De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Verwant archiefmateriaal

HOOFDSTUK 5. KAARTEN EN TEKENINGEN VAN DE VOC

2. Beheer van het kaarten- en tekeningenarchief

Bataafs-Franse tijd (1796-1813)
In 1796 berustte in de stuurmanskamer in Amsterdam een voorraad van nog in gebruik zijnde zeekaarten en een archief van getekende en gedrukte kaarten en zeemansgidsen. Het was tot dan toe beheerd door de examinator van de stuurlieden. Toen deze in 1796 zijn ontslag nam, werd zijn opvolger vanwege het feit 'dat de boeken, kaarten en instrumenten, behorende tot de stuurmanskamer zeer volumineus zijn' door het Oostindisch Comité gemachtigd alleen de waardevolle over te nemen. Het restant werd aan de tweede examinator Engelberts in beheer gegeven[1]. Met de waardevolle kaarten bedoelde het Comité waarschijnlijk de zeekaarten die bij de equipage nog van nut konden zijn: recente zeekaarten.
Een tweede bestand - van kaarten, plattegronden en kaartboeken - maakte deel uit van de charterkamer in het Oostindisch Huis. De chartermeester daar werd in 1800 opdracht gegeven de '... atlassen, losse kaarten en tekeningen thans reeds voorhanden of die den raad bij vervolg van tijd tot tijd mogt acquireren ... in eene afzonderlijke kast...' te bewaren, met uitzondering van de zeekaarten, die immers 'bewaard worden in de zogenaamde stuurmanskamer'[2]. In de periode 1800-1806 werd deze aparte verzameling inderdaad in de charterkamer bijeengebracht en beschreven[3].
De landelijke bestuurswijzigingen die vanaf 1806 plaatsvonden, hadden gevolgen voor de interne structuur van de kaarten- en tekeningenbestanden van de VOC. Bij alle inventarisaties die sindsdien werden ondernomen, werden de kaarten en tekeningen slechts bij uitzondering in directe samenhang met de geschreven archivalia geordend. Wel werden in de meeste gevallen de kaarten en tekeningen tegelijk met de geschreven archivalia herordend of overgedragen.[4]
Het bestuur over de koloniën werd in 1806 gecentraliseerd. Bij Koninklijk Besluit van 18 juli 1806 werd door koning Lodewijk Napoleon naar Frans model een depot-generaal van oorlog opgericht, dat als taak had de kaarten en tekeningen van het rijk te beheren, kaarten te vervaardigen en voor beleid en geschiedschrijving relevante rapporten op te stellen. De krijgsgeschiedenis en de statistiek moesten veel aandacht krijgen. Aan dit depot-generaal werd een depot van marine en een depot van koloniën verbonden, 'alwaar bewaard zullen worden alle de kaarten, plans en memoriën tot de koloniën betrekkelijk. Dit Bureau zal een gedeelte uitmaken van het Ministerie van Koophandel en Koloniën, doch zal niettemin staan onder de bevelen van de directeur van het Dépôt van Oorlog.'[5] Net als bij het depot-generaal van oorlog werd de taak van de depots van marine en koloniën (statistische) beschrijving en geschiedschrijving[6]. Directeur van het depot was C.R.Th. Kraijenhoff; zijn neef M.J. de Man werd als onderdirecteur met de dagelijkse leiding belast[7].
In augustus 1806 nam het depot de VOC-kaarten en -plans die in de charterkamer in Amsterdam lagen van de Aziatische Raad over. Een lijst van het bestand in de charterkamer in juni 1806 is bewaard gebleven[8]. Er staan honderd nummers in beschreven. Aan de lijst is een inhoudsopgave toegevoegd van het kaartboek van Isaac de Graaff. De lijst is niet uitputtend. Het bestand van de stuurmanskamer valt er buiten. We mogen aannemen dat de aandacht voor actuele problemen betekende dat een deel van de oudere kaarten en tekeningen niet werd beschreven.In 1806 werd de grondslag gelegd voor een centrale verzameling van kaarten en tekeningen betreffende de koloniën. Gedurende de jaren 1806 tot 1810 zijn kaarten en tekeningen door A. Ampt Cz. en na hem door de directeur der koloniale kaarten Brunsveld van Hulten beheerd en geïnventariseerd[9]. De inventaris uit die periode is niet integraal bewaard gebleven, maar uit excerpten ontstaat een indruk: archiefkaarten en verzamelde, grotendeels gedrukte, kaarten werden door elkaar beschreven in één geografische ordening[10].
