De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1602 - 1795

BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF

Verwant archiefmateriaal

HOOFDSTUK 5. KAARTEN EN TEKENINGEN VAN DE VOC

2. Beheer van het kaarten- en tekeningenarchief

Na 1813
Direct na de herwonnen onafhankelijkheid in 1813 zette men zich in om weggevoerde archieven, schilderijen en andere voorwerpen uit Parijs terug te halen. De teruggave van archieven was vastgelegd in het vredestractaat dat op 30 mei 1814 in Parijs werd gesloten (artikel 31). De zorg voor de kaarten en tekeningen waarop Nederland aanspraak maakte, werd in juli 1815 opgedragen aan de voormalige onderdirecteur van het depot-generaal van oorlog, M.J. de Man[1].
Eind november 1815 rapporteerde De Man dat hij in de opsporing van de koloniale kaarten 'niettegenstaande alle tegenkanting bijzonder geslaagd' was[2]. Behalve met tegenwerking had hij in Parijs met praktische problemen te kampen gehad. De Man moest zijn weg zoeken in een bezette stad. Veel tijd ging op aan visites aan geallieerde bevelhebbers en Franse autoriteiten. De Fransen vertraagden het werk van De Man waarschijnlijk mede om inderhaast kopieën te maken van de terug te geven kaarten. De plattegrond van Batavia en omgeving door Tency, waarvan het origineel nu in het Algemeen Rijksarchief is, bleef in de collectie van het Dépôt de la Marine als calque bewaard. Zelfs gedrukte kaarten werden overgetrokken, zoals de kaart van de kust van Malabar van Van Keulen. Dat het aan Franse zijde haastwerk was, bewijst dezelfde kaart van Malabar. De gedrukte kaart vond men terug in een hoek van het Dépôt de la Marine[3].
Op 26 oktober 1815 kreeg De Man de Franse minister van marine zover dat instructie tot teruggave werd gegeven aan De Rosily-Mesros van het Dépôt de la Marine. De Rosily-Mesros diende de kaarten af te geven aan de hand van de indertijd bij het Nederlandse depot gemaakte catalogi 'qui pourra servir à leur vérification'[4]. Dit is een interessante zinsnede. In 1810 mocht men in Amsterdam van het VOC-bestand acht bladen behouden, die expliciet in het Keizerlijk Besluit aan de hand van de catalogus van transport waren uitgezonderd. Al het overige, dus ook datgene dat niet in catalogi was beschreven, moest naar Parijs worden overgebracht. In 1815 gaf men aan de hand van de catalogus de kaarten terug. Dit betekende dat het oude bestand van de stuurmanskamer en andere niet gecatalogiseerde kaarten uit het zicht van De Man bleven. Enkele kaarten die wel gecatalogiseerd waren, kon men in november 1815 niet vinden. Veel waren het er niet, volgens een lijstje dat De Man ervan maakte[5].
Dank zij het werk van De Man werden in de winter van 1815/1816 twee kisten met kaarten en tekeningen betreffende de koloniën naar Nederland teruggebracht en bij de charterkamer van het ministerie van koloniën in Den Haag gedeponeerd.[6]De Man berichtte 15 november 1815, toen hij de kaarten en tekeningen opstuurde: 'ik voege hierbij, voor zoo verre het Departement der Koloniën betreft de originele catalogus der kaarten en plans welke uit Holland herwaards vervoerd en waarin met roode streepen aangeduid zijn alle de door mij overgenomen stukken, moeten die geene die met een o geteekend zijn (volgens K.B. Napoleon 18 aug. 1810) in Holland teruggebleven zijn en zich bij het Departement van Koloniën bevinden.'[7]. Een exemplaar van deze geannoteerde catalogus van Ampt/Brunsveld van Hulten is niet bekend. Het bestand werd in de paklijst als volgt omschreven: 26 pakketten die elk de kaarten van één register bevatte (Azië enzovoort), het kaartboek van De Graaff in twee delen, 7 pakketten memoriën en brieven, 13 kaarten op linnen of opgerold, beschreven in register 27, 8 opgerolde niet in de catalogus beschreven kaarten (apart gespecificeerd: kaarten van de West) en 14 cartons (papieren van H.W. Daendels). De kisten kwamen op 8 december 1815 in Nederland aan. Niet lang daarvoor waren de gereclameerde schilderijen van het Oranjehuis teruggekeerd. Ook daarbij had De Man een rol gespeeld: geassisteerd door Pruisische militairen had hijzelf de Stier van Potter van de muur in het Louvre genomen en deze met andere schilderijen in veiligheid gebracht met een door hem met getrokken sabel geleid escorte[8].
In Nederland was in 1815 het uit Parijs teruggekeerde deel van de VOC-kaarten en -tekeningen ondergebracht in de charterkamer van het ministerie aan het Binnenhof in Den Haag. Andere delen bevonden zich nog bij de geschreven archieven opgeslagen in pakhuizen: een deel in Amsterdam en voor het overige in Middelburg en andere plaatsen van VOC-kamers. Het ministerie van koloniën bracht na 1815 de diverse archieven uit de VOC-periode in Amsterdam bij elkaar. Ook het kaarten- en tekeningenbestand uit de charterkamer in Den Haag werd overgebracht naar het Westindisch Slachthuis in Amsterdam.
Het archiefbeheer onder het ministerie van koloniën is in het algemeen gesproken weinig bevorderlijk geweest voor het behoud van de stukken. In het Westindisch Slachthuis werd nogal wat vernietigd. De minister gaf in 1821 toestemming om uit het in Amsterdam aanwezige archief de dubbelen en datgene wat bijvoorbeeld door water onherstelbaar beschadigd was geraakt voor oud papier te verkopen. Bij deze opruiming bevond zich onder meer een 'kist oude zeekaarten onbruikbaar'[9]. De beheerders hanteerden als criterium bij hun opruimingen het principe: wat voor de huidige administratie niet meer van belang is, kan het eerste weg. Dit heeft in een aantal gevallen geleid tot het vernietigen van historisch belangrijke stukken. Eén van degenen die zich hieraan later zeer hebben geërgerd, was de rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink. Zo schreef hij in 1856 over de gewoonte om perkamenten kaarten te gebruiken om er paperassen mee in te binden[10]. Dit was een oude gewoonte: verouderde perkamenten kaarten behielden hun materiaalwaarde en werden al in de zeventiende eeuw gebruikt voor het inbinden van brieven en papieren. Ook Victor de Stuers, bekend voorvechter voor het behoud van het Nederlandse erfgoed, was verontwaardigd over de misstanden in het archiefbeheer. Over de Oostindische gezichten uit de vergaderkamer van de Heren Zeventien (nu in het Rijksmuseum in Amsterdam) schreef hij: 'Deze stukken, gedeeltelijk aan flarden gescheurd, zijn onlangs op den turfzolder gevonden.'[11]
Het koloniale kaarten- en tekeningenbestand in Amsterdam werd in de eerste helft van de negentiende eeuw aangevuld met wat elders te voorschijn kwam. Omstreeks 1850 werden de archieven van de voormalige VOC in Amsterdam geïnspecteerd. In het verslag wordt slechts globaal de aanwezigheid van 'kaarten, plannen, afbeeldingen van forten' gemeld[12]. (Zie bijlage 14 voor een schematisch overzicht van de VOC-kaartenbestanden.)