Inventaris van het archief van Lubbert Jan, Baron van Eck, 1719-1765
Lubbert Jan, Baron van Eck

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Historische inleiding

De oorlog met Kandi ( 1761-1766)
In de 18e eeuwse waren de betrekkingen met Kandi goed, maar niet hartelijk, en de Kandiërs erkenden de Nederlandse aanspraken op de kust nooit. De Nederlanders vermeden conflicten door de koning en zijn hof diensten te bewijzen en door jaarlijks geschenken naar de koning te sturen.
Toch braken er in de eerste helft van de 18e eeuw vaak conflicten uit tussen de Nederlanders en de Kandiërs, vooral vanwege het door de Nederlanders opgelegde handelsmonopolie.
In het midden van de 18e eeuw waren er onderhandelingen met Kandi over de handel in olifanten en het uitleveren van vluchtelingen van beide kanten. Terwijl deze onderhandelingen nog aan de gang waren, kwamen in 1760 de boeren, die misnoegd waren over het Nederlandse belastingbeleid, in opstand en vluchtten naar Kandi, na veel schade te hebben aangericht. Inheemse soldaten sloten zich bij hen aan.
In 1761 begon de koning openlijk de kant van de opstandelingen te kiezen en viel zijn leger Nederlandse garnizoenen in geïsoleerde buitenposten aan. Nadat de Kandiërs enkele buitenposten in handen hadden gekregen, trokken de Nederlanders zich in paniek terug naar de vestigingen aan de kust. Toen Galle en Matara door de Kandiërs werden aangevallen, besloten de Nederlanders in maart 1761 Matara te verlaten. Ook Colombo werd belegerd. De Nederlandse strijdkrachten waren volledig overrompeld en nauwelijks tot vechten in staat. Al snel liet men versterkingen uit Malabar en Coromandel komen. Nadat deze waren aangekomen, besloot gouverneur Schreuder tot een tegenaanval in de vorm van een strafexpeditie naar Kandi, maar de helft van de Nederlandse soldaten werd al snel door de Kandiërs uitgeschakeld, terwijl de overlevenden zich haastig terugtrokken.
Op 18 februari 1762 [1]nam Van Eck het bestuur van Schreuder over. Van Eck was krachtiger dan Schreuder, zodat de VOC Matara kon heroveren en enkele nieuwe gebieden kon veroveren. Op 21 juni 1762 stelde Van Eck aan de gouverneur-generaal voor om gezanten naar een Siamese prins te sturen die eerder dat jaar op Ceylon was geweest, omdat een aantal machtige Singalezen hem op de troon hadden willen zetten in plaats van de regerende koning, was echter mislukt. De Hoge Regering stuurde inderdaad gezanten naar Siam, om de prins uit te nodigen naar Ceylon te komen, maar zonder succes.
In 1763 werden er vredesonderhandelingen gevoerd tussen de Nederlanders en Kandi, waarbij onder andere werd gesproken over de uitlevering van deserteurs. De Nederlanders wilden graag een nieuw verdrag sluiten met Kandi, om erkenning van de souvereiniteit in hun gebied en een handelsmonopolie te krijgen. Kandi wilde dit echter niet en was alleen bereid de vijandelijkheden te staken. Daarom besloten de Nederlanders op 14 oktober 1763 om voorbereidingen te treffen voor een nieuwe invasie in Kandi. Omdat er op Ceylon niet genoeg troepen waren, werden ze overal uit de archipel ( het huidige Indonesië) vandaan gehaald waar men kon missen. Hiernaast werden er Fransen en Duitsers in dienst genomen en kwamen er troepen uit Nederland. Veel van de soldaten die uit Nederland naar Ceylon werden gestuurd, overleden echter onderweg, terwijl anderen ziek werden. Bovendien waren velen die gezond in Ceylon aankwamen, ongeschikt of ongeoefend en waren de wapens en uniformen slecht.
In 1764 was de opstand in het Nederlands gebied beëindigd en werd de invasie in Kandi uitgevoerd, met toestemming van de Heren XVII en de Hoge Regering, omdat die geen andere mogelijkheid zagen om de Nederlandse positie op Ceylon naar wens te regelen. Op 4 februari vertrok Van Eck uit Colombo om zich bij het hoofdleger te voegen, dat op 7 februari vanuit Negombo richting Kandi ging. Van dit hoofdleger hing het succes van de strijd af. De andere legers vielen van andere kanten aan. Het hoofdleger bereikte op 22 februari Wisenawe, maar op 26 februari begon het hevig te regenen, waardoor het aantal zieken snel toenam en het onmogelijk wed verder op te rukken. Daarom besloten Van Eck en de kapiteins op 1 maart tot de terugtocht. Toen Van Eck op 3 maart uit Gonawile naar Negombo vertrok, liet hij in Gonawile voldoende militairen achter om het bezet te houden, omdat hij het veroverde vruchtbare kaneelgebied tussen Negombo en Gonawile wilde behouden. Op 7 maart kwam Van Eck weer in Colombo aan. De voornaamste oorzaak van het mislukken van de invasie, was de Nederlanders weinig kennis en onnauwkeurige kaarten hadden van het moeilijk begaanbare en bergachtige binnenland, terwijl de Kandiërs dit terrein, waar ze makkelijk verdekt konden opstellen, goed kenden en bovendien betere wapens hadden dan de Nederlanders. Het feit dat de kaarten onnauwkeurig waren, was voor Van Eck tijdens de opmars reden geweest om het gebied opnieuw in kaart te laten brengen.
