De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Verwant archiefmateriaal

HOOFDSTUK 5. KAARTEN EN TEKENINGEN VAN DE VOC

2. Beheer van het kaarten- en tekeningenarchief

Ten tijde van het Compagniesbewind (1602-1795)
In de Republiek bestond geen centraal kaarten- en tekeningenarchief van de VOC. Elke kamer beschikte over een eigen bestand. Aangezien de kamer Amsterdam het grootste aandeel had in de Compagniesactiviteiten, en meestentijds de administratieve zetel was van de Heren Zeventien, werden in Amsterdam de voornaamste kaarten- en tekeningenbestanden gevormd.
Ten behoeve van de besluitvorming en de administratie waren kaarten en tekeningen in de kamer Amsterdam in of dichtbij de vergaderruimten beschikbaar. In het Oostindisch Huis aan de Hoogstraat hingen ingelijste kaarten aan de wand van de vergaderruimte[1]. Naast de wandkaarten beschikte men vanaf 1622 over het kaartboek van Hessel Gerritsz. en vanaf ca. 1695 over het kaartboek van de klerk en kaartenmaker Isaac de Graaff, en over enkele atlassen en andere gedrukte geografische werken.
Uit een uittreksel van de Compagniesadvocaat E. Scott blijkt dat de bewindhebbers beschikten over enkele specifieke toegangen op kaarten en tekeningen. Een eerste toegang gaf verwijzingen naar kaarten en tekeningen die ingebonden waren bij de series overgekomen brieven en papieren. Een tweede toegang beschreef de 'kaarten die niet ingebonden sijn'[2]. Beide series kaarten en tekeningen berustten waarschijnlijk in de charterkamer van het Oostindisch Huis, onder het beheer van de bibliothecaris.
In de zeventiende eeuw werden ook de scheepsjournalen in het Oostindisch Huis geborgen[3]. De leggerkaarten lagen bij de kaartenmaker; hij werkte immers thuis. Het is wel aannemelijk dat van elk type zeekaart tenminste één exemplaar als model werd bewaard in het Oostindisch Huis, en in de achttiende eeuw in de stuurmanskamer op de werf.[4]Daar berustten aan het einde van de achttiende eeuw ook de door terugkerende schepen ingeleverde journalen en gecorrigeerde zeekaarten. Waarschijnlijk is tegelijk met de inrichting van de werf op Oostenburg, in ca. 1665, besloten daar een stuurmanskamer in te richten. Het toezicht was toevertrouwd aan een boekhouder. Deze boekhouder was op zijn beurt verantwoording schuldig aan de examinator van de stuurlieden. De kaartenmaker had toegang tot de stuurmanskamer en kon kaarten en journalen lenen en deze, na het tekenen van een ontvangstbewijs, enige tijd thuis gebruiken ter correctie van leggerkaarten en zeilaanwijzingen.
Er waren dus twee plaatsen waar zeekaarten als archivalia te vinden waren: ten eerste bij de kaartenmaker thuis, met name de leggerkaarten en door schippers en stuurlieden vervaardigd kaartmateriaal, en ten tweede in een kamer van het Oostindisch Huis, vanaf ca. 1665 in de stuurmanskamer op de werf: journalen en kaartmateriaal van terugkerende schepen, en prototypen van de diverse zeekaarten.
Voor de equipage van de uitvarende schepen werden allerlei goederen in voorraad gehouden in het Oostindisch Huis, in de pakhuizen en op de werf. Dat waren onder andere kaarten en stuurmansgereedschappen. De equipage van de schepen gebeurde op basis van geregeld bijgestelde controlelijsten met opgave van per schip mee te geven aantallen en typen van zeekaarten en instrumenten, onder vermelding van hun boekwaarde[5]. Deze zeekaarten zijn niet te beschouwen als cartografische archivalia van de Compagnie. Zij worden hier slechts vermeld omdat de administratie ervan gedeeltelijk parallel liep met de bovengenoemde bestanden en omdat restanten van de voorraad waarschijnlijk in de huidige verzamelingen bewaard zijn gebleven (de zogenaamde dubbelen).
De zeekaartenvoorraad werd aangemaakt door de kaartenmaker. Niet duidelijk is of hij zijn kaarten in de zeventiende eeuw direct aan de schepen of de equipagemeester leverde, of de kaarten altijd eerst naar het Oostindisch Huis bracht. Uit de aanstelling van Joan Blaeu in 1638 blijkt dat in het Oostindisch Huis een ruimte was voor de voorraad zeekaarten[6]. De kaartenmaker diende hiervan geregeld een 'inventaris' (lees: een opgave van de voorraad) in te leveren.[7].
In de achttiende eeuw lag de voorraad voor een deel in de stuurmanskamer en misschien ook in een pakhuis, en waarschijnlijk voor een ander deel in de werkplaats of winkel van de kaartenmaker[8]. Waarschijnlijk werden de gebruikte zeekaarten die door schippers en stuurlieden bij terugkeer werden ingeleverd, bij de Compagnie in voorraad gehouden ten behoeve van een volgende equipage. De nieuw geproduceerde zeekaarten bleven vermoedelijk bij de kaartenmaker thuis opgeslagen; zij werden vervolgens per equipage op min of meer vaste data aan de Compagnie geleverd[9].
In grote lijnen geldt voor de andere kamers hetzelfde als voor de kamer Amsterdam. Ten behoeve van bestuur en representatie waren de vergaderruimten voorzien van ingelijste kaarten en prenten[10]. Ook had men er de beschikking over geografische werken en atlassen. De kamer Zeeland hield aan het einde van de achttiende eeuw een aparte registratie bij van overgekomen kaarten en tekeningen van vestigingen in Indië[11]. De kamers vormden een eigen voorraad van zeekaarten die waren gemaakt door eigen leveranciers en kaartenmakers, of door schippers en stuurlieden na thuiskomst waren ingeleverd. Deze zeekaarten uit de voorraad werden weer aangewend tot de equipage van uitvarende schepen.