Inventaris van de bescheiden der voormalige Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië 1703-1826
Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië

Beschrijving van de archiefbestanddelen

B   Opperhoofdij Coromandel en Madura
Geschiedenis van het archiefbeheer [1]
Vgl. Mr. R. Bijlsma, "De aan Nederland gebleven bescheiden van de etablissementen in Voor-Indië", in het Nederlandsch Archievenblad 1931/1932; en P.H. van der Kemp, "De Nederlandsche factorijen in Voor-Indië in den aanvang der 19e eeuw", in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, 1901, pass. Vgl. ook de "Algemeene inleiding".
Uit het archief der voormalige Nederlandsche bezittingen op de kust van Coromandel en Madura bezitten wij slechts bescheiden uit de periode 1818-1825.
Den 31 Maart 1818 was Sadras,hoofdplaats van de Nederlandsche bezittingen, door de Engelsche Overheden, die hier sinds 1795 het bewind gevoerd hadden, aan de Nederlanders teruggegeven. "Opperhoofd"over dit gebied werd F.C. Regel, hiertoe den 12 Februari 1818 benoemd.
Den 1 juni 1825 droeg Von Söhsten,, het toenmalige opperhoofd ter kuste, Sadras en onderhoorigheden wederom aan de Engelschen over. Deze onderhoorigheden waren de kantoren Palikatte, Palicol, Jaggernaikpoeram en Tutucorijn,de posten Bimilipatnam en Porto Novo.
Dienzelfden dag werden, volgens daarvan opgemaakte lijsten [2], in handen der Britsche gecommitteerden gesteld de archieven van de voormalige Nederlandsche O.I. Compagnie en die van de laatste administratie aldaar. De bescheiden, die aan het Nederlandsch bestuur bleven, staan vermeld op een "Lijst van zoodanige papieren en zegels etc. die naar Batavia gezonden worden". Deze lijst, den 15 september 1825 te Sadras opgemaakt, bevat stukken uit het tijdperk 1818-1825; verder zegels, stempels, cachetten, tsjappen, onder welke ook gebruikt ten tijde der O.I. Compagnie. De lijst is in 1863 mede uit Batavia naar het Rijksarchief te 's-Gravenhage gekomen [3], en leverde goeden dienst bij de thans ondernomen reconstructie van het archiefrestant van de Nederlandsche bezittingen ter kuste van Coromandel en Madura. De nummers 71-122 en 125-136 uit onderstaande inventaris konden op grond van deze lijst tot dit archiefrestant worden teruggebracht. Uit de archieven der onderhoorigheden is ons niets bewaard gebleven, daarentegen wel briefwisseling van het opperhoofd met de onderhoorige residenties Palicol, Palikatte en Tutucorijn,die - mede op grond van genoemde lijst van 15 september 1825 - tot het archief van de hoofdsplaats Sadras gerekend worden.
Omtrent de overgave van de onderhoorigheden en hun archieven in 1825 aan de Engelschen laten wij eenige bijzonderheden volgen.
De resident te Palikatte zond bij brief van 2 juni 1825 aan den Commissaris bericht van de overgave der etablissementen en deelde daarbij mede, dat hij, na afgave van de archieven aan den Britschen gecommitteerde, de overige volgens lijst aan den Commissaris aanbood. De lijst bevindt zich als bijlage bij den brief; de opzending der stukken geschiedde met een geleidebrief, gedateerd 8 Juni. De aan den Commissaris toegezonden bescheiden betreffen uitsluitend het tijdperk 1817-1825.
De resident te Palicol berichtte bij schrijven van 5 juni 1825 aan den Commissaris, dat hij alle boeken en papieren aan den Engelschen gecommitteerde zou overleveren, behalve kasboeken en rekeningen. Bij zijn brief van 9 juni voegde de resident een "List of records, books and papers in the Dutch language delivered tot the English Government", gedateerd Palicol 9 Juni. [4] Betreffende de opzending der kasboeken en rekeningen herhaalde hij nog eens bij zijn schrijven van 11 Juni, dat hij deze binnen enkele dagen naar Sadras zou zenden.
In de brieven van den resident te Jaggernaikpoeram wordt eerst melding gemaakt van de bescheiden te Bimilipatam.De posthouder aldaar had den resident toegezonden alle de gouvernementspapieren sedert het jaar 1818, welke doorgestuurd zouden worden naar Sadras. [5] De posthouder had onder zijn berusting gehouden alle oude voormalige Compagniesboeken en -papieren, aangezien deze nog niet gerequireerd waren geworden door den Britschen commissaris.
De resident van Jaggernaikpoeram zond voorts bij zijn schrijven van 29 juni aan den Commissaris te Sadras twee opgaven van archiefbescheiden; de eene was een "Lijst van boeken en papieren van het Nederlandsche gouvernement, die overgegeven zijn geworden aan den Engelschen Commissaris met de overgave van deze plaats" en gedateerd 1 Juni 1825. [6]
De lijst der papieren, onder verantwoording van den resident gebleven en ter opzending bestemd, werd door Commissaris Von Söhsten naar Jaggernaikpoeram teruggezonden. Op 15 Juli meldde de resident, dat hij volgens de veranderde lijst de boeken en papieren naar Sadras zou zenden; de lijst is in triplo aan den brief toegevoegd. Den volgenden dag werden de bescheiden afgezonden met een geleidebrief; de lijst bevat slechts stukken uit het tijdperk 1818-1825. [7]
De overdracht der factorij te Porto Novo o p1 Juni 1825 werd bij brief van 7 Juni naar Sadras gemeld; van de archiefstukken vinden wij geen melding gemaakt.
De overgave van Tutucorijn met onderhoorigheden, van de factorijen aan Caap Comorijn en te Kilkare met het Verschwaterseiland had plaats 1, 7 en 11 Juni 1825 door den resident van Tutucorijn. Deze vroeg bij brief van 4 augustus aan den Commissaris te Sadras inlichtingen over de uitvoering der instructie ten aanzien der archieven, meldend dat er geen secreet verbaal te zijner residentie gehouden werd. De Commissaris gelastte de overgave der archieven aan den Britschen collector. Bij brief van 20 Augustus antwoordde de resident te Tutucorijn, dat de Britsche collector zich bereid had verklaard de archieven over te nemen, hetwelk onder kwitantie zou geschieden. [8]