De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Verwant archiefmateriaal

HOOFDSTUK 5. KAARTEN EN TEKENINGEN VAN DE VOC

1. Vervaardiging van kaarten en tekeningen

Batavia en de buitenkantoren
Veel van de kaarten die nu in het Algemeen Rijksarchief berusten, zijn indertijd vanuit de vestigingen in Indië naar de Republiek overgezonden. De Haagse verzamelingen zijn mede daarom zo belangrijk omdat in de vestigingsarchieven zeer veel kaarten en tekeningen van lokale administraties verloren zijn geraakt.
De Hoge Regering in Batavia was een verzamelpunt van informatie van de buitenkantoren. Kaarten en tekeningen maakten daar deel van uit. Op de buitenkantoren werkten permanent (zoals aan de Kaap de Goede Hoop en op Ceylon) of incidenteel ingenieurs, bouwmeesters (fabrieken), landmeters en zeekaartenmakers, die werkzaam waren ten behoeve van de grondadministratie, weg- en waterbouw, architectuur en vestingbouw.
De opmerkingen hieronder betreffen de organisatie en administratie in Batavia. Zij zijn deels van toepassing voor de buitenkantoren.
De VOC beschikte op Java aanvankelijk slechts over een zeer klein grondgebied; dit beperkte zich vrijwel tot de stad Batavia. Men had in die situatie voldoende aan een technicus die optrad als landmeter en als bouwmeester, in die laatste functie zowel van civiele werken (dan veelal fabriek genoemd) als van vestingwerken (dan veelal ingenieur genoemd). In 1627 stelde men onder het gezag van de schepenen in Batavia een landmeter en rooimeester aan. De rooimeester zag toe op de naleving van bouwvoorschriften in de stad. De uitbreiding van het grondgebied had tot gevolg dat in 1664 een college van heemraden werd ingesteld (vergelijkbaar met een polderbestuur in de Republiek), dat belast werd met het beheer van buiten de stad gelegen gronden en met toezicht op landscheidingen. Bij de reorganisatie van dit college in 1679-1680 werd besloten een perceelsgewijze kaart te vervaardigen.[1] Het college kreeg toestemming landmeters in dienst te nemen.
In de zeventiende en achttiende eeuw werkten er dus landmeters onder het gezag zowel van de schepenen als van het college van heemraden. Het gescheiden beheer van de goederen binnen en buiten de stad werd in 1778, wat de registratie betreft, beëindigd. Vanaf dat jaar belastte men een 'landmeters comptoir' met het beheer en het bijhouden van alle kaarten.
De stadslandmeter, ressorterend onder de schepenen, had de fabriek als zijn directe baas. De fabriek stond aan het hoofd van het ambachtskwartier. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de Compagniesgebouwen en de inventaris ervan; dit in principe met uitsluiting van de in relatie met de vloot staande goederen, die onder de verantwoordelijkheid van de equipagemeester vielen. Verscheidene landmeters maakten carrière door op te klimmen tot fabriek. De fabriek was tevens betrokken bij het beheer, de aanleg en de bouw van militaire werken.
Vanaf het begin van de zeventiende eeuw wordt melding gemaakt van militaire ingenieurs die in dienst van de VOC in de Oost waren. Zij werden vooral ingezet bij belegeringen en bij de nieuwbouw van forten. Hun aanwezigheid was, met name in de zeventiende eeuw, echter minder permanent dan die van de landmeters en fabrieken. De laatsten bleven bij uitstek belast met het onderhoud en beheer van de forten en gebouwen. Artilleristen, of een aan de artilleristen toegevoegde ingenieur, traden in voorkomende gevallen naast de fabriek op als bouwmeester voor de militaire werken[2].
Deze situatie veranderde in 1717, toen de Heren Zeventien een directeur der fortificatiën met twee assistent-ingenieurs naar Indië stuurden. Het was echter nog maar een tijdelijke maatregel. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd de positie van de fabriek zwakker. Net als in de Republiek werden de ambachtslieden en landmeters gedeeltelijk verdrongen of opgevolgd door de ingenieurs der fortificatiën. Deze ontwikkeling werd in Batavia in 1793 bekrachtigd door de aanstelling van een militair ingenieur in de functie van directeur der fortificatiën, gebouwen en waterwerken. In Kaap de Goede Hoop was al in 1778 een directeur der fortificatiën en artillerie benoemd. Aan de nieuwe directeur in Batavia werd de zorg voor het complete kaarten- en tekeningenarchief toevertrouwd. Alle ingenieurs en landmeters van de Compagnie in de Oost kwamen onder zijn gezag te staan.
Niet alleen landkaarten, maar ook zeekaarten werden in Batavia vervaardigd. Hoewel de kaartenmaker in Amsterdam als taak had alle schepen van zeekaarten te voorzien, bleek er al in de eerste helft van de zeventiende eeuw behoefte te zijn aan een kaartenmaker in Batavia voor de scheepvaart in de Aziatische wateren. In tegenstelling tot in Amsterdam was de kaartenmakerij in Batavia vanaf het begin volledig onderdeel van de VOC; de kaartenmakers waren in exclusieve dienst van de Compagnie. Op de werf in Batavia was de zeekaartenwinkel. De 'baaskaartenmaker' werkte daar onder het gezag van de equipagemeester. Behalve met de fabricage van zeekaarten had de kaartenmaker, net als zijn collega in Amsterdam, bemoeienis met het opstellen en bijhouden van zeilinstructies, in overleg met de equipagemeester en diens assistenten (oud-schippers of -stuurlieden).
Onder de baaskaartenmaker werkte tot halverwege de achttiende eeuw een toenemend aantal knechten die de aan de hand van informatie van schippers en stuurlieden telkens verbeterde leggerkaarten kopieerden. We moeten ons geen overdreven voorstelling maken van deze 'cartografen'. Het produceren van de kaarten hield, althans wat de knechten betrof, niet meer in dan overtekenen en overschrijven.
Nadat het steeds meer gebruik werd zeekaarten te graveren in plaats van te tekenen, werd het 'hydrografisch bureau' in Batavia van minder belang en werd besloten het in te krimpen. Net als de hiervoor genoemde fabriek werd bovendien de ambachtelijke baaskaartenmaker verdrongen, in zijn geval door marineofficieren. De opdracht aan de examinator van de stuurlieden en leraar P.H. Ohdem in 1753 om toezicht te houden op de baaskaartenmaker en de kwaliteit van de zeekaarten, is een eerste teken van veranderende opvattingen over de kaartenmakerswinkel[3]. De inkrimping van het bureau in Batavia werd enkele decennia later bevorderd door de hydrografische activiteiten aan de marineschool in Semarang (1782-1812). Vanaf 1782 werden hydrografische karteringen in Indië uitgevoerd door docenten en leerlingen van de marineschool.