Inventaris van het archief van Johannes Hudde, 1602-1703
Johannes Hudde

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Inleiding
Deze verzameling stukken werd in 1871 aan het Rijksarchief te 's-Gravenhage aangeboden door mr. W. Baron Roëll te Amsterdam namens jhr. S. en jhr. mr. C. Dedel aldaar. De collectie was afkomstig van den Amsterdamschen burgemeester Johannes Hudde, heer van Waveren, Botshol en Ruige Wilnis (1628-1704), die sedert 1679 bewindhebber der Oost -Indische Compagnie ter kamer Amsterdam was. Uit de genealogieën van de geslachten Hudde en dedel, bewerkt door Johan E. Elias (zie: De vroedschap van Amsterdam 1578-1795, Deel II, blz. 682 e.v.) blijkt de verwantschap tusschen de beide familie's. Toen Hudde in 1704 kinderloos stierf , kwamen zijne papieren vermoedelijk aan zijn broeder mr. Hendrick Hudde (overleden in 1717), wiens dochter Anna Maria gehuwd was met mr. Johan Dedel. Op deze wijze zuilen de papieren van Hudde in het bezit der familie Dedel zijn geraakt. Voor nadere bijzonderheden omtrent den levensloop van dezen merkwaardigen man wordt verwezen naar het "Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek" (Deel I, blz. 1172 e.v.). Aldaar is hij hoodfzakelijk beschreven als magistraat en als mathematicus. Voor deze beschrijving zijn blijkbaar geraadpleegd de papieren betreffende zijn Amsterdamsch burgermeesterambt, welke berusten in het Gemeentenarchief te Amsterdam. De hier beschreven collectie is een aanvulling van die te Amsterdam te beschouwen; de beteekenis zijner werkzaamheden als Bewindhebber der Oostindische Compagnie komt door deze bescheiden mee naar voren. Hudde werd bij resolutie van 15 April 1683 door de bewindhebbers der Kamer Amsterdam benoemd in eene Commissie tot een generaal redres van Compagnie's zaken, waarin o.a. ook zitting hadden: Van Beuningen en de beide advocaten der compagnie. Als zoodanig heeft hij blijkbaar deze papieren bijeen gebracht. In deze collectie bevinden zich ook nog enkele stukken, afkomstig van zijn vader Gerrit Hudde (1595-1647), die sedert 1632 bewindhebber der Oostindische Compagnie ter Kamer Amsterdam was.