In 1808 stelde Ampt voor het koloniale gedeelte bij het depot-generaal uit te breiden met de collectie Romswinckel (door Lodewijk Napoleon aangekocht) en met datgene wat bij'oorlog' voorhanden was[11]. In 1809 schetste hij de geschiedenis van de verzameling 'tot het geographische, topographische en hydrographische vak der colonien' aldus: 'Het aanvanklijk fonds van deeze verzameling bestond uit eene aanzienlijke collectie welke van wegens den voormaligen Americaanschen Raad ... den ondergetekende waaren toevertrouwd; de verdere tot suppletie gecollecteerde stukken, alsmede die van den Aziatischen Raad zijn door mij ... daar bijgevoegt'. Complementair aan de verzameling achtte Ampt 'de memorien en verdere papieren concernerende de defensie der colonien en uitbreiding der cultuur, tot explicatie dienende van de plans en tekeningen'[12]. De nadruk op defensie en cultures weerspiegelt de beleidsaandacht van die jaren.
Deze opzet van een verzameling van kaarten en memoriën is bewaard gebleven in het Algemeen Rijksarchief. Het is een indeling van Franse oorsprong, onder meer vastgelegd in de 'Instruction pour le Directeur du Dépôt des Colonies'[13]. Het uitgangspunt daarin is series te vormen naar type document: zeekaarten, scheepsbouwtekeningen, plattegronden van vestingen, topografische kaarten enzovoort. Deze series hebben elk een eigen register waarin de individuele kaarten chronologisch met behulp van op alfabet geordende geografische rubrieken zijn beschreven[14].
De sporen van Ampts werk zijn achtergebleven op een deel van de in Den Haag bewaarde kaarten en tekeningen. Veelal zijn zij aan de rugzijde voorzien van een blauw etiket. Op dit etiket staat beschreven in welk register, in welk deel van het register en op welk folionummer de betreffende kaart is beschreven. Ampt, zelf kaarttekenaar, beschreef de kaarten en tekeningen van het gehele ministerie, dus ook van de Westindische gebieden en wateren. Blijkens de stempels en andere ordeningskenmerken en het opgeplakte blauwe papier, werden ook actuele zeekaarten die beschikbaar waren in Amsterdam, afkomstig van de stuurmanskamer, na 1806 opgenomen in de inventaris van Ampt.
Het depot-generaal verhuisde in de herfst van 1808 van Den Haag naar Amsterdam. In het nieuw ingerichte pand aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam was men in staat de verschillende bestanden te bergen. De beoogde centralisatie werd hiermee ook in materiële zin voltooid. Door de samenvoeging van de kaartbestanden van de ministeries van marine en koloniën in 1806 ging een deel van het zeekaartenbestand van de voormalige VOC, met name de zeekaarten van de achttiende eeuw die men van belang achtte voor de produktie van nieuwe kaarten, naar het depot van marine[15].
Het koloniale kaartenbestand stond in 1810 beschreven in 27 registers: 12 registers daarvan bevatten een beschrijving van kaarten die geheel of gedeeltelijk van de VOC afkomstig kunnen zijn. Niet beschreven in de registers, maar apart vermeld in een paklijst, is het kaartboek van Isaac de Graaff[16].
Helaas zijn de registers niet integraal bewaard gebleven; het is dan ook moeilijk om een schatting te maken van het aantal bladen dat uit het VOC-bestand afkomstig was. Minder dan 400 bladen, exclusief de 188 bladen in het kaartboek De Graaff, zullen het er niet geweest zijn[17].
De plannen tot inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Keizerrijk leidden in de zomer van 1810 tot maatregelen van Franse zijde om een selectie uit de kaarten en tekeningen van marine en koloniën zo snel mogelijk naar het Franse Dépôt de la Marine over te brengen. Napoleon stuurde in juli 1810 zijn kamerheer Auguste-Dieudonné-Emmanuel Comte de Las Cases naar Amsterdam om de overdracht voor te bereiden[18]. Hoewel overwegingen van strategisch belang voor Napoleon ongetwijfeld op de voorgrond stonden en recent materiaal betreffende de koloniën en de marine dus de grootste prioriteit kreeg, speelde historische interesse ook een rol. Er bestaat geen twijfel over hoe ruim de keizer de selectie opvatte. 'L'Empereur veut que le Dépôt Impérial de la Marine à Paris recueille de cette mission tous les avantages qu'elle pourra lui procurer', aldus de minister van marine Decrès in een brief aan de directeur van het Franse Dépôt[19].
