Inventaris van de collectie Brugmans, 1612-1870
Collectie Brugmans

Beschrijving van het archief

Inhoud en structuur van het archief
De verzameling laat zich splitsen in vier afdeelingen.
De eerste is afkomstig van Mr. P. A. Brugmans, in 1792 in de rechten gepromoveerd te Groningen, bij besluit der Vergadering van Zeventien van 10 juni 1793 benoemd tot Tweede Advocaat der Oostindische Compagnie en in dat ambt werkzaam gebleven, totdat hij bij besluit van de Staten-Generaal van 24 December 1795 met ingang van 19 januari 1796 zijn eervol ontslag ontving, naderhand van 1796 tot omstreeks 1838 advocaat te Amsterdam.
De tweede afdeeling bevat een aantal papieren, nagelaten door zijn zoon Mr. A. Brugmans, van 1828 tot omstreeks 1877 ingelijks advocaat te Amsterdam.
In de derde plaats komen in deze verzameling voor eenige bescheiden, die afkomstig zijn van Mr. Daniël Adriaan Meerman van der Goes, in 1776 door Prins Willem V geëligeerd tot Tweede Advocaat der Oostindische Compagnie en als zoodanig in functie gebleven tot in 1784, toen hem op zijn verzoek een eervol ontslag werd verleend. Klaarblijkelijk zijn deze papieren, die alle op zijn werkzaamheden in dienst der Compagnie betrekking hebben, op de Tweede-Advocaatskamer van het Oostindische Huis te Amsterdam achtergebleven en zoodoende in handen gekomen van Mr. P. A. Brugmans, die gelijk gezegd is sedert 1793 hetzelfde ambt bekleedde.
Niet duidelijk is het, hoe onder de papieren-Brugmans de stukken zijn terecht gekomen, die in de vierde afdeeling zijn opgenomen en afkomstig zijn van Philip Hendrik de Haart. De Haart vertrok naar Indië in november 1782 met het schip De Gerechtigheid van de Kamer Amsterdam met den rang van kapitein-titulair ter zee, werd bij besluit van Gouverneur-Generaal en Raden van 20 december 1784 aangesteld als onderequipagemeester te Batavia en in 1788 bevorderd tot opperequipagemeester wat hij bleef tot omstreeks 1792, toen hij naar het vaderland terugkeerde. Hij kwam hier te lande aan als commandeur op het retourschip De Unie op 21 juni 1793.
De hierachter beschreven stukken zijn in september 1919 door tusschenkomst van den archivaris der gemeente Amsterdam aan het Algemeen Rijksarchief ten geschenke aangeboden door Mr. M.G. J. Boissevain te Velsen c.s, erfgenamen van Mr. Pibo Anthonius Brugmans, in leven advocaat van de gemeente Amsterdam (overleden 1891) en zoon van Mr. A.Brugmans bovengenoemd.