Inleiding
Deze verzameling stukken werd in 1871 aan het Rijksarchief te
's-Gravenhage aangeboden door mr. W. Baron Roëll te Amsterdam namens jhr. S. en
jhr. mr. C. Dedel aldaar. De collectie was afkomstig van den Amsterdamschen
burgemeester Johannes Hudde, heer van Waveren, Botshol en Ruige Wilnis
(1628-1704), die sedert 1679 bewindhebber der Oost -Indische Compagnie ter
kamer Amsterdam was. Uit de genealogieën van de geslachten Hudde en dedel,
bewerkt door Johan E. Elias (zie: De vroedschap van Amsterdam 1578-1795, Deel
II, blz. 682 e.v.) blijkt de verwantschap tusschen de beide familie's. Toen
Hudde in 1704 kinderloos stierf , kwamen zijne papieren vermoedelijk aan zijn
broeder mr. Hendrick Hudde (overleden in 1717), wiens dochter Anna Maria gehuwd
was met mr. Johan Dedel. Op deze wijze zuilen de papieren van Hudde in het
bezit der familie Dedel zijn geraakt. Voor nadere bijzonderheden omtrent den
levensloop van dezen merkwaardigen man wordt verwezen naar het "Nieuw
Nederlandsch Biografisch Woordenboek" (Deel I, blz. 1172 e.v.). Aldaar is hij
hoodfzakelijk beschreven als magistraat en als mathematicus. Voor deze
beschrijving zijn blijkbaar geraadpleegd de papieren betreffende zijn
Amsterdamsch burgermeesterambt, welke berusten in het Gemeentenarchief te
Amsterdam. De hier beschreven collectie is een aanvulling van die te Amsterdam
te beschouwen; de beteekenis zijner werkzaamheden als Bewindhebber der
Oostindische Compagnie komt door deze bescheiden mee naar voren. Hudde werd bij
resolutie van 15 April 1683 door de bewindhebbers der Kamer Amsterdam benoemd
in eene Commissie tot een generaal redres van Compagnie's zaken, waarin o.a.
ook zitting hadden: Van Beuningen en de beide advocaten der compagnie. Als
zoodanig heeft hij blijkbaar deze papieren bijeen gebracht. In deze collectie
bevinden zich ook nog enkele stukken, afkomstig van zijn vader Gerrit Hudde
(1595-1647), die sedert 1632 bewindhebber der Oostindische Compagnie ter Kamer
Amsterdam was.