De directeur van het Franse Dépôt, De Rosily-Mesros, lichtte ten overvloede in een rapport van 13 juli 1810 toe hoe belangrijk de kaarten in Nederland waren: 'non seulement des cartes et plans hydrographiques mais encore des cartes géographiques et topographiques de toutes les côtes et îles où les Hollandais ont eu des établissements. Outre les cartes des colonies Hollandaises qui sont en général les meilleurs qu'il y a ainsi faites, il doit y avoir dans les Dépôts de Hollande des plans des ports et rades des différentes parties du monde qui étaient fréquentées par les vaisseaux Hollandais et la collection de ces plans serait une acquisition très importante pour le Dépôt Général [...] Monsieur le Baron [De Las Cases] jugera sans doute qu'il vaut mieux conserver plus que moins: c'est le moyen le plus sûr de ne pas perdre des connaissances précieuses.'[20]
Decrès introduceerde de missie van De Las Cases bij de kort tevoren aangestelde prins stedehouder Lebrun: 'L'objet de sa mission est de s'occuper autant qu'il aura bien, du recueillement des cartes et plans du possessions d'outre mer de la Hollande, et de l'état des objets de cette nature dont doit s'enrichir le Dépôt Impérial'[21]. In Amsterdam werden de inventarissen van de depots van marine en koloniën ter beschikking gesteld[22]. De Las Cases stuurde de catalogi voor advies naar Parijs. Op basis van de catalogi werd een zeer beperkt aantal kaarten en tekeningen uitgezonderd van overname: alleen dubbelen van kaarten die men in het Franse Dépôt reeds bezat[23]. Van de kaarten en tekeningen in de genoemde 'VOC-registers' ging het om een schamele acht bladen die niet naar Parijs zouden overgaan[24]. De experts van het Franse Dépôt hadden tevens een oog op kaartenmateriaal dat elders lag of dat niet gecatalogiseerd was: 'Les deux inventaires qui ont été envoyés à Son Excellence[Decrès] indiquent qu'une petite partie des cartes que la Hollande devait posséder. On n'y trouve aucune des reconnaissances que les Hollandais ont faites des Mers de l'Archipel Indien, de la Nouvelle Guinée et de la Nouvelle Hollande, on ne trouve rien sur les Molucques, sur Bornéo et sur Malaca et Sumatra. Il n'y a que très peu de chose sur la géographie de la colonie du Cap de Bonne Espérance et celle de la Côte de Guinée. Il est probable qu'il y a encore d'autres Dépôts en Hollande dont on recevra sans doute les inventaires. La Compagnie des Indes doit en avoir un qui peut-être fort précieux.'[25]. Het is duidelijk waarop de Franse experts het oog hadden: op het oude, volumineuze bestand van de stuurmanskamer, dat in 1796 aan de tweede examinator Engelberts was toevertrouwd.
Met een besluit van Napoleon van 18 augustus 1810 werd formeel tot overbrenging van het Nederlandse depot-generaal opdracht gegeven. Dezelfde dag werd het Koninklijk Huis van Lodewijk Napoleon en het Koninkrijk Holland opgeheven. Minister Decrès wees Lebrun er in een brief van 21 augustus 1810 nog eens fijntjes op dat in Nederland slechts datgene zou achterblijven wat expliciet was omschreven in het Keizerlijk Besluit 'et l'apport à Paris de tout ce qui n'est pas designé à l'état précité'[26].
Op 27 augustus 1810 gaf de Nederlandse minister van marine Paulus van der Heim opdracht aan de begeleidende Nederlandse officieren alles naar Parijs over te brengen. Het transport van vijf kisten en een pak ging per schip via Rotterdam naar Antwerpen. Vanuit Antwerpen ging het transport over de weg. De bescheiden werden in Parijs op 13 september van Brunsveld van Hulten in beheer overgenomen door Jean-Nicolas Buache de Neuville en Charles-François Beautemps Beaupré. Alles werd gedeponeerd in het Dépôt de la Marine, gevestigd in Maison d'Egmont-Pignatelli aan de rue Louis-le-Grand no. 11, niet ver van de Place Vendôme[27].
In tegenstelling tot het geschreven VOC-archief werd dus het kaarten- en tekeningenarchief vrijwel integraal - althans, de gecombineerde bestanden van de charterkamer en de stuurmanskamer in Amsterdam - naar Parijs overgebracht, inclusief kaarten en tekeningen die niet of nog niet waren geïnventariseerd bij het depot-generaal. Bij besluit van 28 december 1810 werd het Nederlandse depot van marine en koloniën opgeheven[28]. Tevens werd besloten de in Amsterdam nog achtergebleven kaarten naar Parijs te laten overbrengen. In mei 1811 stuurde de maritieme prefect van Antwerpen dertien kisten en een ijzeren doos met archieven en kaarten door naar Parijs[29]. Niet duidelijk is of dit transport Parijs inderdaad bereikte. In een reçu van november 1815 staat met zoveel woorden dat de door Napoleon van overdracht uitgezonderde kaarten bij zijn besluit van 18 augustus 1810 nimmer in Parijs werden gedeponeerd[30]. Wat de VOC-kaarten betreft, ging het slechts om acht bladen.
De uit het Dépôt de la Marine in het Algemeen Rijksarchief teruggekeerde kaarten dragen behalve een stempel geen Franse ordeningskenmerken. Men is er in Parijs tussen 1810 en 1814 niet aan toegekomen ze in de Franse bestanden in te voegen. Geheel onbegrijpelijk is dat niet: van de drie archivarissen was de jongste 72 en de oudste 80 jaar oud.[31]