Archief van Rogier Gerard van Polanen 1754 - 1829
Rogier Gerard van Polanen

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormers
Rogier Gerard van Polanen werd op 3 mei 1757 te Rotterdam geboren als tweede zoon uit het huwelijk van Jan van Polanen en diens volle nicht Sarah Maquelin. De vader van Rogier was als boekhouder in dienst van de VOC getreden en daar vervolgens als onderkoopman, koopman en eerste administrateur in de Westzijdse koffiepakhuizen werkzaam geweest. Van zijn moeder is weinig meer bekend dan dat zij evenals haar echtgenoot een kleinkind was van Johannes de Vecker, secretaris van het in de nabijheid van Rotterdam gelegen Berkel en dat zij in 1750 met Jan van Polanen in het huwelijk is getreden kort nadat deze uit Indië was gerepatrieerd [1].
Over de jeugd van Rogier Gerard van Polanen ontbreken verder gegevens, tot hij op 28 januari 1776 met het schip "de Juno"in Batavia aankwam, waar hij, uitgezonden door de kamer Delft van de VOC op 24 mei werd benoemd tot ordinaris klerk bij de Raad van Justitie. Op 11 december 1777 werd hij benoemd tot adjunct-gezworen klerk bij de Raad van Justitie, waarna hij op 12 oktober 1778 werd voorgedragen voor een benoeming tot onderkoopman. In deze benoeming werd echter niet bewilligd. Een volgende voordracht werd gedaan op 11 september 1780 en werd op 16 mei 1783 goedgekeurd [2]. Toen dat laatste in Indië bekend werd was van Polanen al met zijn vrouw en kind op weg naar Nederland ( 10 juni 1783).
Van Polanen vertrok zo spoedig mogelijk toen hem duidelijk werd dat de benoeming aan hem voorbij zou gaan. Hij vestigde zich na zijn aankomst in Holland (waarschijnlijk begin 1784) met zijn vrouw Helena Wilhelmina de Vos, waarmee hij op 20 juli 1780 in Indië was getrouwd, en zijn in 1782 geboren dochtertje Elisabeth Sarah [3], te IJsselstein [4]. Hij schreef zich in als utriusque candidatus aan de Hogeschool te Harderwijk [5]en de dag na zijn inschrijving, 22 oktober 1785, verdedigde hij zijn stellingen en werd bevorderd tot juris utriusque doctor [6]. Via de familierelaties van zijn vrouw kwam hij al snel aan een gunstige positie in de stad Vlissingen. Haar volle neef mr. N.C. Lambrechtsen, de pensionaris van het in die dagen overwegend patriotse Vlissingen, bezorgde hem op 14 januari 1786 de aanstelling tot adjunct-pensionaris van de stad [7]. Een functie welke hij tot 1787 vervulde. De rede voor zijn ontslagaanvrage moet gezocht worden in het verandere politieke klimaat. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in de levensberichten van Lambrechtsen waarin deze schrijft dat Van Polanen "bedugt voor schrikbarende explosies" besloot het land te verlaten. Op 26 mei 1787 verkreeg hij zijn gevraagde ontslag en vertrok omstreeks juni van dat jaar, met zijn gezin naar Frankrijk waar hij zich in Montpellier vestigde [8]. Hier werd zijn derde kind, Geertruide Adriana, geboren [9]. Na korte tijd te Bordeaux te hebben gewoond, waar het vierde kind Sara Johanna werd geboren, [10]vertrok Van Polanen zonder zijn gezin naar de V.S. waar hij op 21 januari 1791 arriveerde. In de V.S. moet hij zich aanvankelijk hebben bezig gehouden met grondspeculatie [11]en journalistieke werkzaamheden [12], tot hij, op 13 januari 1796 uit Den Haag het bericht ontvangt dat hij door het nieuwe bewind was benoemd tot minister-resident bij de V.S. [13].
