaff produceerden zij behalve getekende zeekaarten voor de VOC ook gegraveerde en getekende kaarten voor de vrije markt. Dit laatste is het belangrijkste verschil ten opzichte van bijvoorbeeld de scheepstimmerman en de examinator van de stuurlieden, wie het in de achttiende eeuw verboden werd inkomsten buiten VOC-verband te hebben[6]. De positie van de VOC-kaartenmaker hield het midden tussen die van zijn Spaanse en Portugese collega's (gesalarieerde kaartenmakers/ambtenaren) en Engelse collega's (onafhankelijke leveranciers)[7].
De VOC verplichtte zich van de diensten van de aangestelde kaartenmaker gebruik te maken tegen betaling van min of meer vaste prijzen. De kaartenmaker werd bij de produktie en het beheer van zeekaarten onderworpen aan het toezicht van bewindhebbers of hun gedelegeerden. Bovendien werd hij net als de andere Compagniesfunctionarissen tot geheimhouding verplicht. In de praktijk echter voerde de kaartenmaker van de VOC de produktie en correctie van de zeekaarten vrij zelfstandig uit. De verplichting tot geheimhouding stond op gespannen voet met de produktie voor de vrije markt[8].
Schippers en stuurlieden waren volgens hun instructie verplicht kaarten van deCompagnie te gebruiken. Het werd hun eveneens voorgeschreven van onbekende kusten, riffen en dergelijke, aantekeningen en schetsen te maken[9]. De kaartenmaker ontving van de terugkerende schippers en stuurlieden de gebruikte en gecorrigeerde zeekaarten en de door hen bijgehouden journalen om aan de hand daarvan de kaarten en zeilinstructies bij te werken. Dit werk deed de kaartenmaker in Amsterdam in overleg met de examinator van de stuurlieden. In de loop van de achttiende eeuw kreeg de examinator meer en meer supervisie over de kaartenmakerswerkzaamheden.[10]
Om een lange levensduur van de zeekaarten te verzekeren, liet de VOC ze op perkament tekenen. De produktiewijze van de zeekaarten was eenvoudig: een model, legger genaamd, werd telkens gebruikt bij de vervaardiging van een nieuwe kaart[11]. Op de leggerkaart waren de kustlijnen op regelmatige afstand met een naald doorgeprikt. Bij het maken van een nieuwe kaart werd de leggerkaart op een blanco vel perkament gelegd, waarna de kustlijnen van de leggerkaart werden bestreken met een met roet gevuld zakje. Door het roet uit de gaatjes in de legger ontstond op het blanco vel perkament een patroon van stippen. Nadat de leggerkaart voorzichtig van het perkament was genomen, konden de kustlijnen getekend worden door de roetstippen na te trekken. Hierna was de nieuwe kaart in hoofdlijnen gereed.[12]
Hoewel al omstreeks 1665 werd gesproken over het drukken van een zeemansgids en in 1684 over het drukken van losse zeekaarten, duurde het tot respectievelijk 1753 en ca. 1775 voor het daartoe kwam. Overigens is in zekere zin de zeemansgids English Pilot Third Book van John Thornton, uit 1703, te beschouwen als een VOC-zeemansgids avant-la-lettre; deze gids voor de Aziatische vaart met 35 kaarten is gemaakt met behulp van VOC-kaarten[13].
De kaartenmaker was niet alleen verantwoordelijk voor de produktie en het beheer van de zeekaarten. Vanwege zijn geografische kennis werd hij bij de uitrusting van expedities waarschijnlijk om advies gevraagd. In de loop van de achttiende eeuw werd de rol van de examinator van de stuurlieden op het gebied van beheer en advies steeds groter.