Archief van Hendrik Becker

Beschrijving van het archief

Geschiedenis van de archiefvormer

VOC op Ceylon
De vestiging van de Nederlandse Oost - Indische Compagnie in Ceylon duurde van 1640 tot 1796. Vóór deze periode (al vanaf 1601) waren er contacten van de Hollanders met de inlandse vorsten geweest.
Het eerste contact was gelegd door admiraal Joris van Spilbergen. Toen stond het grootste deel van Ceylon onder Portugese invloed. Portugezen hadden forten op Ceylon, onder andere Trincomalle en Batticalao. Ze hielden ook alle havens bezet.
In 1602 was er contact tussen Joris van Spilbergen en de inlandse Singalese vorsten, onder andere over de levering van peper en kaneel aan de Compagnie. In dit jaar werd een bondgenootschap gesloten tussen de Portugezen met de machthebbers te Candy, de koning van Senerat, Wiwala Pharma Suriya. Het kwam niet tot uitvoering in de praktijk.
Later, in 1612 probeerde de VOC in de persoon van Marcelis Boschouwer nogmaals tot een verdrag te komen. Langzamerhand kreeg de VOC vrijheid om handel te drijven in de havens Batticaloa en Trincomalle. Daardoor ontstond een conflict tussen de VOC en de Portugezen. De Compagnie kreeg echter wel steun van de vorsten van Ceylon, met wie verscheidene verdragen gesloten werden.
Op 15 maart 1638 vertrok Willem Jacobsz. Coster met zijn troepen naar Ceylon om Batticaloa op de Portugezen te veroveren. In april 1638 viel Batticaloa in handen van de VOC, later volgde het fort Trincomalle. Het tractaat van Batticaloa van 23 mei 1638 vormde de basis voor de relaties tussen de Singalese vorsten en de VOC. Dit tractaat was door Raja Singha, keizer en koning van Ceylon en Candia en Adam Westerwolt commandeur van de Nederlandse zeemacht en door Willem Jacobsz. Coster, vice - commandeur ondertekend. Het bevatte 19 artikelen, waaronder bepalingen, dat de Raja Singha de Compagnie als zijn bondgenoot erkende; dat hij samen met de VOC het eiland Ceylon tegen de Portugezen zou beschermen, en er waren tevens bepalingen over de handel, forten, koopwaren, en over de verdere samenwerking tussen de VOC en Candy [1].
Omdat de Singalese troepen niet sterk genoeg waren om de forten Batticaloa en Trincomalle te verdedigen, plaatste de Compagnie ook troepen in deze forten.
In 164O waren Negombo en Gale door Candyers en de VOC op de Portugezen veroverd. Kort daarna, in november 1640 heroverden de Portugezen deze twee forten.
Pas in 1644 was de VOC in staat om de forten onder leiding van Jan Matthijszoon definitief in handen te krijgen. Op 25 mei 1645 verklaarde Jan Thijs de oorlog aan de inlandse vorsten, omdat de inlandse troepen en de bevolking onder bevel van deze het land verwoestten. De Compagnie bezette hun gebied. De oorlog eindigde met het verdrag van 1649, dat een herziening op bepaalde punten inhield van het verdrag van 1638.
Augustus 1655 vertrok Gerard Hulft met een grote vloot naar Ceylon om het nog steeds Portugese Colombo aan te vallen. 12 mei 1656 viel Colombo in handen van de VOC. Kort daarna werden de eilanden Manaar en Jaffanapatnam en alle noordelijke gebieden onder leiding van Rijcklof van Goens veroverd. Door de bezetting van de kusten en havens op Ceylon, kon de VOC veel makkelijker handel drijven. De aanwezigheid van de VOC op Ceylon had vooral commerciele redenen. Kaneel, peper en ivoor waren de belangrijkste produkten van het eiland. Andere produkten voor de Europese markt waren katoen, noten, rijst, lijwatten en paarden.