De omstandigheden die de werkzaamheden van Van Polanen bepaalden waren, ten eerste, de rol die de Bataafse Republiek als nauwe bondgenoot van Frankrijk diende te vervullen, ten tweede, de vijandelijke houding van Engeland jegens Frankrijk en de Bataafse Republiek en ten derde de neutrale rol van de V.S. ten aanzien van het Europeese conflict [14]. Binnen dit complexe raamwerk vervulde Van Polanen zijn taak, waarbij het voornaamste doel was de resterende Nederlandse handelsbelangen zo goed mogelijk te behartigen. Essentieel hierbij was een Amerikaans-Frans conflict te vermijden, hetgeen voor de Bataafse Republiek slechts oorlog en verlies van de Amerikkanse handel kon betekenen.. Van Polanen werd bij het uitvoeren van de Bataafse vredespolitiek het meest gehinderd door de Franse bondgenoot , die door middel van een agressief optreden tegen Amerikaanse schepen indirect de Bataafse handelsbelangen schaaddde [15]. In 1802 hief de Amerikaanse regering het gezantschap van de V.S. in Den Haag op. Als reactie op het Amerikaanse besluit werd het gezantschap van de Bataafse Republiek in de V.S. opgeheven (1802), waardoor de werkzaamheden van Van Polanen, zeer tot zijn spijt, een einde namen en hij de V.S. verliet. Sinds zijn aankomst in de V.S. had Van Polanen het land slechts één keer verlaten voor een kort bezoek aan Nederland (augustus 1800 - april 1801). Tijdens dit bezoek zag hij, voor het eerst sinds 10 jaren, zijn vrouw en kinderen terug. Het weerzien schijnt hartelijk te zijn geweest, maar toch ook weer niet zo hartelijk dat een gezinshereniging plaats kon vinden [16]. In april 1802 vertrok Van Polanen zonder zijn vrouw, maar met zijn twee jongste dochters, weer naar de V.S.. In de V.S. aangekomen stelde hij over zijn beide dochters een gouvernante aan. Deze gouvernante, Adelaïde van Doorninck, dochter van een uitgeweken patriot, zou later (1805) met Van Polanen in het huwelijk treden.
Na opheffing van het gezantschap werd van Polanen benoemd tot raad van politie aan de Kaap [17], waar hij op 26 maart 1803 arriveerde in gezelschap van Adelaïde van Doorninck en zijn beide dochters. Van Polanen zou hier onder commissaris-generaal J.A. de Mist, als lid van de Raad van Politie, zorg dragen voor de herinrichting van de Kaap, welke kolonie na een Engelse bezetting (1793-1802) bij de vrede van Amiens (1802) weer aan de Bataafse Republiek was overgedragen. De Raad van Aziatische Zaken en Bezittingen had zich sterk ingespannen voor het herwinnen van de Kaap. Mr. J.A. de Mist, één van de leden van de Raad, werd tot commissaris-generaal benoemd ten einde de Kaap over te nemen en orde op zaken te stellen (1802-1805). Twee maanden na zijn aankomst produceerde De Mist een uitgebreid rapport betreffende de inrichting van het bestuur. De regering van de volksplanting Kaap de Goede Hoop werd toevertrouwd aan een gouverneur (J.W. Janssens, 1803-1806), tevens generaal en chef van de gewapende macht, vier raden van politie (R.A. de Salis, R.G. van Polanen, J.P. Mederbach Wakker, W.F. van Reed van Outshoorn), een Rekenkamer, een Raad van Justitie (6 leden) en een commissaris om de kaap van de Engelsen over te nemen [18]. De Mist had de taak om de Kaap zo snel mogelijk, weer als een rendabel onderdeel in de koloniale bezittingen op te nemen, waarbij de zelfstandige ontwikkeling van de Kaap benadrukt zou worden [19]. Hij nam de economische ontwikkeling van de Kaap ter hand en wilde een gematigd democratisch bestuur grondvesten [20]. Met het laatste wilde hij tegemoet komen aan de verlangens van patriotse groeperingen (boeren en kolonisten) zoals zij die reeds in 1779, 1785 en 1795 kenbaar hadden gemaakt. Volgens De Mist kon men hen beter tegemoet komen om zodoende het gevaar van een onafhankelijke Zuid-Afrikaanse republiek, geïnspireerd op het Amerikaanse voorbeeld af te kunnen wenden [21]. Mede tot uitvoering van bovenstaand programma was Van Polanen naar de Kaap geroepen. Te midden van zijn collega's werd hij beschouwd als "primus inter pares" en als zodanig naast De Mist en Janssens als de derde man in de kolonie [22]. Met gouverneur Janssens sloot hij hier een vrienschap voor het leven, terwijl de verhouding tot De Mist werd gekenmerkt door politieke tegenstellingen [23]. De slechte verhouding met Commissaris-Generaal De Mist was, naast de hoop op materiële verbetering en persoonlijke ambitie, een van de redenen waarom hij pogingen in het werk stelde om een positie in Indië te verkrijgen [24]. In afwachting van een benoeming liet Van Polanen zich al in februari 1805 naar Indië sturen met de opdracht van het Kaaps bestuur de regeerders in Batavia er toe te brengen de kaap van goederen en militairen te voorzien.
