Inventaris van de bescheiden der voormalige Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië 1703-1826
Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië

Beschrijving van de archiefbestanddelen

A   Residentie Bengalen
Geschiedenis van het archiefbeheer [1]
Vgl. Mr. R. Bijlsma, "De aan Nederland gebleven bescheiden van de etablissementen in Voor-Indië", in het Nederlandsch Archievenblad 1931/1932; en P.H. van der Kemp, "De Nederlandsche factorijen in Voor-Indië in den aanvang der 19e eeuw", in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië , 1901, pass.
De Compagniesfactorijen van de directie Bengalen, met als hoofdplaats Hoogly, kwamen in 1795 in handen der Engelschen, werden in 1818, krachtens het Londensch tractaat van 13 Augustus 1814, aan Nederland teruggegeven, om in 1825, volgens het tractaat van Londen van 17 Maart 1824, wederom aan Engeland te worden afgestaan. Deze wisseling van gezagdragers weerspiegelt zich in den aard der stukken uit het archief van de bezittingen in Bengalen, die op het Algemeen Rijksarchief bewaard worden.
Zooals uit onderstaande inventaris blijkt, loopen de bescheiden uit het archief van de directie Bengalen tot 1795; dan is er een leemte over de jaren 1795-1818 (de tijd van het Engelsch tusschenbestuur), terwijl dan de bescheiden uit het archief van de in 1818 opgerichte residentie Bengalen (met als hoofdplaats Chinsurah) doorloopen tot den difinitieven afstand aan Engeland in in 1825.
De overgave van Bengalen aan de Engelschen op 7 Mei 1825 geschiedde - bij afwezigheid van den resident D.A. Overbeek, die tot Nederlandsch Commissaris voor de overgave was benoemd, - door den waarnemenden resident Bouman. Enkele dagen later gaf deze last aan enkele ambtenaren om de onderhoorige bezittingen in Bengalen over te geven.
Midden Juli 1825 werd het archief te Chinsurah geïnventariseerd en in handen der Britsche commissarissen gesteld; de (thans te Calcutta berustende) inventaris draagt tot titel: "Register of Dutch records in charge of the registrar and secretary received the 13th, 14th, 15th and 16th of July 1825". [2]
Het duurde tot Juni 1826, voordat de secrete papieren aan de Nederlandsche partij terugkwamen. Krachtens een "Order of the government" nam P.J.C. Overbeek, de gewezen secretaris van den Raad van Politie te Chinsurah, in ontvangst de secrete papieren en hetgeen met deze tezamen in een kast op het kantoor der gezworen klerken werd aangetroffen. Behoudens enkele uitzonderingen zijn deze papieren door Overbeek naar Batavia opgezonden, vanwaar zij in 1863 naar het Rijksarchief te 's-Gravenhage zijn getransporteerd. [3]
Uit de archieven der onderhoorigheden (Bellasoor, Patna, Fulta, Calcapoor, Dacca en Kassembazaar) zijn ons geen stukken bewaard gebleven; doch wel de briefwisseling met de kantoren Kassembazaar en Patna, die in het archief der voormalige hoofdplaats Hoogly berustte.