Omdat Kandi nog steeds niet bereid was tot het sluiten van een nieuw verdrag en het gevaar bestond dat de Engelsen een verdrag zouden sluiten met de Kandiërs, werd op 5 april 1764 besloten om na 1765 een nieuwe invasie in Kandi te beginnen. Hierbij zou men niet van verschillende kanten aanvallen, maar van één kant.
In mei 1764 kreeg Van Eck informatie over de verblijfplaats van de genoemde Siamese prins en besloot de prins te laten halen, omdat hij wilde proberen de prins op de troon te krijgen. Hij verwachtte dat de benodigde steun van Singalezen er wel zou komen, als de prins eenmaal op het eiland was. Doordat er in juli of augustus nieuwe vredesonderhandelingen met Kandi begonnen, kon Van Eck zijn plan echter voorlopig niet uitvoeren. Omdat hij er bovendien nog niet zeker van was of de prins zou komen, moest hij voorlopig doorgaan met onderhandelen
Nadat Bauert, de dessave van Colombo, op 20 september 1764 naar Kandi had geschreven dat er opnieuw oorlog zou komen, als Kandi niet bereid was een nieuw verdrag te sluiten, berichtte de koning dat hij gezanten zou sturen om in onderling overleg een nieuw vedrag voor te bereiden. De vredesonderhandelingen waren noch door de Kandiërs, noch door de Nederlanders serieus bedoeld, want men bereidde zich aan beide zijden voor op een nieuwe strijd.
Een bericht van 21 november 1764 maakte duidelijk dat de zaak van de Siamese prins niet naar wens verliep, want het lukte niet om toegang te krijgen tot de streng bewaakte prins. Begin januari 1765 begonnen de Nederlandse troepen, die onder persoonlijk bevel stonden van Van Eck, vanuit Gonawile met een veldtocht die beter was voorbereid dan de veldtocht van 1764. Op 15 februari vielen de Nederlanders ten zuiden van Giriagamme het eigenlijke rijk van Kandi binnen. De Kandiërs probeerden vrede te sluiten, maar Van Eck stelde zulke vernederende voorwaarden dat ze deze niet konden aanvaarden. De koning vluchtte op 16 februari uit de stad Kandi naar een veilige schuiplaats. Toen de Nederlanders op 19 februari de stad binnenvielen, bleek die verlaten te zijn. Hoewel Van Eck de troepen.had verboden de stad te plunderen, gebeurde dit wèl, terwijl ook het omliggende land werd verwoest. Op 4 maart [2]vertrok Van Eck uit Kandi naar Colombo, waar hij op 10 maart aankwam. De stad Kandi werd bezet gehouden.
Toen op 13 maart in Colombo de stand van zaken werd besproken, had Van Ecks inmiddels malaria [3]gekregen en kon hij de vergaderingen niet meer bijwonen, maar op 26 maart zette hij zijn mening op papier, die op 27 maart in de Secrete Raad werd besproken. Volgens Van Eck had het geen zin om vrede te sluiten met de regerende koning, omdat deze niet genoeg zelfstandig kon optreden en zich volledig liet beïnvloeden door zijn omgeving. Daarom moesten de Nederlanders òf Kandi volledig veranderen veroveren en de koning verjagen, òf iemand op de troon zetten die zelfstandiger kon optreden. Volgens Van Eck was het volledig veroveren van Kandi, waarbij men de geschiksten van degenen die nu machtig waren aan het hof, vorsten kon maken over de binnenlanden en ervoor kon zorgen dat dezen onderling verdeeld waren, de beste oplossing. Wilde men dit echter niet, dan was het misschien aanbevelenswaardig een Siamese prins op de troon te zetten.
Op 1 april overleed Van Eck. De troepen in Kandi werden bedreigd door een gebrek aan levensmiddelen en waren op 31 augustus, na de stad in brand te hebben gestoken, door honger gedwongen zich terug te trekken, omdat er nog geen hulptroepen waren aangekomen. Iman Willem Falck was op 6 juni tot gouverneur benoemd en kwam op 9 augustus in Colombo aan. Hij bracht het koninkrijk in zeer grote moeilijkheden door middel van korte, felle aanvallen op voorraden van de Kandiërs, zodat de koning tot elke prijs vrede wilde. Na veel onderhandelen werd op 14 februari 1766 een vredesverdrag ondertekend.
In 1796 moesten de Nederlanders Ceylon overdragen aan de Engelsen.