In maart 1805 arriveerde Van Polanen te Batavia met het schip "the Recovery". Aan boord van dit schip had hij zich met Adelaïde van Doorninck in de echt laten verbinden (hoogstwaarschijnlijk zonder zijn eerste huwelijk te laten ontbinden) [25]. Na zijn aankomst vervulde hij zijn missie, maar ook zijn eigen belangen behartigde hij goed. In juni 1805 verzocht hij gouverneur-generaal A.H. Wiese, "Om in afwachting van het te nemen besluit van het staatsbewind der Bataafse Republiek, op mijn gedaan verzoek, om naar herwaarts te worden verplaats, provisioneel in een andere convenabele post te worden geëmployeerd [26]. Na een aanvankelijke weigering zwichtte Wiese uiteindelijk en benoemde Van Polanen tot vice-president van de Raad van Justitie, dit in afwachting van de beslissing van de Aziatische Raad over het verzoek te worden ontslagen als raad van politie en te worden aangesteld als raad-ordinaris van de Raad van Indië [27]. Op 26 juli 1806 deelde de Raad van Indië Van Polanen mee dat de Aziatische Raad op 1 oktober had besloten hem zijn ontslag als raad van politie te verlenen, maar hem voorlopig niet in een ander ambt te benoemen [28]. Echter ook zonder deze benoeming bleef Van Polanen een persoon om terdege rekening mee te houden, dit dankzij de invloed die hij op de zwakke Wiese kon uitoefenen. Van Polanen trof in Indië geen wezenlijk andere situatie aan dan die welke hij bij zijn eerste verblijf al had aangetroffen. Indië werd nog steeds beheerst door een kleine gevestigde kliek die onderling de baantjes verdeelde en de misbruiken waaraan de leden van deze kliek zich schuldig maakten ongehinderd liet passeren [29]. Het is Van Polanen geweest die Wiese ertoe heeft aangezet de corruptie aan de kaak te stellen. Deze houding van Van Polanen bracht hem vanzelfsprekend in botsing met de Indische oligarchie. Aan het hoofd van deze oligarchie stond oud-gouverneur-generaal J. Siberg, die na zijn aftreden in Indië was blijven wonen. De zaken splitsten zich toe rond de gecommitteerde tot en over de zaken van de inlander P. Engelhard, een protegé van Siberg en een neef van de gouverneur van Java's Noord-Oostkust, N. Engelhard [30]. Een onderzoek van de Commissie tot de Bovenlanden [31] naar aanleiding van klachten over de adjunct-gecommitteerde tot en over de zaken van de inlander, P.H. Lawick van Pabst [32]bracht, nadat deze het beleid van zijn chef P. Engelhard had gekritiseerd, het financieel wanbeheer van de laatste aan het licht [33]. Van Polanen stelde alles in het werk om deze zaak snel af te doen, maar tevergeefs, want uiteindelijk verdween de zaak Engelhard onder het bewind van gouverneur-generaal Daendels (1808-1811) voorgoed in de doofpot. Deze kwestie leverde Van Polanen geen enkel resultaat op en vermeerderde slechts het aantal van zijn vijanden bij de oligarchie, terwijl hij ook aan radicale zijde op weinig steun kon rekenen. Juist hier was sinds de omwenteling in het vaderland de discussie begonnen over het stelsel van de gedwongen cultures, waarbij het stelsel van Van Hogendorp veel bijval oogstte (voor vrije arbeid). Van Polanen had zijn hoop gevestigd op het Charter van 1804, dat de conservatieve lijn van Nederburgh ten aanzien van dit probleem bevatte.
Het standpunt van Van Polanen isoleerde hem aan twee zijden, zowel aan de "Conservatieve" zijde als aan de "radicale" zijde werd hij beschuldigd van "anglomanie". De radicale patriot B.F. von Liebeherr noemt hem een "Anglomaasche aristocraat", en één van de "intriganten welke niets onbeproefd laten om tot het oude systeem van jan Compagnie weeder te kunnen keren" [34]. Al met al behaalde Van Polanen weinig succes in Indië. Zijn benoeming tot raad van Indië ging niet door, zijn strijd tegen de corruptie had geen succes, de Commissie-Generaal Van Elout en Grasveld (ter uitvoering van het Charter van 1804) werd op haar reis naar Indië teruggeroepen en bovendien werd Daendels tot gouverneur-gemeraal benoemd. Juist op de Commissie-Generaal had Van Polanen zijn hoop gevestigd, van Daendels verwachtte hij slechts een beleid dat de ideeën van Van Hogendorp nabij zou komen [35]. Om deze redenen deed Van Polanen gouverneur-generaal Wiese en directeur-generaal Van IJssendijk het voorstel hem te doen uitzenden als agent van de Indische regering naar de V.S., om daar met handelshuizen contracten af te sluiten voor de rechtsstreekse afhaal van specerijen van de Molukken. Na goedkeuring te hebben verkregen voor zijn plannen vertrok Van Polanen, nog voor Daendel's aankomst naar de V.S. (1 januari 1808) [36]. In maart 1808 kwam Van Polanen in de V.S. aan. Zijn taak was om met de Amerikaanse handelshuizen contracten af te sluiten voor het rechtstreeks afhalen van specerijen van de Molukken. Deze afhaal zou (voor het eerst!) buiten Batavia om moeten geschieden, aangezien de Engelse heerschappij ter zee een regelmatige Nederlandse afhaal en bevorrading in de weg stond. Voor deze taak had Van Polanen een geheime instructie meegekregen welke hem bond aan minimum verkoopsprijzen [37]. Gouverneur Daendels, die op de hoogte was van de redenen van het vertrek van Van Polanen naar de V.S., besloot diens werkzaamheden te negeren en stuurde zelfs een eigen agent naar de V.S. (L.W. Meijer) die de opdracht kreeg contracten af te sluiten met Nederlandse handelshuizen. Eind september had Van Polanen de minister van marine en koloniën, P. van der Heim, op de hoogte gesteld van zijn commissie in de V.S. [38]. Op deze mededeling van Van Polanen kwam een positief antwoord van Van der Heim (13 juli 1809) [39], waarbij de op 31 december 1808 afgelopen activiteiten van het agentschap werden uitgebreid tot Java en Van Polanen werd benoemd tot extra-ordinaris raad van Indië [40]. Met veel enthousiasme toog Van Polanen aan het werk, hetgeen resulteerde in een reeks contracten met het Amerikaanse handelshuis J. le Roy & Son [41]. Wel was hij gedwongen voor deze contracten een lagere prijs te berekenen dan die welke in zijn instructie was voorgeschreven. Evenals Van der Heim was Van Polanen van mening dat een prijsvermindering de vaart op Indië aantrekkelijk moest maken. Ondertussen werd Daendel's beleid ten aanzien van het agentschap flink doorkruist door de beslissing van Van der Heim. Hij was nu gedwongen de contracten van het agentschap te accepteren. Meijer zou worden toegevoegd aan het agentschap van Van Polanen en en Daendels zou contact opnemen met Van Polanen [42]. De toezegging die Daendels aan Van der Heim moest doen met betrekking tot het agentschap bleken echter weinig waard. Al bij de aankomst van het eerste contractschip, "the Goldsearcher", weigerde hij het contract te accepteren op grond van het feit dat de contracten waren afgesloten tegen te lage prijzen; hij baseerde zich hierbij op de geheime instructie van Van Polanen. Toen Van Polanen hiervan op de hoogte werd gesteld gaf hij aan Van der Heim te kennen zich uit 's lands dienst ontslagen te achten, dit ondanks het feit dat Van der Heim Daendels dwong de contracten uit te voeren [43]. De schepen waren echter al, op één na, onverrichterzake teruggekeerd. Van Polanen concludeerde terecht dat er geen samenwerking mogelijk was tussen hem en Daendels, de wederzijdse irritaties en conflicten waren te hoog opgelopen. Het resultaat van dit alles was dat Van Polanen weer ambteloos burger was. In maart 1811 scheen hij nog op zijn besluit te hebben willen terugkomen toen hij vernam dat Daendels door J.W. Janssens was vervangen [44]. De inlijving van de Bataafse Republiek bij het Franse keizerrijk deed hem echter ander besluiten. De kwestie rond de Amerikaanse contracten vond definitief een einde toen een onderzoekscommissie in 1815 besliste dat de Hoge Regering in Batavia verantwoordelijk was voor de geleden schade door het afwijzen van contracten. De handelwijze van Van Polanen werd niet afgekeurd [45].
Van Polanen bleef in de V.S. wonen waar hij een farm kocht te Bridgeport (Connecticut). Pas na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid keerde hij terug naar Nederland voor een tijdelijk verblijf (1815-1816). In Nederland solliciteerde hij naar de functie van raad van Indië [46]. Hij kreeg de functie niet, waarschijnlijk omdat de conservatieve denkbeelden van Van Polanen niet pasten in de liberale politiek ten aanzien van de koloniën. Deze politiek was gebaseerd op het systeem van vrije arbeid zoals dat in Indië was ingevoerd door Raffles. Van Polanen zette zijn bezwaren tegen laatstgenoemd systeem uiteen in een in mei 1816, anoniem in Amsterdam, verschenen boek getiteld "Brieven betreffende het bestuur der koloniën ". Dit werk vormde tevens een reactie op een eerdere publicatie van Daendels waarin deze zijn koloniaal beleid verdedigde. In 1816 keerde Van Polanen zonder nieuwe aanstelling, teleurgesteld, naar naar de V.S. terug. In de V.S. leefde hij van een klein kapitaaltje en hield zich onledig met "letteroefeningen" [47]en een uitgebreide correspondentie met vrienden en kennissen in Europa [48]. Met name met J.W. Janssens en J. van den Bosch onderhield hij regelmatig contact. Van Polanen van Van den Bosch schreven voornamelijk over koloniale vraagstukken . Zij stemden vrijwel overeen in hun opvattingen met betrekking tot de koloniën. Geen wonder, want Van den Bosch beschouwde diens opvattingen over het systeem van vrije arbeid in de koloniën. Jammer genoeg was er vooralsnog geen belangstelling voor hun ideeën op het ministerie van marine en koloniën. Pas na het mislukken van de koloniale politiek van Van der Capellen (1819-1826) steeg de belangstelling. In 1828 werd Van den Bosch benoemd tot gouverneur-generaal om een nieuw beleid gestalte te geven (gedwongen cultures). Van den Bosch verzocht Koning Willem I om toestemming tot de benoeming van Van Polanen tot raad van Indië om hem bij de uitvoering van zijn taak terzijde te staan. Van Polanen ontving een schrijven van Van den Bosch, plus het K.B (6 juni 1829), waarin zijn benoeming tot raad van Indië werd goedgekeurd [49]. Na lang weifelen wees hij de benoeming echter af en wel op grond van het feit dat zijn gezondheid hem niet in staat stelde de functie te vervullen [50]. Hij kon de gouverneur-generaal niet persoonlijk in kennis stellen van zijn beslissing en vroeg aan vrienden of deze dat voor hem wilden doen [51]. Op 9 september 1833 overleed Van Polanen - 76 jaar oud - te Bridgeport (Conneticut).